Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM8581

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
AWB 08/903
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; bedrijfstoeslag 2007; zonder toeslagrechten geen bedrijfstoeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/903 28 mei 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: bc. R. Weltevreden, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 14 juli 2008, bij rechtbank Zwolle-Lelystad binnengekomen op 15 juli 2008, beroep ingesteld tegen het niet nemen van een besluit door verweerder op haar bezwaar van 17 april 2008 tegen een besluit van 27 maart 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) vastgesteld.

Rechtbank Zwolle heeft dit beroepschrift bij brief van 18 juli 2008 ter afhandeling doorgezonden aan rechtbank Leeuwarden.

Verweerder heeft, na een op 23 juli 2008 gehouden hoorzitting, op het bezwaar van appellante beslist bij besluit van 26 augustus 2008.

Op 23 september 2008 heeft rechtbank Leeuwarden een brief van appellante ontvangen, waarin zij haar argumenten tegen het besluit van 26 augustus 2008 heeft uiteengezet.

Het College heeft dit beroepschrift, samen met correspondentie die is gevoerd met partijen, van rechtbank Leeuwarden ter verdere afhandeling ontvangen op 20 november 2008.

Bij brief van 15 januari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 19 januari 2009 heeft verweerder vervolgens de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 16 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante niet is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Uitbetaling

1. De steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling wordt uitbetaald uit hoofde van de toeslagrechten als gedefinieerd in hoofdstuk 3 (…)”

Artikel 24 van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang als volgt:

“Aangifte en gebruik van toeslagrechten

1. De toeslagrechten mogen slechts eenmaal per jaar ter verkrijging van bedrijfstoeslag worden aangegeven door de landbouwer die deze toeslagrechten in bezit heeft op de uiterste datum waarop overeenkomstig artikel 11 van verordening (EG) nr. 796/2004 de verzamelaanvraag moet worden ingediend.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft met de Gecombineerde opgave 2007 onder meer om uitbetaling van haar toeslagrechten verzocht.

- Bij besluit van 27 maart 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2007 van appellante vastgesteld op € 0,00.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 april 2008 bezwaar gemaakt.

- Bij beroepschrift van 14 juli 2008 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 17 april 2008.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 23 juli 2008 gehouden hoorzitting bij besluit van 26 augustus 2008 alsnog beslist op het bezwaar van appellante.

3. Het bestreden besluit van 26 augustus 2008

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Appellantes aanvraag bedrijfstoeslag 2007 is afgewezen, omdat appellante per peildatum 15 mei 2007 niet over toeslagrechten beschikte. Uit intern onderzoek is gebleken dat appellante nooit een aanvraag vaststelling toeslagrechten heeft ingediend.

Door appellante is niet aangetoond dat zij op 15 mei 2007 wel over toeslagrechten beschikte. Op grond van artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en artikel 24, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 795/2004 is verweerder gehouden om aan landbouwers als appellante , die op 15 mei 2007 niet over toeslagrechten beschikken geen bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 toe te kennen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft aangevoerd dat zij in 2006 wel degelijk toeslagrechten heeft aangevraagd. Zij kan dat echter niet bewijzen. Appellante meent dat het redelijkheidsbeginsel met zich brengt dat zij, nadat zij twee jaar lang geen bedrijfstoeslag heeft ontvangen, vanaf 2008 en verder wel uitbetaling van bedrijfstoeslag zal ontvangen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar van 17 april 2008. Verweerder heeft bij besluit van 26 augustus 2008 alsnog op dat bezwaar beslist. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich mede tegen het besluit van 26 augustus 2008.

Niet gebleken is dat appellante nog enig belang heeft bij handhaving van haar beroep tegen het niet nemen van een besluit. Voorzover het beroep gericht is tegen het niet nemen van een besluit dient het daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.2 Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2008 overweegt het College als volgt.

5.2.1 Met het niet nader onderbouwde betoog dat zij in 2006 wel een aanvraag toeslagrechten heeft gedaan heeft appellante niet aangetoond dat voor haar, anders dan verweerder stelt, toeslagrechten zijn vastgesteld. Het College moet er daarom vanuit gaan dat appellante per peildatum 15 mei 2007 niet over toeslagrechten beschikte.

De onder paragraaf 2.1 weergegeven regelgeving houdt in dat aan een landbouwer die niet over toeslagrechten beschikt geen bedrijfstoeslag kan worden toegekend. Verweerder heeft appellantes bedrijfstoeslag voor 2007 daarom op goede gronden op € 0,00 vastgesteld.

5.2.1 Appellante heeft betoogd dat zij na twee jaar geen bedrijfstoeslag te hebben ontvangen in 2008 op grond van redelijkheid en billijkheid vanaf 2008 weer in aanmerking moet komen voor bedrijfstoeslag.

Het College kan appellante hierin niet volgen. Zolang zij geen toeslagrechten heeft kan zij niet voor uitbetaling daarvan in aanmerking komen.

5.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep voorzover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 26 augustus 2008 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas