Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN0409

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/379
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/379 24 juni 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. A. Tymersma, werkzaam bij Accon/AVM Juridisch Advies B.V. te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Süzen-Alkan, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 12 maart 2009, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 februari 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 17 december 2008, waarbij verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 de bedrijfstoeslag voor het jaar 2008 van appellante heeft vastgesteld.

Bij ongedateerde brief, bij het College binnengekomen op 17 april 2009, heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 20 mei 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 11 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante haar gemachtigde, vergezeld van B, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 17 december 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2008, na aftrek van 5% modulatiekorting, vastgesteld op € 32.297,74. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Appellante heeft pas in het bezwaarschrift aangegeven dat zij alsnog de percelen met volgnummers 12 tot en met 16 in aanmerking wilde laten komen voor uitbetaling van toeslagrechten omdat die eerder waren vergeten. Wijziging van de aanvraag na 9 juni 2008 is niet meer mogelijk. Van een kennelijke fout is geen sprake. De aanvraag is immers objectief bezien niet onlogisch of tegenstrijdig ingevuld. Het verschil tussen hetgeen appellante heeft aangevraagd en hetgeen zij maximaal kon aanvragen is niet zo groot dat dit verweerder bij een summier onderzoek van de aanvraag direct had moeten opvallen. Naar de mening van verweerder behoort het niet tot zijn taak om zich bij de beoordeling van de aanvraag te verdiepen in de motieven van de aanvrager om zijn toeslagrechten al dan niet geheel uit te laten betalen.

2.2 Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Bij het invullen van de Gecombineerde Opgave 2008, waarmee appellante om uitbetaling van haar toeslagrechten heeft verzocht, is appellante uitgegaan van de gegevens vermeld in haar aanvraag 2007. Deze gegevens zijn in 2008 niet gewijzigd. Gezien de toelichting in de handleiding en de praktijk waaruit blijkt dat alle persoonsgegevens, landerijen en diersoorten reeds zijn ingevuld door de Dienst Regelingen, was appellante in de veronderstelling dat alle gegevens van het voorgaande jaar, mits niet gewijzigd, zouden worden overgenomen in de Gecombineerde opgave 2008 en dat al haar toeslagrechten, net als in 2007, zouden worden uitgekeerd.

Daarnaast heeft verweerder ten onrechte beslist dat de aanvraag geen kennelijke fout bevat. Het is immers onaannemelijk dat appellante, die in 2008 over 77.75 ha beschikt, de bedoeling kan hebben gehad om voor de verzilvering van haar 73,50 toeslagrechten slechts 55.09 ha op te geven. Op deze wijze loopt zij immers een fors bedrag aan bedrijfstoeslag mis, terwijl zij over voldoende hectaren beschikt om al haar toeslagrechten te verzilveren. Enkel door het niet plaatsen van een aantal “G-tjes” loopt zij nu een aanzienlijk bedrag aan inkomenssteun mis. Verweerder beschikt over een geïntegreerd beheers- en controlesysteem, en had bij summier onderzoek door vergelijking van het aantal geregistreerde toeslagrechten met het opgegeven subsidiabele areaal aan landbouwgrond, gemakkelijk kunnen constateren dat de aanvraag een omissie bevat.

Appellante heeft in de verzamelaanvraag onverkort aangegeven dat zij “zijn toeslagrechten” wilde verzilveren. Dit impliceert dat zij alle toeslagrechten wilde laten verzilveren en niet slechts een gedeelte daarvan.

2.3.1 Het College stelt voorop dat, gelet op de toepasselijke regels, wijziging van de aanvraag in het onderhavige geval alleen mogelijk is indien geoordeeld zou moeten worden dat de aanvraag een kennelijke fout bevat als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Met betrekking tot de aanwezigheid van een kennelijke fout overweegt het College, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

2.3.2 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.3.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellante, die over 73,50 gewone toeslagrechten met een waarde per recht van € 617,13 beschikt en die op het Overzicht gewaspercelen 16 percelen met een totale oppervlakte van 85.07 ha heeft opgegeven, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als zij slechts voor 55,09 gewone toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, ook naar het recht zoals dat in 2008 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven. Weliswaar is het tienmaanden-vereiste van artikel 44, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 met ingang van 1 januari 2008 vervallen en is in de plaats daarvan en met het oog op het voorkomen van dubbele aanvragen gekozen voor een peildatum waarop de in de aanvraag voor uitbetaling van toeslagrechten opgegeven percelen ter beschikking van de landbouwer moeten staan (in Nederland 15 mei 2008), maar dat neemt niet weg dat die percelen, op straffe van kortingen, feitelijk gedurende het gehele jaar voor landbouwactiviteiten gebruikt moeten worden, waarbij ook de gestelde randvoorwaarden in aanmerking genomen moeten worden. Dat kan reden vormen om een perceel, ook al staat het op 15 mei 2008 ter beschikking van de landbouwer, toch niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.3.4 Het College is van oordeel dat er in het geval van appellante, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding is een kennelijke fout aan te nemen. Het overweegt hiertoe als volgt.

Voor zover appellante meent dat reeds sprake is van een kennelijke fout, nu zij bij vraag 3A in de Gecombineerde opgave 2008 heeft aangekruist dat zij haar toeslagrechten wilde laten uitbetalen, terwijl zij op het Overzicht gewaspercelen onvoldoende percelen heeft aangekruist om al haar toeslagrechten te laten uitbetalen, deelt het College deze mening niet.

Het College stelt vast dat appellante bij onderdeel 3A1 van de Gecombineerde opgave 2008 de vraag: “Wilt u in 2008 toeslagrechten laten uitbetalen?” met “ja” heeft beantwoord. Vervolgens heeft appellante bij het onderdeel “Geef aan welke en hoeveel toeslagrechten u wilt laten uitbetalen” een kruisje geplaatst bij de optie “Ik wil mijn gewone toeslagrechten en/of mijn braaktoeslagrechten laten uitbetalen”. Mede bezien in het licht van de op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 796/2004 op de landbouwer rustende verplichtingen met betrekking tot het invullen van de verzamelaanvraag, is het College van oordeel dat de formulering van evengenoemde vragen en de daarop door appellante gegeven antwoorden onvoldoende steun bieden aan de opvatting van appellante dat daarin besloten ligt dat zij alle in het Overzicht gewaspercelen 2008 onder volgnummer 1 tot en met 16 genoemde percelen voor uitbetaling van haar toeslagrechten in aanmerking wilde brengen.

Appellante heeft niet aangetoond dat het vrijwel onmogelijk was om in 2008 de aanvraag digitaal juist in te vullen. Eventuele fouten bij het overnemen van gegevens uit voorgaande jaren, dienen voor rekening van appellante te worden gebracht.

2.3.4 Appellante heeft op het Overzicht gewaspercelen 11 van de in totaal 16 percelen met een totale oppervlakte van 55.09 ha opgegeven voor uitbetaling van haar toeslagrechten. Daarmee heeft appellante ongeveer 75% van de toeslagrechten verzilverd. Van de totaalwaarde van de toeslagrechten van €45.358,96 (zonder modulatiekorting) heeft appellante €33.997,62 (zonder modulatiekorting) benut. Daarmee is het verschil tussen hetgeen appellante heeft aangevraagd en hetgeen zij maximaal kon aanvragen niet zodanig groot dat dit bij een summier onderzoek van de aanvraag direct in het oog had moeten springen. Hierbij komt dat het voor de uitbetaling van appellantes toeslagrechten niet nodig was om alle percelen op te geven. Het College is niet gebleken van omstandigheden die op dit punt tot een andere conclusie leiden.

2.3.5 Onder deze omstandigheden is er onvoldoende aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het werkdocument als onvoldoende samenhangend aan te merken. Het feit dat niet alle percelen zijn gebruikt voor de uitbetaling levert in het onderhavige geval onvoldoende grond op voor de door appellant bepleite conclusie dat sprake is van een kennelijke fout. Verweerder was dan ook gehouden het verzoek om wijziging van de aanvraag af te wijzen.

2.4 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. S.C. Stuldreher en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas