Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM8576

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; geen tijdig bezwaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/880 28 mei 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: drs. I.M. Dijkstra-Pierik AA, werkzaam bij Pierik Accountancy te Hengevelde,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: bc. R. Welteverden, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 26 juni 2009, bij het College binnengekomen op 30 juni 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 mei 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 27 februari 2008 waarbij verweerder zijn aanvraag om vaststelling van bedrijfstoeslag over het jaar 2007 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft afgewezen.

Op 30 oktober 2009 heeft verweerder, nadat appellant bij brief van 14 september 2009 de redenen voor het te laat indienen van het bezwaar heeft uiteengezet en na een op 8 oktober 2009 gehouden hoorzitting, een herziene versie van het besluit op bezwaar vastgesteld.

Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij brief van 16 november 2009 meegedeeld dat hij het ingestelde beroep niet wenst in te trekken. Bij brief van 22 december 2009 heeft appellant uiteengezet waarom hij zich ook met het herziene besluit niet kan verenigen.

Bij brief van 14 januari 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 16 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van zijn dochter C en zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stuken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met het op 14 juni 2007 bij verweerder ontvangen formulier “Gecombineerde opgave 2007” heeft appellant verweerder om vaststelling van zijn bedrijfstoeslag over 2007 verzocht.

- Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder de aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag afgewezen wegens te late indiening daarvan.

- Op 7 augustus 2008 heeft de accountant van appellant telefonisch navraag gedaan naar het uitblijven van de uitbetaling van de bedrijfstoeslag over 2007. Daarop is medegedeeld dat geen betaling kon plaatsvinden omdat de aanvraag bij besluit van 27 februari 2008 was afgewezen. Appellant heeft verweerder op 19 augustus 2008 telefonisch meegedeeld dat hij nooit een afwijzingsbesluit had ontvangen. Hij heeft daarom verzocht hem een afschrift van het besluit van 27 februari 2008 toe te zenden.

- Bij brief van 3 november 2008, door verweerder ontvangen op 11 december 2008, is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 februari 2008.

- Bij brief van 6 februari 2009 heeft verweerder appellant uitgenodigd aan te geven welke bijzondere omstandigheden hebben geleid tot het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Hierop heeft appellant niet gereageerd.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 18 mei 2009 genomen.

3. Het besluit van 30 oktober 2009 en het standpunt van verweerder

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar.

Nadat appellant beroep had ingesteld tegen dit besluit heeft verweerder op 30 oktober 2010 de beslissing gewijzigd, waarbij hij met een aangepaste motivering aan niet-ontvankelijk- verklaring van het besluit heeft vastgehouden.

Naar aanleiding van appellants betoog dat hij het besluit van 27 februari 2008 aanvankelijk niet had ontvangen heeft verweerder vastgesteld dat het besluit met de juiste adressering op 27 februari 2008 is verzonden. Verweerder gaat er daarom van uit dat de termijn voor het maken van bezwaar op 28 februari 2008 is gaan lopen.

Voorts meent verweerder dat uit de telefoongesprekken op 7 en 19 augustus 2008 die namens en door appellant zijn gevoerd over het niet ontvangen van het besluit van 27 februari 2008 in ieder geval blijkt dat appellant per 19 augustus 2008 op de hoogte was het bestaan van dit besluit. Dit is hem vervolgens ook toegestuurd. Door pas op 11 december 2008 een bezwaarschrift in te dienen heeft appellant nagelaten zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk alsnog bezwaar te maken.

Het gegeven dat appellant een bijzonder zware periode heeft doorgemaakt door een serie ingrijpende emotionele gebeurtenissen binnen zijn familie kan niet tot de conclusie leiden dat het appellant onmogelijk was eerder een bezwaarschrift in te (laten) dienen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat binnen zijn familie een aantal ingrijpende emotionele gebeurtenissen heeft plaatsgevonden waardoor hij niet in staat is geweest de Gecombineerde opgave 2007 tijdig in te vullen.

Dat de vaststelling van de bedrijfstoeslag daarom is afgewezen heeft appellant pas in augustus 2008 vernomen, toen hem een afschrift van dit besluit bereikte. Omdat de emotionele gebeurtenissen nog steeds een verlammende werking hadden is pas bij brief van 3 november 2008 bezwaar gemaakt tegen het besluit tot afwijzing van de bedrijfstoeslag.

Appellant meent dat verweerder had behoren in te zien dat alle ellende die appellant binnen zijn familie heeft ondervonden er niet toe mag leiden dat hij ook nog eens de hem toekomende bedrijfstoeslag zou mislopen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 18 mei 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft in het beroepschrift kenbaar gemaakt dat ook de brief van 6 februari 2009, waarin om opheldering werd gevraagd over de redenen voor het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift, hem nooit heeft bereikt.

Verweerder heeft appellant daarom alsnog in de gelegenheid gesteld om de redenen voor het niet-tijdig indienen van het bezwaar uiteen te zetten. Appellant heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 14 september 2009.

Vervolgens heeft verweerder op 30 oktober 2009 de gronden die hem tot niet-ontvankelijk-verklaring leidden, aangepast.

Het College staat nu voor de vraag of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op de laatstgenoemde gronden in rechte kan standhouden.

5.2 Het College stelt vast dat het tegen het besluit van 27 februari 2008 gerichte bezwaarschrift van 3 november 2008 op 11 december 2008 bij verweerder is ontvangen.

Verweerder heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit op 27 februari 2008 op correcte wijze aan appellant is verzonden.

Als appellant, zoals hij stelt dit besluit niet ontvangen heeft, kan in elk geval worden vastgesteld, dat hij op 19 augustus 2008 om toezending ervan verzocht heeft en dat aan dit verzoek voldaan is. Dit betekent dat appellant in ieder geval op 19 augustus 2008 op de hoogte was van het bestaan van het besluit van 27 februari 2008 en dat hij kort nadien een afschrift ontvangen heeft.

Het tegen het opnieuw toegezonden besluit gerichte bezwaarschrift heeft verweerder op 11 december 2008 ontvangen.

5.3 Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van die termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Naar het oordeel van het College is hier geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Als al aannemelijk gemaakt kan worden, dat het besluit van 27 februari 2008 niet kort na de eerste verzending ontvangen zou zijn, geldt dat van een ondernemer verwacht mag worden, dat hij – als hij gedurende langere tijd als gevolg van hem belastende omstandigheden in de privésfeer niet in staat is de zaken van zijn onderneming te behartigen – maatregelen neemt om erin te voorzien, dat zijn taken door een derde worden waargenomen. Hier gaat het om zaken die eind 2007, begin 2008, naar voren gekomen zijn. Ten aanzien van een termijnoverschrijding in augustus 2008 kunnen deze dan ook de overschrijding van de bezwaar termijn niet meer rechtvaardigen.

Derhalve had dan kort na 19 augustus 2008 een bezwaarschrift moeten worden ingediend. In het geval van appellant is daarvan geen sprake geweest , Hij heeft, naar ter zitting bevestigd, bewust afgezien van het indienen van bezwaar en pas later is bij zijn familie en vervolgens bij hemzelf de overtuiging gegroeid, dat alsnog bezwaar gemaakt moest worden.

Ten aanzien van het op 11 december 2008 door verweerder ontvangen bezwaarschrift kan dan ook niet geoordeeld worden dat appellant daarmee niet in verzuim is geweest.

Verweerder heeft het bezwaar derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2009 ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas