Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN0301

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/345
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Concessie voor openbaar vervoer

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000
Besluit personenvervoer 2000
Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2011/121
JAAN 2010/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Voorzieningenrechter)

AWB 10/345 1 juli 2010

14911

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Veolia Transport Nederland Openbaar Vervoer B.V., te Breda, verzoekster,

gemachtigde: mr. C.J.G.M. Bartels, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen

gedeputeerde staten van Gelderland, verweerders,

gemachtigden: mr. P.H.L.M. Kuypers, advocaat te Brussel (België), en mr. S.J.G. Smallegange, advocaat te Rotterdam.

Syntus B.V., te Doetinchem (hierna: Syntus),

gemachtigden: mr. P.F.C. Heemskerk en mr. B. Braat, beiden advocaat te Utrecht.

1. De procedure

Bij besluit van 3 maart 2010 hebben verweerders besloten de concessie voor het openbaar vervoer per bus en auto in de provincie Gelderland, meer in het bijzonder het concessiegebied Veluwe, met ingang van 12 december 2010 niet te gunnen aan verzoekster, maar aan Syntus.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 april 2010 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 april 2010 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 20 april 2010 heeft Syntus desgevraagd te kennen gegeven als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 28 april 2010 heeft verzoekster een nadere toelichting op het verzoek ingediend.

Bij brief van 4 mei 2010 hebben verweerders een reactie op het verzoek ingediend.

Bij brief van 6 mei 2010 hebben verweerders op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en de voorzieningenrechter verzocht wat betreft een deel van die stukken toepassing te geven aan de procedure van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij beslissing van 25 mei 2010 heeft de voorzieningenrechter, belast met het geven van een beschikking op het verzoek om toepassing van artikel 8:29 Awb, de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht.

Bij brieven van 31 mei 2010 en 1 juni 2010 hebben verzoekster, respectievelijk Syntus, erin toegestemd dat de voorzieningenrechter uitspraak doet mede op grond van de stukken waarvan de voorzieningenrechter beperking van de kennisneming gerechtvaardigd heeft geacht.

Bij brief van 3 juni 2010 heeft Syntus een reactie op het verzoek ingediend.

Bij brief van 5 juni 2010 heeft verzoekster stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 juni 2010, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Van de kant van verzoekster zijn tevens verschenen G. Veenstra, W. Kurver en mr. F. Jansen, allen werkzaam bij verzoekster. Van de kant van verweerders zijn tevens verschenen mr. A.M. Schadd, advocaat te Eindhoven, alsmede S. Balhuizen, G. Pelsma, F. Schotanus, G. Verberne en P. Thijssen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp 2000) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Artikel 19

1. Het is verboden openbaar vervoer te verrichten zonder daartoe verleende concessie.

(…)

Artikel 49

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aanbesteding van concessies plaatsvindt. "

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp 2000) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Artikel 37

1. Op aanbesteding van concessies voor openbaar vervoer waarvan de geraamde waarde exclusief omzetbelasting tenminste het in artikel 7, aanhef onderdeel b, van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten bedoelde bedrag bedraagt, zijn, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, de artikelen 2 tot en met 57 van dat Besluit van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 3, 5, eerste lid, 8, 9, vijfde, negende, tiende, elfde en twaalfde lid, 10 tot en met 17, 20, 21, 22, 31, tweede lid, en 34.

(…)

Artikel 38

Het besluit tot concessieverlening geschiedt op grond van gunningscriteria nadat de geschiktheid van de vervoerders die niet uit hoofde van de wet, artikel 37 of andere door de concessieverlener bij de aanbesteding gestelde voorwaarden zijn uitgesloten, door de concessieverlener is vastgesteld. "

Het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" Artikel 16

Dit besluit is niet van toepassing op concessieovereenkomsten voor diensten.

Artikel 41

1. Een aanbestedende dienst stelt de (…) inschrijvers zo spoedig mogelijk en desgevraagd schriftelijk in kennis van de beslissingen die zijn genomen inzake (…) de gunning van een overheidsopdracht (…).

(…)

4. Op verzoek van een betrokken partij stelt de aanbestedende dienst iedere inschrijver die een aan de eisen beantwoordende inschrijving heeft gedaan, zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst van zijn schriftelijk verzoek, in kennis van de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving, en van de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst.

5. Een aanbestedende dienst deelt bepaalde gegevens betreffende de gunning van de overheidsopdrachten (…) als bedoeld in het eerste lid, niet mee indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van de wet in de weg zou staan, met het openbaar belang in strijd zou zijn, de rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden, of afbreuk aan de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen doen.

Artikel 54

1.Een aanbestedende diensten gunt een overheidsopdracht op grond van:

a. criteria die verband houden met het voorwerp van de overheidsopdracht, indien de gunning aan de inschrijver met de vanuit het oogpunt van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving plaatsvindt, of

b. het criterium de laagste prijs.

2.Een aanbestedende dienst specificeert in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document, het relatieve gewicht van elk van de door hem gekozen criteria voor de bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving. Dit gewicht kan worden uitgedrukt door middel van een marge met een passend verschil tussen minimum en maximum. "

De Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden (hierna: Wira) luidt als volgt:

" Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

n. relevante redenen: de beschrijving van de redenen, bedoeld in artikel 41, tweede tot en met vijfde lid van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (…);

(…)

Artikel 2

Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op opdrachten waarop het Besluit aanbestedingsregels overheidsopdrachten of het Besluit aanbestedingen speciale sectoren van toepassing is.

(…)

Artikel 6

1. De mededeling aan iedere inschrijver(…) van een gunningsbeslissing bevat de relevante redenen voor die beslissing (…).

(…) "

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Ten behoeve van de aanbesteding van het openbaar vervoer per bus en per auto in het concessiegebied Veluwe met ingang van 12 december 2010 hebben verweerders een bestek en een programma van eisen opgesteld. In antwoord op vragen van potentiële inschrijvers hebben verweerders vijf nota's van inlichtingen uitgebracht.

- In het bestek is onder het kopje 'B.2 Beoordelingsprocedure Inschrijvingen' onder meer het volgende vermeld:

" Gunning vindt plaats aan de Inschrijver met de economisch meest voordelige Inschrijving."

- In hoofdstuk B.5 van het bestek, zoals integraal gewijzigd bij de eerste nota van inlichtingen, is vermeld welke gunningscriteria gelden. In het onderhavige geval zijn dat de volgende vier gunningscriteria met de daarbij behorende (sub)subgunningscriteria, voor zover hier aan de orde (waarbij DRU's een afkorting is voor dienstregelinguren):

- G1 'Deel + en wens B: Effectieve kwantiteit', met één subgunningscriterium:

G1.1 'Deel + en wens B: Aanbod extra effectieve DRU's' met een weging van 50%, met twee subsubgunningscriteria:

- G1.1.1 'Aanbod extra DRU's', en

- G1.1.2 'Kwaliteit extra DRU's;

- G2 'Kwaliteit', met twee subgunningscriteria:

- G2.1 'Kwaliteit Marketing- en Communicatieplan' met een weging van 22,5%, en

- G2.3 'Kwaliteit Sociaal Veiligheidsplan' met een weging van 5%;

- G3 'Opties inzake effectieve kwantiteit' met een weging van 5%;

- G4 'Optie inzake kwaliteit', met één subgunningscriterium:

- G4.1 'Aanbod realistische extra CO2-reductie' met een weging van 17,5%, met twee subsubgunningscriteria:

- G4.1.1 'Aanbod extra CO2-reductie', en

- G4.1.2 'Realisme extra CO2-reductie'.

In het bestek is voorts in hoofdstuk B.5, zoals dat integraal is gewijzigd bij de eerste nota van inlichtingen, onder meer het volgende vermeld:

" G1.1 Deel + en wens B: Aanbod extra effectieve DRU's voor de busdienst (regulier materieel) en auto/kleine bus

Gunningcriterium G1.1 wordt beoordeeld op basis van de aangeboden extra effectieve DRU's voor deel + en voor wens B. (…) Gunningcriterium G1.1 bestaat uit de volgende subcriteria:

- G1.1.1: Aanbod extra DRU's

- G1.1.2: Kwaliteit extra DRU's

(…)

G1.1.1 aanbod extra DRU's/deel + en wens B

(…)

De Inschrijver dient het totale aantal extra DRU's in te vullen in bijlage D.7. (…) De DRU's geboden bij deel A tellen niet mee bij de extra DRU's. De DRU's geboden bij deel A gelden wel als referentie voor de bepaling van het percentage van de extra DRU's. (…) Ter indicatie geeft de Opdrachtgever aan dat het basisvoorzieningenniveau (deel A) zoals gesteld in het Programma van Eisen volgens de Opdrachtgever circa 401.700 DRU's bedraagt. De indicatie voor deel A van het basisvoorzieningenniveau dient ter informatie voor de Inschrijvers om de manier van rekenen bij dit Gunningcriterium te verduidelijken. De Opdrachtgever kan geen exacte berekening geven van dit aantal, mede omdat Inschrijvers zelf voorstellen mogen doen voor verbeteringen van rijtijden of van aansluitingen. Inschrijvers dienen daarom zelf het aantal DRU's voor deel A op te geven. (…)

Rekenvoorbeeld G1.1.1 Aanbod extra DRU's

Als een Inschrijver bijvoorbeeld 404.000 DRU's nodig heeft om te kunnen voldoen aan het basisvoorzieningenniveau deel A en in totaal 525.000 DRU's aanbiedt, dan worden er 121.000 extra DRU's aangeboden. Als 121.000 extra DRU's worden aangeboden ten opzichtte van 404.000, dan is dit een extra aanbod van 30%. (…)

G1.1.2 Kwaliteit extra DRU's

Als de Inschrijver extra DRU's inzet, dan dient deze aan te geven hoe deze extra DRU's worden ingezet. (…) Extra's DRU's zijn niet de DRU's opgegeven voor deel A.

De inzet van de extra DRU's dient ten minste te voldoen aan de randvoorwaarden die zijn weergegeven in de basiseisen ten aanzien van het openbaar vervoer zoals opgenomen in het Programma van Eisen. Daarnaast daagt de Opdrachtgever de Inschrijver uit om met vernieuwende en creatieve invullingen van het aanbod te komen. (…)

Toelichting Wens B

Bij de invulling van wens B wordt aandacht gevraagd voor de bediening van sterke regionetlijnen, kernen met minder dan 1.500 inwoners, ziekenhuizen en van winkelcentra op koopavonden. (…) Uitgangspunt is de reizigersvraag naar openbaar vervoer. (…) De Inschrijver dient in zijn visie op het netwerk aandacht te schenken aan doorontwikkeling van het netwerk en de mogelijkheid om in te spelen op veranderingen zonder dat de consistentie in het netwerk verloren gaat (naar het oordeel van de beoordelingscommissie). De Inschrijver streeft hierbij naar een consistent netwerk dat zonder ingrijpende wijzigingen kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld het ontsluiten van nieuwe woonwijken en werkgelegenheidsgebieden). (…)

Er wordt een uitstekende score toegekend aan de onderdelen van een vervoerplan voor deel + en deel B als naar verwachting van de provincie de extra DRU's uitstekend invulling geven aan de aandachtspunten geformuleerd bij deel + en wens B. Daarnaast moet een uitstekend plan zijn afgestemd op de huidige vervoersvraag en/of op een uitstekende wijze nieuwe vervoersvraag genereren. (…)

G2.1 Kwaliteit Marketing- en Communicatieplan

De Inschrijver dient een marketing- en communicatieplan op te stellen voor de eerste twee jaren van de concessie. (…)

Specifiek wordt het marketing- en communicatieplan van de Inschrijver beoordeeld op de mate waarin het plan volgens de provincie bijdraagt aan het behouden en aantrekken van reizigers en de sociale functie van het openbaar vervoer. Hiertoe dient de Inschrijver een duidelijk visie op marketing en communicatie, aanpak en motivatie te geven. Ten slotte beoordeelt het beoordelingsteam het marketing- en communicatieplan op de doelstellingen en de verwachte effect(en) van het plan voor de wens van de provincie om 'Naar vanzelfsprekend openbaar vervoer' mogelijk te maken. De beoordeling komt verder mede tot stand door de verschillende Inschrijvingen onderling met elkaar te vergelijken. (…)

G2.3 Kwaliteit Sociaal Veiligheidsplan

(…) Op basis van de doelstellingen en uitgangspunten beschreven in het Meerjarenoverzicht van de Opdrachtgever dient de Inschrijver een sociaal veiligheidsplan op te stellen voor de eerste twee jaren van de concessie, ter ondersteuning van de doelstellingen van de provincie. In dit plan worden doelstellingen SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden) beschreven en worden concrete acties en planning uitgewerkt. In het plan wordt minimaal ingegaan op:

