Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN0923

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
12-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; bedrijfstoeslag 2008; geen kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/484 2 juli 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: K. Froma, werkzaam bij DLV Plant te Assen als adviseur akkerbouw,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder ,

gemachtigde: mr. drs. M.G. Fikken, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 maart 2009, bij het College binnengekomen op 27 maart 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 maart 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 23 januari 2009, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2008 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft vastgesteld.

Bij brief van 6 mei 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 7 mei 2009 heeft verweerder aanvullende stukken toegezonden.

Op 21 mei 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 23 januari 2009 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2008, na aftrek van de modulatiekorting van 5%, vastgesteld op € 9.204,36. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft in het overzicht gewaspercelen aangegeven dat hij over 6 percelen met een totale oppervlakte van 40.12 ha beschikt. Slechts bij 5 percelen met een totale oppervlakte van 25.12 ha heeft hij aangegeven dat hij deze voor uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst te benutten. Doordat het perceel maïs met volgnummer 1 van 15.00 ha abusievelijk niet voor uitbetaling is opgegeven heeft verweerder de toeslagrechten van appellant slechts voor een gedeelte uitbetaald. Appellant meent dat verweerder deze vergissing ten onrechte niet als een kennelijke fout heeft aangemerkt. Gevolg daarvan is dat appellant, eveneens ten onrechte, zijn aanvraag niet heeft mogen aanpassen.

2.3 Volgens verweerder is er geen sprake van een kennelijke fout in de aanvraag. Het verschil tussen hetgeen appellant heeft aangevraagd en hetgeen hij maximaal kon aanvragen, is niet zo groot dat dit verweerder bij een summier onderzoek van de aanvraag direct had moeten opvallen. Daarnaast is het niet onlogisch om niet alle toeslagrechten te laten uitbetalen hoewel er voldoende grond beschikbaar is. Zo kan het zijn dat een perceel niet voldoet aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden of dat appellant zich zou willen onttrekken aan controles op de betreffende percelen. Het is niet aan verweerder zich te verdiepen in de motieven van appellant om niet maximaal steun aan te vragen.

2.4 Het College overweegt allereerst dat er in het onderhavige geval, buiten artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004, rechtens geen herstelmogelijkheid bestaat. Dit betekent dat voor wijziging van appellants aanvraag om uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor 2008 alleen plaats is, indien sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Het College overweegt te dien aanzien, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

2.4.1 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

2.4.2 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.4.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellant, die over in totaal 39,12 toeslagrechten (3,65 braaktoeslagrechten en 35,47 gewone rechten) en 40.12 ha grond beschikt, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als hij slechts voor 3,60 braaktoeslagrechten en 21,52 gewone toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, ook naar het recht zoals dat in 2008 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven. Weliswaar is het tienmaanden-vereiste van artikel 44, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 met ingang van 1 januari 2008 vervallen en is in de plaats daarvan en met het oog op het voorkomen van dubbele aanvragen gekozen voor een peildatum waarop de in de aanvraag voor uitbetaling van toeslagrechten opgegeven percelen ter beschikking van de landbouwer moeten staan (in Nederland 15 mei 2008), maar dat neemt niet weg dat die percelen, op straffe van kortingen, feitelijk gedurende het gehele jaar voor landbouwactiviteiten gebruikt moeten worden, waarbij ook de gestelde randvoorwaarden in aanmerking genomen moeten worden. Dat kan reden vormen om een perceel, ook al staat het op 15 mei 2008 ter beschikking van de landbouwer, toch niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.4.4 In het onderhavige geval is er naar het oordeel van College geen reden een kennelijke fout aan te nemen. Appellant heeft in de Gecombineerde opgave 2008 opgegeven zijn toeslagrechten te willen laten uitbetalen en heeft daarbij voor 25,12 van de 39,12 (3.65 braak toeslagrechten en 35,47 gewone toeslagrechten) ter beschikking staande toeslagrechten gebruik gemaakt. Hierdoor heeft appellant € 9.786,67 (exclusief modulatiekorting) van de totaalwaarde van de toeslagrechten van € 15.135,65 benut. Weliswaar heeft appellant aldus een relatief groot deel van zijn toeslagrechten (ruim 35%) onbenut gelaten, maar dit wordt geheel veroorzaakt door het niet opgeven van perceel 1 ter grootte van 15.00 ha. Appellant heeft vijf van de zes in het Overzicht gewaspercelen vermelde percelen voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking gebracht. Het College ziet, mede gelet op hetgeen in 2.4.3 is overwogen, geen grond voor de conclusie dat er voor appellant geen reden zou kunnen zijn om het enige resterende perceel, perceel 1, niet op te geven. Er is dan ook geen aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag, als niet samenhangend aan te merken.

2.4.5 Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. F.W. du Marchie Sarvaas