Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM7801

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Winkeltijdenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Voorzieningenrechter)

AWB 10/479 10 juni 2010

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoeker,

gemachtigde: mr. T. van Steenis, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand Stichting,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand, verweerder,

gemachtigde: L. Wignand, werkzaam bij de gemeente Loon op Zand,

waaraan voorts als partij deelneemt:

het Kaatsheuvels Ondernemers Collectief, waarvan Mandemakers Keukens te B deel uitmaakt,

gemachtigde: mr. T.J.P. Grünbauer, advocaat te Ede.

1. De procedure

Bij besluit van 27 april 2010, bekendgemaakt op 4 mei 2010, heeft verweerder op grond van artikel 6 van de Winkeltijdenverordening Loon op Zand (hierna: de verordening) aan het Kaatsheuvels Ondernemers Collectief (hierna ook: KOC) ontheffing verleend voor vijf extra koopzondagen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt.

Bij brief van 21 mei 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit, hangende bezwaar, te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 7 juni 2010. Bij die gelegenheid hebben partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Winkeltijdenwet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a. op zondag;

(…)

Artikel 3

1. De gemeenteraad kan voor ten hoogste twaalf door hem aan te wijzen dagen per kalenderjaar vrijstelling verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag. De beperking tot twaalf dagen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk.

2. De gemeenteraad kan, al dan niet onder het stellen van regels, de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

(…)

Artikel 4

1. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag, verlenen op grond van plotseling opkomende bijzondere omstandigheden.

2. Zij kunnen in door de gemeenteraad bij verordening aangewezen gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verboden ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard en ten behoeve van het uitstallen van goederen.

(…)."

2.1.1 In de verordening is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 2 Beslissingstermijn

1. Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om ontheffing binnen acht weken.

(…)

Artikel 5 Zon- en feestdagenregeling

1. De verboden, vervat in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de wet gelden niet op ten hoogste twaalf, door burgemeester en wethouders aan te wijzen zon- en feestdagen per kalenderjaar.

2. (…)

3. De in lid 1 genoemde vrijstelling kan slechts worden verleend ten behoeve van het houden van braderieën, winkelweken, winkeldagen, kermissen, carnaval, sportevenementen, markten, beurzen, tentoonstellingen en andere dergelijke evenementen, voor dan wel door ter plaatse gevestigde groepen van winkeliers of ondernemers, al dan niet verenigd in een stichting of vereniging, waarbij nadrukkelijk sprake zal moeten zijn van plaatselijk dan wel gemeentelijk belang.

Artikel 6 Ontheffing zon- en feestdagenregeling voor afzonderlijke situaties

1. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de wet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag ten behoeve van:

a. bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard;

b. het uitstallen van goederen;

2. De in het eerste lid genoemde ontheffing kan worden verleend in geval van feestelijkheden en bijeenkomsten, waarbij lid 3 van artikel 5 van toepassing is."

2.1.2 In de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV) is, voor zover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 1.3 Indiening aanvraag

1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontehffingen, kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker woont in B, direct naast de vestiging van Mandemakers Keukens aan de C.

- Bij besluit van 15 december 2009 heeft verweerder twaalf reguliere koopzondagen en zes extra koopzondagen voor 2010 vastgesteld.

- Bij brief van 25 maart 2010 heeft het Kaatsheuvels Ondernemers Collectief een ontheffing aangevraagd voor vijf extra koopzondagen, te weten de zondagen 9 mei 2010, 16 mei 2010, 13 juni 2010, 5 september 2010 en 19 september 2010.

- Bij besluit van 27 april 2010 heeft verweerder de gevraagde ontheffing verleend voor: zondag 9 mei 2010 ten behoeve van Moederdag, zondag 16 mei 2010 ten behoeve van een grote lenteactie, zondag 13 juni 2010 ten behoeve van een grote zomeractie, zondag 5 september 2010 ten behoeve van een grote herfstactie en zondag 19 september 2010 ten behoeve van Prinsjesdag.

- Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en heeft hij, hangende bezwaar, een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker beoogt met zijn verzoek te voorkomen dat de vestiging van Mandemakers Keukens aan de C op de zondagen 13 juni 2010, 5 september 2010 en 19 september 2010 geopend mag zijn en voert daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. De aanvraag is niet rechtsgeldig gedaan, nu deze is gedaan door het KOC, waarvan de status en de verhouding tot Mandemakers Keukens onduidelijk is. De aanwijzing van de extra koopzondagen is onjuist en verzoeker ondervindt aanzienlijke hinder van koopzondagen. Verweerder was niet bevoegd om de gevraagde ontheffing te verlenen, aangezien deze ontheffing zich niet onderscheidt van de reeds op 15 december 2009 verleende vrijstelling voor koopzondagen. De groep van winkeliers en het gebied waarvoor de ontheffing geldt is niet nader gespecificeerd. Beoogd is derhalve een algemene buitenwerkingstelling van het verbod om de winkels op zondag geopend te houden. Daarnaast zijn de extra koopzondagen gewone zondagen en geen bijzondere gelegenheden van tijdelijk aard. Verder heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 1.3 van de APV. Tot slot voert verzoeker aan dat aan het besluit geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag is gelegd, nu met zijn belang bij het behoud van zijn zondagsrust en zijn woon- en leefomgeving bij het vaststellen van de extra koopzondagen geen rekening is gehouden.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ontheffing terecht is verleend en dat de voormelde extra koopzondagen bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard als bedoeld in de verordening betreffen. Verweerder is in dit verband van mening dat in de aanvraag afdoende de redenen voor het aanvragen van de extra koopzondagen zijn weergegeven. Aan de ontheffing zijn de voorwaarden verbonden dat deze slechts van kracht is op de bedrijventerreinen de D en de C en dat bij gebruikmaking van de ontheffing elke vorm van overlast in de directe omgeving van de winkel voorkomen dient te worden.

5. Het standpunt van het Kaatsheuvels Ondernemers Collectief

Het KOC voert, samengevat weergegeven, aan dat de aanvraag is gedaan ten behoeve van vier bedrijven, die allen deel uitmaken van de holding van de Mandemakers Groep en zich gezamenlijk het Kaatsheuvels Ondernemers Collectief noemen. Het KOC voert aan dat hij een groot belang heeft bij de ontheffing, aangezien andere keukenbedrijven in de omgeving veelvuldig op zondagen geopend zijn en het uit het oogpunt van concurrentie en ter voorkoming van omzetverlies gewenst is dat de bedrijven van het KOC op voormelde extra koopzondagen geopend mogen zijn. De extra koopzondagen zijn aangevraagd in het kader van bijzondere verkoopacties van de betrokken keukenbedrijven. Ten aanzien van de gestelde overlast is namens Mandemakers Keukens aangegeven dat zij zich zal inspannen deze tot een minimum te beperken.

6. De beoordeling van het verzoek

6.1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in een mogelijke bodemprocedure. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Nu de eerstkomende extra koopzondag is voorzien op 13 juni 2010 neemt de voorzieningenrechter in dit geval een spoedeisend belang aan.

6.2 In hetgeen verzoeker ten aanzien van de aanvraag door het KOC heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu voldoende duidelijk is dat de aanvraag mede namens Mandemakers Keukens te B is gedaan en niet is gebleken dat het KOC daartoe niet bevoegd was. 6.3 Voor zover verzoeker betoogt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen omdat het gebied waarvoor de ontheffing geldt niet is gespecificeerd overweegt de voorzieningenrechter dat in de ontheffing duidelijk is aangegeven dat deze uitsluitend betrekking heeft op de bedrijventerreinen D en C. Ten aanzien van het betoog dat niet is gespecificeerd voor welke groep van winkeliers de ontheffing geldt, overweegt de voorzieningenrechter dat uit de ontheffing volgt dat dit de ondernemers van het KOC, waaronder Mandemakers Keukens, op genoemde bedrijventerreinen betreft. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze ontheffing geen vrijstelling betreft als bedoeld in artikel 5 van de verordening, maar een ontheffing op grond van artikel 6, eerste lid, van de verordening en dat verweerder deze ontheffing bevoegd heeft verleend.

6.4 In het betoog dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 1.3 van de APV ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit. In dit artikel, wat daar ook van zij, is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten tot het niet behandelen van de aanvraag indien deze aanvraag wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Daargelaten de vraag of artikel 1.3 van de APV in dit geval van toepassing is, stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen de datum van de aanvraag, te weten 25 maart 2010, en de eerst aanvraagde extra koopzondag van 9 mei 2010 meer dan drie weken zitten.

6.5 Ten aanzien van de vraag of de extra koopzondagen bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard betreffen, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Winkeltijdenwet en artikel 6, eerste lid, van de verordening wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van 28 oktober 2008, in zaak AWB 08/772, LJN: BG2147, www.rechtspraak.nl. In deze uitspraak staat dat voor de invulling van voormeld begrip als richtsnoer in aanmerking wordt genomen dat een verband moet kunnen worden aangewezen met een gebeurtenis, dan wel met het beleven of uiten van opvattingen of gevoelens, waaraan blijkens een breed gedragen mening van de bevolking of bevolkingsgroep op landelijk dan wel op lokaal niveau, een feestelijke, gedenkwaardige betekenis moet worden gehecht. De extra koopzondag op 13 juni 2010 ten behoeve van een grote zomeractie en de extra koopzondag op 5 september 2010 ten behoeve van een grote herfstactie voldoen hier naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan. Dergelijke verkoopacties niet zijn te beschouwen als bijzondere gelegenheden van tijdelijk aard, nu hieraan niet de vorenbedoelde vereiste feestelijke gedenkwaardige betekenis kan worden gehecht. Hetzelfde geldt voor de extra koopzondag op 19 september 2010 ten behoeve van de voorgenomen Prinsjesdagactie, waarbij de voorzieningenrechter overigens nog opmerkt dat Prinsjesdag ook dit jaar weer op een dinsdag valt en ook hierom geen reden kan zijn voor een extra koopzondag. De voorzieningenrechter overweegt dat indien een verkoopactie, hoe feestelijk ook, de enige aanleiding is voor een extra koopzondag daarmee geen bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard als bedoeld in de Winkeltijdenwet is gegeven.

6.6 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het schorsen van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4, tweede lid, van de Winkeltijdenwet en artikel 6, tweede lid, van de verordening. Het verzoek wordt toegewezen.

6.7 Verweerder dient op grond van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoeker te worden veroordeeld. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 437,-- per punt).

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van verweerder van 27 april 2010, voor zover daarbij aan het Kaatsheuvels Ondernemers Collectief ten

behoeve van de vestiging van Mandemakers Keukens aan de C te B ontheffing is verleend voor extra koopzondagen op 13

juni 2010, 5 september 2010 en 19 september 2010;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig

euro);

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- (zegge: honderdvijftig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.F.B. van Zutphen, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2010.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. R. Kegge