- Doelstellingen (…)

- Verbetering en/of het behoud van sociale veiligheid en het behalen van de streefcijfers, waarbij aandacht wordt gegeven aan:

- sociaal veilige inrichting van voertuigen (…)

- cameratoezicht (beeld en geluid), menselijk toezicht en kaartcontrole

- handhaving van sociale veiligheid

- invulling toezichthouders (…)

- vandalisme

- deelname aan het preventieprogramma 'Lijn 109'

- voorlichting aan scholieren

- samenwerking met andere veiligheidspartners, waaronder politie en justitie

- draaiboek van de communicatie tussen voertuigen en CVL en de

afhandeling van meldingen

- opvang personeel en reizigers in crisissituaties

- toets Arbodienst

- afhandeling van klachten van reizigers en personeel over sociale veiligheid

- overige aspecten.

- De selectie, inzet en opleiding van het personeel om optimaal uitvoering te kunnen geven aan een sociaal veilige situatie (…)

- Een visie op de verantwoordelijkheid van de concessiehouder en dat van andere partijen op het gebied van sociale veiligheid

- De wijze van uitvoeren van deze visie (…)

- Personeelsplan

- Overige aspecten (…)

Het sociaal veiligheidsplan wordt beoordeeld op de invulling van de hierboven genoemde onderwerpen en het realiteitsgehalte. Bij de beoordeling wordt bovendien gelet op de doelstellingen en de verwachte effect(en) van het plan en de eigen inzet van personeel en middelen door de concessiehouder. De beoordeling komt verder mede tot stand door de verschillende Inschrijvingen onderling met elkaar te vergelijken. (…)

G4.1 Aanbod realistische extra CO2-reductie

Een realistische extra CO2-reductie van 10% tot 35% wordt als optie uitgevraagd aan de Inschrijvers. (…)

Inschrijvers wordt gevraagd een CO2-reductieplan te schrijven waarin zij allereerst de verplichte CO2-reductie van 10% onderbouwen. Daarnaast dienen zij hun eventueel aangeboden CO2-reductie van 10% tot 35% te onderbouwen. (…)

Het aanbod realistische extra CO2-reductie wordt kwantitatief beoordeeld. Op basis van de score voor de hoeveelheid extra aangeboden CO2-reductie (G4.1.1) en het Realisme van deze CO2-reductie in procenten (G4.1.2) wordt de score voor G4.1 conform de volgende formule berekend: Score G4.1 = Score G4.1.1 * Score G4.1.2 (…)

G4.1.1 Aanbod extra CO2-reductie

Bij het aanbod voor extra CO2-reductie dient de Inschrijver zich te baseren op de uitstoot in het jaar 2008 (…). De voorgestelde reductie dient volledig te worden behaald voor 31 december 2014, en dient daarna minimaal te worden behouden. (…)

Voor het omzetten van de aangeboden CO2-reductie naar een score geldt een scoreverloop zoals wordt getoond in het volgende figuur. Een besparing van meer dan 35% wordt daarbij niet reëel geacht. (…)

G4.1.2 Realisme extra CO2-reductie

Het aanbod van extra CO2-reductie dient de Inschrijver te onderbouwen met een realisatieplan waarin logische redeneringen, onderzoeken en/of resultaten uit eerdere activiteiten de te behalen reductie onderbouwen. Het realisatieplan dient in te gaan op de volgende onderwerpen:

- De wijze waarop de minimaal te behalen CO2-reductie van 10% wordt behaald;

- De wijze waarop de aangeboden extra CO2-reductie wordt behaald. Hierbij dient de Inschrijver in te gaan op het materieel en de technieken die worden ingezet om deze reductie te behalen;

- Een overzicht van de investeringen die de Inschrijver zal doen, die nodig zijn voor het behalen van de voorgestelde CO2-reductie;

- De fasering van de CO2-reductie.

(…)

Het realiteitsgehalte van de aangeboden extra CO2-reductie wordt beoordeeld op basis van het realisatieplan van de Inschrijver. Bij de beoordeling wordt bovendien gelet op de totstandkoming van de aangeboden extra CO2-reductie. De beoordeling komt verder mede tot stand door de verschillende Inschrijvingen onderling met elkaar te vergelijken.

Aan het realisme van de extra CO2-reductie kan door elk lid van het beoordelingsteam slechts een van de volgende waarderingen worden gegeven:

Beoordeling Score

Uitstekend 100%

Goed 80%

Voldoende 60%

Matig 40%

Minimaal 0%

Er wordt een uitstekende score toegekend als naar verwachting van de provincie de extra aangeboden CO2-reductie gedegen is onderbouwd en het beoordelingsteam overtuigd is dat de aangeboden extra CO2-reductie in ieder geval daadwerkelijk wordt behaald vanaf 2014. Er wordt een minimale score toegekend als naar verwachting van de provincie het onvoldoende zeker is dat de aangeboden CO2-reductie daadwerkelijk wordt bereikt. Realisatieplannen van de aangeboden CO2-reductie met een tussenliggende kwaliteit krijgen naar rato een beoordeling. "

- Over de beoordeling volgens subsubgunningscriterium G1.1.1 'Aanbod extra DRU's' zijn in de nota's van inlichtingen onder meer de volgende passages opgenomen.

In de eerste nota van inlichtingen is in reactie op vraag 33 over verbeteringen van de rijtijden of van de aansluitingen het volgende vermeld:

" 1. De verbeteringen dient u aan te geven in de onderbouwing bij het vervoerplan voor Deel A en komt tot uitdrukking in het aantal DRU's in standaardformulier D.7. 2. De verbeteringen worden gewaardeerd in de kwaliteit van het vervoerplan via Deel + en Deel B. Kwantitatief leiden met name efficiencyverbeteringen tot de mogelijkheid om meer DRU's in Deel + en deel B aan te bieden, waar ook punten tegenover staan. (…) "

In de eerste nota van inlichtingen is verder vraag 46 opgenomen die als volgt luidt:

" U geeft ter indicatie het aantal DRU's van deel A weer. Is onze aanname juist dat dit aantal voor alle aanbieders gelijk zal zijn (uitgaande van de huidige rijtijden en een gelijk aantal dagen per normjaar)? Zo nee, hoe zijn eventuele verschillen dan te verklaren? Zo ja, wilt u dan dit exacte aantal DRU's vermelden? "

Verweerders hebben hierop het volgende antwoord gegeven:

" Het aangegeven aantal DRU's wordt ter indicatie vermeld om de manier van rekenen bij dit gunningscriterium te verduidelijken. Wij hebben geen exacte berekening gemaakt van dit aantal, mede omdat Inschrijvers voorstellen mogen doen voor verbeteringen van rijtijden of van aansluitingen. Inschrijvers dienen daarom zelf het aantal DRU's voor Deel A op te geven. De verschillen zullen overigens naar verwachting klein zijn. Rijtijden verlengen met als kennelijk doel het aantal DRU's op te hogen zullen kwalitatief laag beoordeeld worden. Overigens is in bijlage E.6.1 uitgebreide informatie over het huidige aantal DRU's te vinden. "

In de eerste nota van inlichtingen is vraag 351 opgenomen die als volgt luidt:

" Tijdens de prebidmeeting van 29 september jl. is uitgelegd dat ten aanzien van de referentie DRU's, alleen de DRU's van deel A worden genomen om te bepalen wat het aandeel extra DRU is van Deel + en deel B. Wij nemen een voorbeeld om duidelijk te maken of we deze benadering goed begrepen hebben. Stel: deel A is 401.700 DRU. Deel (+ en B samen) zijn 40.170 DRU. Vraag 1. Geldt in dit voorbeeld dan dat voor gunningcriterium G.1.1.1 (Aanbod extra DRU), dat de score 10% is? Vraag 1a. Zo ja, wilt u dit dan zo bevestigen, vraag 1b. zo nee, wilt u dan ondubbelzinnig (met een voorbeeld) uitleggen hoe het dan werkt? vraag 2. Geldt ook bij de Veluwe dat het percentage 'Aanbod extra DRU' gewijzigd is van 20% naar 30%. Vraag 3. Wilt u tot slot bevestigen dat deze methodiek voor zowel Veluwe alswel Achterhoek Rivierenland geldt, indien er verschil is, wilt u dan aangeven wat de verschillen zijn? "

Verweerders hebben hierop het volgende antwoord gegeven:

" vraag 1: Ja

vraag 2: Ja

vraag 3: Ja"

In de tweede nota van inlichtingen is in reactie op vraag 399 het volgende antwoord gegeven:

" Wij hebben de dru's in Eis A berekend t.b.v. de beoordeling van de inschrijving(en) en stellen deze ook aan u beschikbaar. Vandaag, donderdag 12 november 2009 is deze informatie op extranet in bijlage E.6.1 beschikbaar gesteld."

In de tweede nota van inlichtingen is vraag 515 opgenomen die als volgt luidt:

" In achterhoek Rivierenland bleek tot een van de laatste NvI's (NvI 4, vraag 684) nog onduidelijkheid over de opbouw van de DRU's van deel A. Wilt u ondubbelzinnig duidelijkheid geven over hoe de inschrijver ritten en DRU's moet vormgeven, zodat niet in het laatste stadium van de aanbesteding er nog ritten toegevoegd/geelimineerd moeten worden? "

Hierop hebben verweerders het volgende antwoord gegeven:

" In het bestek en de nota's van inlichtingen is naar onze mening dit antwoord wel ondubbelzinnig gegeven. In hoofdlijnen is het beeld als volgt:

* deel A is voorgeschreven.

* deel + dient eveneens verplicht te worden aangeboden, waarbij de inschrijver echter meer vrijheid heeft hier zelf invulling aan te gegeven

* deel B is binnen de aangegeven randvoorwaarden volledig ter invulling aan de inschrijver.

Bij deel + en B vindt zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve beoordeling plaats. De kwantitatieve beoordeling vindt plaats op basis van de DRU's. Mocht deze uitleg nog onvoldoende zijn dan verzoeken wij u met concrete vragen/voorbeelden te komen waarop wij gericht kunnen antwoorden. "

In reactie op vraag 516 is in dezelfde nota van inlichtingen het volgende vermeld:

"Op extranet is een indicatieve berekening geplaatst van het aantal dru's van deel A (bijlage E6.1)."

- Voor subsubgunningscriterium G1.1.2 'Kwaliteit extra DRU's' is bij de tweede nota van inlichtingen naar aanleiding van vraag 387 een nadere detaillering aan het bestek toegevoegd. In deze detaillering zijn voor deel + vier onderdelen vastgesteld, te weten 'onderbouwing plan', 'soort materieel', 'frequentie per kern' en 'creativiteit van de plannen'. Voor deel B zijn twee onderdelen vastgesteld, te weten 'onderbouwing plan' en 'soort materieel'.

- Over de beoordeling van subgunningscriterium G4.1 'Aanbod realistische extra CO2 reductie' is in de eerste nota van inlichtingen in reactie op vraag 58 het volgende vermeld:

" Noot vooraf: De vraag en het antwoord bevatten elementen die specifiek van toepassing zijn op Achterhoek Rivierenland. Echter, de strekking van de vraag en het antwoord zijn van toepassing op Veluwe.

Er wordt bovenop de verplichte reductie van 15% een additionele CO2 reductie gevraagd. Daarbij wordt een totale besparing van meer dan 40% niet reëel geacht en niet extra gehonoreerd. "

- Onder meer verzoekster en Syntus hebben op de concessie ingeschreven. Bij de beoordeling van deze inschrijvingen is Syntus op de eerste plek geëindigd met een totale score van 9,1, terwijl verzoekster een totale score van 8,0 heeft behaald. Bij het bestreden besluit hebben verweerders besloten de concessie aan Syntus en niet aan verzoekster te gunnen.

- Bij het bestreden besluit zoals dat aan verzoekster is toegezonden, hebben verweerders een bijlage gevoegd met een motivering van de afwijzing, waarbij de beoordelingen van de inschrijving van Syntus en de inschrijving van verzoekster zijn toegelicht.

- Bij e-mailbericht van 15 en 24 maart 2010 hebben verweerders antwoord gegeven op door verzoekster gestelde vragen over het bestreden besluit. Op 17 maart 2010 en 12 april 2010 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen verzoekster en verweerders.

- Vervolgens heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de door verweerders gepresenteerde motivering van hun beslissing niet toereikend is om te kunnen toetsen of de systematiek, zoals in het bestek en de nota's van inlichtingen is beschreven, ook volledig is toegepast. Volgens verzoekster hadden verweerders haar inzicht moeten verschaffen in de daadwerkelijke puntentoekenning per (sub)subgunningscriterium. Datgene wat wel aan motivering is aangedragen doet, aldus verzoekster, zien dat verweerders bij de beoordeling van de inschrijvingen wat betreft een aantal, door haar nader aangeduide, criteria zijn afgeweken van de vastgestelde beoordelingssystematiek, dat het bestek wat betreft één subsubgunningscriterium niet eenduidig is en dat geen sprake is geweest van een consequente en begrijpelijke beoordeling. De door verzoekster naar voren gebrachte argumenten worden hierna besproken.

4. Het standpunt van verweerders

Verweerders hebben betoogd dat zij de eisen die de motiveringsplicht en het transparantiebeginsel aan hen stellen ruimschoots in acht hebben genomen. Verder hebben verweerders gemotiveerd betwist dat zij het vooraf aangekondigde toetsingskader zouden hebben verlaten en dat het bestek onvoldoende eenduidig zou zijn. De toegekende scores zijn, in onderling verband beschouwd, niet onbegrijpelijk, zodat het verzoek om voorlopige voorziening, aldus verweerders, zou moeten worden afgewezen.

5. Het standpunt van Syntus

Syntus heeft zich in grote lijnen aangesloten bij het standpunt van verweerders.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, in samenhang gelezen met artikel 8:81 Awb kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

6.2 Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat het door verzoekster gestelde spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, hoewel de concessie pas met ingang van 12 december 2010 aan Syntus is gegund, thans reeds voldoende aanwezig is. Gelet op de omvang van de concessie heeft het bestreden besluit grote, hun schaduw vooruitwerpende, gevolgen, zowel voor Syntus als voor verzoekster als huidige concessiehouder. Niet alleen heeft het bestreden besluit tot gevolg dat beide organisaties moeten worden aangepast, maar bovendien dient voor de uitvoering van de concessie tijdig nieuw materiaal te worden besteld. Aldus zijn, naar voldoende aannemelijk is geworden, bij de uitvoering van het bestreden besluit grote belangen van velen gemoeid die reeds thans, onverwijld, zo adequaat mogelijk moeten worden gediend.

6.3 Wat betreft de vraag of verweerders hebben voldaan aan de eisen voor motivering en transparantie die uit het regelgevende kader naar voren komen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Bij het voeren van een aanbestedingsprocedure dient een aanbestedende dienst fundamentele beginselen te respecteren, zoals het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het transparantiebeginsel. Dit laatste beginsel heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen (zie onder meer het arrest van, thans, het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 29 april 2004, zaak C-496/99P, Succhi di Frutta, Jur. 2004, blz. I-3801, punt 108 en volgende).

Teneinde het voor een betrokken inschrijver mogelijk te maken om na te gaan of de aanbestedende dienst bij zijn besluitvorming vorengenoemde beginselen heeft gerespecteerd, is in artikel 41 Bao, dat ingevolge het bepaalde bij artikel 37 Bp 2000 hier van overeenkomstige toepassing is, voor de aanbestedende dienst de verplichting opgenomen afgewezen inschrijvers in kennis te stellen van de redenen voor het hen betreffende besluit. Het Gerecht van Eerste Aanleg (hierna: Gerecht) heeft meermalen geoordeeld dat de motivering van een gunningsbeslissing mag worden aangevuld, met dien verstande evenwel dat de aanbestedende dienst haar aanvankelijke motivering niet door een volledig nieuwe mag vervangen (zie onder meer het arrest van het Gerecht van 25 februari 2003, zaak T-183/00, Jur. 2003, blz. II-0135).

Geplaatst tegen deze achtergrond overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat in het voorliggende geval in de aanbestedingsdocumenten uitdrukkelijk is vermeld welke gunnings- en (sub)subgunningscriteria bij de beoordeling van de inschrijvingen zouden worden gehanteerd. Per onderdeel is vermeld aan welke vereisten een deelnemer dient te voldoen, terwijl evenzeer is vermeld welk belang aan die (sub)(sub)criteria wordt gehecht, alsmede welke wegingsfactor, aan de hand waarvan de onderlinge zwaarte van de verschillende onderdelen kan worden bepaald, aan elk gunningscriterium is verbonden. Derhalve wist verzoekster, althans kon zij tevoren weten, aan welke eisen voldaan moest worden en hoe de weging van de verschillende eisen zou plaatsvinden.

Verweerders hebben bij het besluit van 3 maart 2010, waarin zij verzoekster hebben meegedeeld dat de concessie niet aan haar wordt verleend, de gronden van hun gunningsbeslissing kenbaar gemaakt. Lezing van die motivering doet zien dat verweerders daarbij niet alleen de eindscores van zowel verzoekster als van Syntus bekend hebben gemaakt en de gewogen scores per gunningscriterium, maar daarnaast, tot op subsubgunningscriteriumniveau, hebben aangegeven waarom aan verzoekster en Syntus bepaalde waarderingen zijn gegeven. Desgevraagd hebben verweerders nadien schriftelijk en in gesprekken met verzoekster een nadere toelichting verschaft op hun beslissing. Daarbij zijn verweerders uitgebreid ingegaan op de wijze waarop de beoordeling van de inschrijvingen heeft plaatsgevonden en hebben ze een nadere verduidelijking gegeven van de verschillen tussen de inschrijving van verzoekster en die van Syntus en de score die verzoekster daarbij heeft behaald. Aldus komt de voorzieningenrechter tot het, voorlopige, oordeel dat verweerders een voldoende en passende verantwoording hebben gegeven van de overwegingen die hebben geleid tot hun oordeel de concessie aan Syntus te gunnen en niet aan verzoekster.

De omstandigheid dat in verweerders motivering, zoals die aan verzoekster bekend is gemaakt, de cijfermatige score per (sub)subgunningscriterium niet is weergegeven, heeft, gezien hetgeen in den brede wel is overwogen, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter en gelet op de uitgebreide en ter zake dienende toelichting die verweerders in hun besluit van 3 maart 2010 en de dat besluit omringende stukken hebben gegeven, niet tot gevolg dat de wel kenbaar gemaakte motivering als tekortschietend zou moeten worden aangemerkt en verweerders aldus niet aan hun verplichting tot het verschaffen van voldoende transparantie en een toereikende, relevante, onderbouwing van hun beslissing zouden hebben voldaan.

Partijen hebben gedebatteerd over het antwoord op de vraag of het bepaalde in de Wira hier een zwaardere motiveringsverplichting op de schouders van verweerders heeft gelegd, in dier voege dat het bepaalde bij die wet zou dwingen tot bekendmaking van alle scores en dus ook die op (sub)subgunningscriteriumniveau. Verzoekster heeft deze vraag bevestigend beantwoord en heeft daaraan de conclusie gekoppeld dat verweerders aldus hun besluit niet toereikend hebben gemotiveerd. Verweerders hebben de juistheid van die opvatting betwist.

De voorzieningrechter constateert in de eerste plaats dat toepassing van de Wira in artikel 2 van die wet is gekoppeld aan de toepassing van het Bao. Noch de Wp 2000, noch het Bp 2000 verklaren het Bao in een geval als het onderhavige van toepassing. Voorts bepaalt artikel 16 Bao dat het Bao niet van toepassing is op concessieovereenkomsten voor diensten. Wel is in artikel 37 Bp 2000 bepaald dat met name genoemde artikelen van het Bao van overeenkomstige toepassing zijn. Zelfs indien aan een en ander de betekenis moet worden gehecht dat de Wira hier van (overeenkomstige) toepassing zou zijn, dan nog valt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, te betwijfelen of de in de Wira neergelegde motiveringsverplichting zover gaat dat naast een uitgebreide motivering, zoals hier, ook nog de scores op (sub)subgunningscriteriumniveau door verweerders zouden moeten zijn vermeld.

De conclusie van de voorzieningenrechter is dan ook dat de door verzoekster geuite motiveringsklacht hier niet tot het door haar gewenste resultaat leidt.

6.4 De beoordeling volgens het subgunningscriterium G.1.1 waartegen een van de grieven van verzoekster zich richt, valt uiteen in de kwantitatieve beoordeling van het aantal extra DRU's (subsubgunningscriterium G1.1.1) en de kwalitatieve beoordeling van de kwaliteit van de extra DRU's (subsubgunningscriterium G1.1.2).

6.4.1 Over de beoordeling van het aantal extra DRU's dat verzoekster heeft aangeboden, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Het standpunt van verzoekster ter zake houdt kortweg in dat verweerders bij de berekening van het aantal extra DRU's ten onrechte niet zijn uitgegaan van het door Goudappel Coffeng berekende aantal referentie-DRU's, zijnde voor deel A 370.262 DRU's. Omdat zij in haar inschrijving 112.707 extra DRU's heeft aangeboden boven het aantal referentie-DRU's had zij volgens de ter zake geldende beoordelingsmethodiek een score van 30,44% moeten hebben behaald en dus 10 punten, zo meent verzoekster. Verweerders zijn, aldus verzoekster, ten onrechte van een ander uitgangspunt uitgegaan. Kennelijk is ter zake geen sprake van een eenduidig bestek. Het antwoord op – hiervoor in rubriek 2.2 weergegeven – vraag 399, te vinden in de tweede nota van inlichtingen, laat niets aan duidelijkheid te wensen over, aldus verzoekster. Verweerders hebben deze opvattingen van verzoekster beargumenteerd weersproken.

De voorzieningenrechter overweegt ter zake als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat volgens het bestek de DRU's die een inschrijver nodig heeft om te kunnen voldoen aan het basisvoorzieningenniveau deel A niet meetellen voor de vaststelling van het aantal extra DRU's. Daarbij hebben verweerders expliciet vermeld dat het aantal DRU's voor het basisvoorzieningenniveau deel A niet exact door hen kan worden berekend, omdat een inschrijver zelf een voorstel mag doen voor verbetering van rijtijden of van aansluitingen en daarom zelf het aantal DRU’S voor deel A moet opgeven. In de nota's van inlichtingen in het bijzonder vraag 46 en het antwoord daarop hebben verweerders bevestigd dat het aantal DRU's voor het basisvoorzieningenniveau deel A niet voor alle aanbieders gelijk zal zijn. Wel hebben verweerders, op verzoek van potentiële inschrijvers, een berekening laten uitvoeren door Goudappel Coffeng, doch deze berekening is daarbij uitdrukkelijk gepresenteerd als indicatief. Verweerders hebben zich, naar voorlopig oordeel, terecht op het standpunt gesteld dat voor iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver en dus ook voor verzoekster niet voor misverstand vatbaar moet zijn geweest dat aan deze indicatieve berekening geen betekenis toekwam bij de beoordeling op het subsubgunningscriterium G1.1.1. Verzoekster kan op zichzelf wel worden toegegeven dat de bewoordingen “t.b.v. de beoordeling van de inschrijving(en)” in het antwoord op vraag 399 van de tweede nota van inlichtingen mogelijk voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. Tegelijkertijd moet echter ook worden vastgesteld dat de betekenis die verzoekster aan deze bewoordingen hecht, in ruime mate wordt teniet gedaan door de veelheid aan andere, niet voor misverstand vatbare, bewoordingen in het bestek en de overige antwoorden in de nota's van inlichtingen, waaronder het – hiervoor in rubriek 2.2 eveneens vermelde – nadien gegeven antwoord op vraag 516, dat nog eens expliciet de in bijlage E.6.1 gegeven berekening als “indicatief” kenmerkt. Dat verzoekster bij de concrete invulling van haar inschrijving is uitgegaan van haar, achteraf onjuist gebleken, lezing van het bestek en de nota's van inlichtingen, dient aldus voor haar risico te komen.

Verzoekster heeft, zoals voorgeschreven in het bestek, in haar inschrijving formulier D.7 opgenomen. Daarin heeft zij vermeld wat het aantal DRU's is dat zij nodig heeft voor het basisvoorzieningenniveau, alsmede het aantal extra DRU's. Verweerders hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter de beoordeling van subsubgunningscriterium G1.1.1 terecht gebaseerd op deze opgave. Dat verzoekster in haar aanbiedingsbrief andere aantallen heeft genoemd, kan daaraan niet afdoen, reeds omdat in het bestek bij de beschrijving van subsubgunningscriterium G1.1.1 wordt verwezen naar de opgave in formulier D.7.

In hetgeen verzoekster ook overigens heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders door uit te gaan van hetgeen verzoekster zelf in haar inschrijving heeft opgegeven, is afgeweken van de vastgestelde beoordelingssystematiek.

