Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM8571

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
AWB 07/125
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/125 4 juni 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. G.S. van der Schaaf, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 26 februari 2007, bij het College binnengekomen op 28 februari 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 januari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 9 mei 2006, waarbij is beslist op de aanvraag om zoogkoeienpremie voor 2005 op grond van de Regeling GLB inkomenssteun.

Verweerder heeft op 11 mei 2007 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het College heeft partijen bij brief van 10 juli 2007 meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de door het College gestelde prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 en van de uitspraak van het College in die zaak.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06, Winkel, Jur. blz. I-1167) de prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 beantwoord. Het College heeft op 31 oktober 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BG4638) uitspraak in die zaak gedaan.

Bij brief van 7 april 2010 heeft verweerder desgevraagd op het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 31 oktober 2008 gereageerd. Van appellant is geen reactie ontvangen.

Bij brieven van respectievelijk 12 en 19 mei 2010 hebben appellant en verweerder aan het College toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Hierop heeft het College het onderzoek gesloten.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op 14 juni 2005 heeft appellant bij verweerder voor het jaar 2005 een aanvraag om zoogkoeienpremie ingediend voor 22 zoogkoeien en vier vaarzen. Tevens is verzocht om het extensiveringsbedrag.

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 mei 2006 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 18 januari 2007 heeft verweerder appellants bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en zijn de zoogkoeienpremie en het extensiveringsbedrag vastgesteld op respectievelijk € 2.787,45 en € 308,56.

2.2 Appellant heeft zijn beroep beperkt tot de voor premie opgegeven runderen met ID-codes NL * en NL ** die gedurende de aanhoudperiode zijn vervangen door de runderen met de ID codes DE *** en DE ****. De opgegeven runderen zijn door verweerder als niet-premiewaardig aangemerkt, omdat de vervanging van deze runderen te laat heeft plaatsgevonden.

Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Er zitten 26 dagen tussen de afvoer van de twee opgegeven Nederlandse runderen en de aanvoer van de twee vervangende Duitse runderen. Hij heeft de vervanging gemeld toen de vervangende runderen op zijn bedrijf zijn aangevoerd. Appellant beroept zich op overmacht. Hij vindt dat hij zeer hard gestraft wordt in vergelijking met grote bedrijven, omdat de kortingsfactor in zijn geval door de twee Duitse runderen onevenredig hard oploopt. Appellant verzoekt om een beslissing op het beroep met oog voor de verschillen tussen theorie en praktijk.

2.3 Het College overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 58 van Verordening (EG) nr. 796/2004 dient de vervanging van voor zoogkoeienpremie opgegeven runderen binnen 20 dagen na de gebeurtenis die de vervanging nodig maakt plaats te vinden.

Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat de eerdergenoemde twee Nederlandse runderen op 18 augustus 2005 van het bedrijf van appellant zijn afgevoerd en dat de twee vervangende Duitse runderen op 13 september 2005, en aldus te laat voor de vervanging, op het bedrijf van appellant zijn aangevoerd. Appellants beroep op overmacht kan reeds niet slagen, omdat, zoals in het bestreden besluit terecht is opgemerkt, het beroep op overmacht niet is gedaan binnen de in artikel 72, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 gestelde termijn van tien werkdagen. Dit brengt mee dat voor de twee opgegeven en te laat vervangen runderen geen premie kan worden verstrekt.

Het betekent ook dat deze twee runderen deel uitmaken van het kortingspercentage dat met toepassing van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004 is berekend. Deze bepaling maakt deel uit van het in Verordening (EG) nr. 796/2004 neergelegde en naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. blz. I-4559), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

Appellant wil met zijn verzoek om een beslissing op het beroep met oog voor de verschillen tussen theorie en praktijk kennelijk bereiken dat de hiervoor genoemde dwingendrechtelijke communautaire regels voor de twee betreffende runderen terzijde worden geschoven. Hiervoor bestaat echter geen mogelijkheid.

2.4 Het College komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2010.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas