Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM8566

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/804 9 juni 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Melkveebedrijf A V.O.F., te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Lamain en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 juni 2009, bij het College binnengekomen op 4 juni 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 mei 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 19 december 2008, waarbij verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 de bedrijftoeslag voor het jaar 2008 van appellante heeft vastgesteld.

Bij brief van 9 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 17 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante haar gemachtigde, vergezeld van C, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met appellantes beroep in de zaak met nummer AWB 09/431.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 19 december 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2008, na aftrek van 5% modulatiekorting, vastgesteld op € 19.636,67. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Bij het invullen van de Gecombineerde Opgave 2008, waarmee appellante om uitbetaling van haar toeslagrechten heeft verzocht, is appellante uitgegaan van de gegevens vermeld in haar aanvraag 2007 die weer was gebaseerd op de gegevens uit de aanvraag 2006. Nu de aanvraag 2006 in oktober 2007 is goedgekeurd, mocht zij er voor het jaar 2008 op vertrouwen dat dit, met dezelfde ingevulde gegevens, in 2008 weer zou gebeuren.

Daarnaast heeft verweerder ten onrechte beslist dat de aanvraag geen kennelijke fout bevat. Het is immers onaannemelijk dat een ondernemer als appellante, die over 41,63 toeslagrechten en ruim 46 ha grond beschikt, de bedoeling kan hebben gehad om slechts voor 32,94 toeslagrechten uitbetaling te willen. Het verschil tussen de geldende rechten en wat beweerdelijk is aangevraagd is dermate groot dat het ministerie ook bij een eerste summiere beschouwing had moeten vermoeden dat hier sprake is van een vergissing zijnde een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

2.3 Volgens verweerder is er geen sprake van een kennelijke fout in de aanvraag. Het verschil tussen hetgeen appellante heeft aangevraagd en hetgeen zij maximaal kon aanvragen is niet zo groot dat dit verweerder bij een summier onderzoek van de aanvraag direct had moeten opvallen. Het is mogelijk dat de niet opgegeven percelen om uiteenlopende redenen bewust niet zijn aangevraagd. Nu de wijze waarop het Overzicht gewaspercelen is ingevuld niet eenduidig wijst op een vergissing, is er geen sprake van een kennelijke fout.

2.4 Het College overweegt, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

2.4.1 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

2.4.2 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.4.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellante, die over 41,63 toeslagrechten en 46.25 ha grond beschikt, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als zij slechts voor 32,94 van deze toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, ook naar het recht zoals dat in 2008 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven. Weliswaar is het tienmaanden-vereiste van artikel 44, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 met ingang van 1 januari 2008 vervallen en is in de plaats daarvan en met het oog op het voorkomen van dubbele aanvragen gekozen voor een peildatum waarop de in de aanvraag voor uitbetaling van toeslagrechten opgegeven percelen ter beschikking van de landbouwer moeten staan (in Nederland 15 mei 2008), maar dat neemt niet weg dat die percelen, op straffe van kortingen, feitelijk gedurende het gehele jaar voor landbouwactiviteiten gebruikt moeten worden, waarbij ook de gestelde randvoorwaarden in aanmerking genomen moeten worden. Dat kan reden vormen om een perceel, ook al staat het op 15 mei 2008 ter beschikking van de landbouwer, toch niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.4.4 In het onderhavige geval is er naar het oordeel van College geen reden een kennelijke fout aan te nemen. Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2008 opgegeven haar toeslagrechten te willen laten uitbetalen en heeft daarbij voor een aanzienlijk deel van de ter beschikking staande toeslagrechten (32,94 van de 41,63) gebruik gemaakt. Hierdoor heeft appellante € 20.670,18 (exclusief modulatiekorting) van de totaalwaarde van de toeslagrechten van

€ 26.123,24 benut. Het verschil tussen hetgeen appellante aanvraagt en hetgeen zij maximaal kan aanvragen is niet zo groot, dat het bij een summier onderzoek direct in het oog moet vallen. Daarbij komt dat appellante over meer percelen beschikte dan nodig is om alle toeslagrechten te gebruiken, zodat het niet nodig was alle percelen in aanmerking te brengen voor uitbetaling van de toeslagrechten.

Appellantes opvatting dat zij er op mocht vertrouwen dat haar aanvraag voor 2008 geheel zou worden ingewilligd, omdat zij bij invulling van deze aanvraag is uitgegaan van dezelfde gegevens als in de aanvragen van 2007 en 2006 en de aanvraag van 2006 in oktober 2007 is gehonoreerd, kan het College reeds niet onderschrijven, nu in de aanvragen van 2007 en 2008 niet dezelfde percelen voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking zijn gebracht.

2.4.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.

w.g. E.J.M. Heijs De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.