6.4.2 Over de beoordeling van de kwaliteit van de extra DRU's, in het kader van subsubgunningscriterium G1.1.2, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster zich wat betreft dit subsubgunningscriterium heeft gericht tegen de beoordeling op het onderdeel 'frequentie per kern' voor deel + en op het onderdeel 'onderbouwing plan' voor deel B.

Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 september 2009 (AWB 09/863, www.rechtspraak.nl, LJN: BJ6972) zal bij de toetsing van de verschillende door de inschrijvers te geven antwoorden de aanbesteder moeten vasthouden aan het vooraf aangekondigde toetsingskader en de daarvan deel uitmakende criteria. Niettemin zal er daarbij soms niet aan kunnen worden ontkomen dat bij de schriftelijke verantwoording van een fijnmazige toetsing van kwaliteitsaspecten zoals hier aan de orde, alsdan bewoordingen worden gebruikt die, strekkende tot het markeren van, nu eens geringere dan weer grotere, verschillen tussen de verschillende inschrijvers, niet alleen een zekere subjectiviteit lijken te suggereren maar ook nog eens de indruk wekken dat nieuwe criteria worden gehanteerd. Verhoging van het gevaar van willekeur en favoritisme moet daarbij uiteraard worden voorkomen.

Het is niet de taak van de voorzieningenrechter - ook niet wanneer die, zoals hier, na toepassing van artikel 8:29 Awb, over beide inschrijvingen, het proces-verbaal van de beoordeling daarvan en de scores van de inschrijvingen beschikt - om die beoordeling over te doen, laat staan zijn eigen oordeel voor dat van de beoordelaars en verweerders in de plaats te stellen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal op dit punt pas dan in beeld kunnen komen wanneer uit de stukken zou blijken dat de beoordelaars en verweerders het vooraf aangekondigde toetsingskader hebben verlaten en, als dat niet zo is, of, in het geval van een fijnmazige kwaliteitstoets zoals hier, de toegekende scores, in onderling verband beschouwd en geplaatst tegen de achtergrond van de daarbij gegeven toelichtingen, onbegrijpelijk zouden zijn.

Uit de ter zitting gegeven toelichting maakt de voorzieningenrechter op dat verzoekster het met name onbegrijpelijk vindt dat verweerders op het onderdeel 'onderbouwing plan' voor deel B de inschrijving van verzoekster die uitgaat van bediening van zeer kleine kernen, vanaf 250 inwoners en de inschrijving van Syntus die uitgaat van bediening van kernen vanaf 800 inwoners beide een waardering heeft gegeven tussen goed en uitstekend. Naar de mening van verzoekster kan de toeristische bus die Syntus heeft aangeboden niet worden meegenomen bij de beoordeling op het subsubgunningscriterium G1.1.2 en kan het bij de motivering van de beoordeling evenmin opwegen tegen de bediening van meer kernen. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat uit het bestek volgt dat verweerders prijs stelde op vernieuwende en creatieve invullingen van het vervoersaanbod. Dat verweerders aan het aanbieden van een toeristische bus door Syntus een waardering hebben toegekend kan hier dan ook niet als een "gunningscriteriumverlatende" beoordeling worden beschouwd. Uit het bestek volgt voorts niet dat anders dan verzoekster heeft gesuggereerd aan de bediening van zeer kleine kernen doorslaggevende betekenis zou moeten toekomen.

Ook overigens is ten aanzien van subsubgunningscriterium G1.1.2 op basis van de stukken waarover de voorzieningenrechter na toepassing van artikel 8:29 Awb beschikt, in het bijzonder het proces-verbaal van de beoordeling van de inschrijvingen, niet gebleken dat verweerders zijn afgeweken van hetgeen ter zake in het bestek is vermeld. Dat verweerders de beoordeling van de realiteit van het door Syntus aangeboden feedernet een onjuiste plaats in de voorgeschreven beoordelingssystematiek zouden hebben gegeven, en daarmee een verstoring van de waardering in de hand zouden hebben gewerkt, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden.

Het betoog van verzoekster over de beoordeling volgens subsubgunningscriterium G1.1.2 slaagt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, derhalve niet.

6.5 Over de door verzoekster betwiste beoordeling van subgunningscriterium G2.1, Kwaliteit Marketing- en Communicatieplan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Door verzoekster is betoogd dat verweerders op dit punt zijn uitgegaan van verkeerde aannamen ten aanzien van het percentage reizigersgroei en het marketingbudget. Ten onrechte komen verweerders tot de conclusie dat Syntus een veel ruimer budget heeft, aldus verzoekster. Het marketingbudget van Veolia is immers exclusief gratis probeerkaartjes. Ook op het punt van de reizigersgroei zouden verweerders foutieve berekeningen hebben gemaakt.

Verweerders hebben deze opvattingen gemotiveerd bestreden en er daarbij onder meer op gewezen dat bij de beoordeling op dit punt volgens het bestek, visie van de inschrijver, acties en financiering de drie belangrijkste criteria zijn. Veolia heeft daarbij, aldus verweerders, een bredere definitie van standaard marketingactiviteiten gehanteerd dan Syntus. Verzoekster heeft veel kostbare onderwerpen aangevoerd die zwaar drukten op het marketingbudget, zoals het verstrekken van algemene zaken als reisinformatie en het reisinformatiebeheersysteem. Syntus heeft daarentegen deze onderwerpen grotendeels buiten haar marketingbudget begroot. De commerciële waarde van de probeerkaartjes maakt, aldus verweerders, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert, geen deel uit van het marketingbudget van Syntus.

Deze discussie weerspiegelt weliswaar tegengestelde visies van verzoekster en verweerders op dit punt, maar gelet op hetgeen uit de stukken blijkt op het punt van de waarderingen van de beoordelaars, is er geen aanleiding om hier, voorlopig, te oordelen dat verweerders bij hun beoordeling het ter zake geldende gunningscriterium hebben verlaten dan wel, dat de toegekende scores, in onderling verband beschouwd en geplaatst tegen de achtergrond van de ter zake gegeven toelichtingen, onbegrijpelijk zouden zijn.

Aan verzoekster kan weliswaar worden toegegeven dat zij geen 20% reizigersgroei in het vooruitzicht heeft gesteld zoals verweerders kennelijk in hun beoordeling hebben betrokken, maar slechts "bijna" 20%, doch hieraan kan niet het door verzoekster gewenste gevolg worden verbonden. De toetsing die hier door verweerders ingevolge het bestek moest worden uitgevoerd, omvatte immers veel meer elementen dan alleen het aspect 'reizigersgroei', zodat weinig aannemelijk is en ook niet in de stukken wordt weerspiegeld dat het verschil tussen 20% en "bijna 20%" reizigersgroei hier van doorslaggevende betekenis is geweest.

6.6 Ten aanzien van de beoordeling van subgunningscriterium G2.3, Kwaliteit Sociaal Veiligheidsplan heeft verzoekster ter zitting specifiek betoogd dat het onbegrijpelijk is dat verweerders aan de inschrijvingen van verzoekster en Syntus beide een waardering tussen voldoende en goed hebben toegekend, terwijl verzoekster minstens elf bijzondere opsporingsambtenaren heeft aangeboden en Syntus slechts minstens zes bijzondere opsporingsambtenaren en zes stewards. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat uit het bestek volgt dat verweerders bij de beoordeling op dit subgunningscriterium een breed scala van aspecten in beschouwing moesten nemen. Anders dan verzoekster lijkt te betogen, noopten bestek en nota's van inlichtingen niet het aantal aangeboden bijzondere opsporingsambtenaren van doorslaggevende betekenis te laten zijn bij de beoordeling van de inschrijvingen. Uit de waarderingen van de beoordelaars blijkt ook dat conform het bepaalde in het bestek en de daarbij gegeven toelichtingen het samenhangende geheel van alle elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de inschrijvingen met betrekking tot dit gunningscriterium, heeft geleid tot de scores van verzoekster en Syntus. Die scores zijn in onderling verband beschouwd niet zodanig dat deze van het etiket “onbegrijpelijk” zouden moeten worden voorzien.

6.7 Over de beoordeling van subgunningscriterium G4.1, Realisme extra CO2-reductie, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Syntus heeft in haar reactie op het verzoek vermeld en heeft ter zitting bevestigd dat zij in haar inschrijving een extra CO2-reductie heeft aangeboden van meer dan 35%. Het betoog van verzoekster is, zo begrijpt de voorzieningenrechter, tweeledig. Verzoekster stelt uit het bestek op te maken, allereerst dat een extra CO2-reductie van meer dan 35% per definitie door verweerders als niet realistisch wordt beschouwd, en ten tweede dat als kanttekeningen worden geplaatst bij de beoordeling van een realisatieplan zoals bij de inschrijving van Syntus het geval is het door een inschrijver aangeboden percentage aan CO2-reductie onvoldoende zeker is en derhalve een minimale score van 0% moet worden toegekend.

Ter zitting is door verweerders toegelicht, dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestek onderzoek is verricht naar de binnen het concessiegebied te behalen CO2-reductie. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat een reductie tot 35% kon worden behaald; de bij subsubgunningscriterium G4.1.1 te behalen scores zijn daarop afgestemd, zo is door verweerders ter zitting uiteengezet. De vermelding in het bestek dat een besparing van meer dan 35% niet reëel wordt geacht, moet volgens verweerders in dat licht worden bezien en biedt geen grondslag om een extra CO2 reductie van meer dan 35% zonder meer als niet realistisch te beoordelen. De voorzieningenrechter acht deze redenering van verweerders, voorshands, houdbaar, zulks te meer wanneer die wordt bezien in het licht van hetgeen Syntus op dit punt heeft aangeboden en de wijze waarop de beoordelaars daarover hebben geoordeeld. Daar komt bij dat volgens het bestek verweerders de mogelijkheid hebben om bij een verdergaande reductie dan 35% een bonus te geven van €300,- per ton reductie CO2 boven de aangeboden hoeveelheid reductie. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de in het bestek genoemde extra CO2-reductie met 10 tot 35% en daarmee verband houdend de score in de range van 0 bij 10% tot 10 bij 35% verweerders er niet toe dwong de door Syntus aangeboden hogere reductie zonder meer als niet realistisch aan te merken. Door een aangeboden reductie van meer dan 35% in hun beoordeling te betrekken, hebben verweerders op zichzelf het vooraf gepresenteerde toetsingskader niet verlaten.

De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om het door verweerders ter zake gegeven oordeel 'uitstekend' als onbegrijpelijk aan te merken. Dat verweerders ten aanzien van enkele elementen in het realisatieplan van Syntus ter zake een paar kanttekeningen hebben geplaatst maakt dat niet anders. Het betoog van verzoekster ter zake miskent immers dat bij de beoordeling van subsubgunningscriterium G4.1.2 niet wordt volstaan met de vaststelling of de aangeboden CO2-reductie wel (met score 100%) of niet (met score 0%) realistisch is, maar dat een realisatieplan ook een tussenliggende kwaliteit kan hebben. Tegen de achtergrond van hetgeen de beoordelaars overigens over het realisme van de extra CO2 reductie hebben geoordeeld en waaruit de gefundeerde overtuiging blijkt dat, ondanks enkele kanttekeningen, de aangeboden CO2 reductie daadwerkelijk zal worden bereikt, is het niet onbegrijpelijk dat verweerders hier hebben vastgehouden aan hun oordeel 'uitstekend'.

Volgens de toelichting wordt een uitstekende score toegekend als naar verwachting de extra aangeboden CO2-reductie gedegen is onderbouwd en het beoordelingsteam overtuigd is dat de aangeboden extra CO2-reductie in ieder geval daadwerkelijk wordt behaald vanaf 2014. Hieruit kan, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet de conclusie worden getrokken, zoals door verzoekster is gesuggereerd, dat een vóór 2014 te verwachten reductie geheel en al buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Ook op dit punt kan de door verzoekster voorgedragen grief niet slagen.

6.8 Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter in al hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de beoordelingssystematiek zoals neergelegd in het bestek en de nota's van inlichtingen niet eenduidig is, dan wel dat verweerders met het bestreden besluit zijn afgeweken van die beoordelingssystematiek. Evenmin is de voorzieningenrechter gebleken dat de door verweerders aan verzoekster kenbaar gemaakte motivering voor hun besluit tekort schiet. De gegeven oordelen verdienen, naar voorlopig oordeel, tegen de achtergrond van de ter zake gegeven toelichtingen in het bestek en de nota's van inlichtingen, in onderling verband beschouwd, niet het predikaat 'onbegrijpelijk'. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2010.

w.g. R.R. Winter w.g. M.B.L van der Weele