Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM6074

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
AWB 09/351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; bedrijfstoeslag 2007; vergissing bij invullen overzicht gewaspercelen geen kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/351 19 mei 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 3 maart 2009, bij het College binnengekomen op 5 maart 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 februari 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 17 december 2008, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2008 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft vastgesteld.

Bij brief van 2 april 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 21 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van C en D, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 17 december 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2008, na aftrek van 5% modulatiekorting, vastgesteld op € 3.784,89. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe als volgt overwogen.

Appellant, die per 15 mei 2007 over 10.50 toeslagrechten beschikte, heeft met de Gecombineerde opgave 2008 acht percelen grasland met een totale oppervlakte van 10.42 ha voor uitbetaling van zijn toeslagrechten opgegeven; daaronder het perceel 3 met een oppervlakte van 3.11 ha.

Verweerder heeft bij controle vastgesteld dat perceel 3 slechts 2.52 ha groot is. Door het niet voor steunverlening aanvaarden van 0.59 ha van dit perceel wordt de goedgekeurde (de geconstateerde) oppervlakte 9.83 ha. De afgekeurde oppervlakte bedraagt, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 6%. Met toepassing van artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft verweerder de geconstateerde oppervlakte nog eens gekort met twee keer de afgekeurde oppervlakte.

Appellant heeft in zijn bezwaarschrift van 8 januari 2009 aangegeven dat hij de bij perceel 2 en 3 opgegeven oppervlakten per abuis heeft omgewisseld. Verweerder heeft dit aangemerkt als een verzoek om de aanvraag te mogen wijzigen. Dit verzoek is ingediend na de indieningstermijn voor de aanvraag die eindigde op 15 mei 2008 en ook na ommekomst van de zogenoemde kortingstermijn, die eindigde op 9 juni 2008. De aanvraag dient dan ingevolge artikel 21, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 te worden afgewezen, tenzij er sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 19 van deze verordening.

Van een kennelijke fout is volgens verweerder geen sprake nu de aanvraag objectief gezien niet tegenstrijdig of onlogisch is. Verweerder kon en mocht op basis van de opgegeven oppervlakte van perceel 2 van 2.52 ha er van uit gaan dat de intekening van dit perceel voor dezelfde oppervlakte binnen een perceel met een grotere topografische oppervlakte conform de bedoeling van appellant was. Voor perceel 3 is verweerder uitgegaan van de topografische oppervlakte van 2.52 ha waarin het perceel op de bedrijfskaart was ingetekend. Voor verweerder is de op de bedrijfskaart ingetekende oppervlakte leidend. Bovendien is het verschil tussen de ingetekende en de opgegeven oppervlakte niet zo extreem groot dat verweerder bij summier onderzoek moest veronderstellen dat appellant dit perceel eigenlijk elders op de bedrijfskaart had willen intekenen.

2.2 Appellant heeft aangevoerd dat hij per abuis de oppervlaktegegevens van de percelen 2 en 3 uit zijn, door verweerder goedgekeurde, Gecombineerde opgave 2007 heeft aangehouden. Hij heeft zich niet gerealiseerd dat het in 2007 als perceel 2 opgegeven perceel in 2008 als perceel 3 is opgegeven en dat het in 2007 als perceel 3 opgegeven perceel in 2008 als perceel 2 is opgegeven. Hij meent dat dit een kennelijke fout oplevert. Verweerder heeft hem daarom ten onrechte niet toegestaan zijn aanvraag te wijzigen. Het aantal hectaren dat appellant in 2007 heeft opgegeven wijkt, op een kleine correctie van een door verweerder in 2007 afgekeurde oppervlakte van 0.08 ha na, niet af van het aantal hectaren dat hij in 2008 heeft opgegeven.

Bovendien meent appellant dat de opgelegde sanctie wel erg hoog is.

2.3 Het College overweegt als volgt.

2.3.1 Verweerder was op grond van artikel 21, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 gehouden het in januari 2009 - en dus niet tijdig ingediende - verzoek om wijziging van de aanvraag af te wijzen. Dit zou slechts anders zijn, indien de aanvraag een kennelijke fout als bedoeld in artikel 19 van deze verordening zou hebben bevat.

2.3.2 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek na ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden. Het College heeft deze benadering van verweerder in vaste jurisprudentie niet onaanvaardbaar bevonden.

2.3.3 In het kader van het hiervoor vermelde summiere onderzoek van de aanvraag kan naar het oordeel van het College van verweerder niet verlangd worden dat hij de Gecombineerde opgaven van de landbouwer van vorige jaren daarbij betrekt. Wanneer dat wel van verweerder zou worden verlangd, zou hij een diepgaander onderzoek moeten instellen dan aanvaardbaar is bij bedoeld summier onderzoek.

Perceel 2 is opgegeven voor 2.52 ha en voor dezelfde oppervlakte ingetekend binnen een groter topografisch perceel. Daaraan kon verweerder niet in een oogopslag zien dat er sprake was van een onlogisch of tegenstrijdig ingevulde aanvraag. De controlerende ambtenaar kon bij summier onderzoek niet vermoeden dat appellant eigenlijk voor perceel 2 andere gegevens had willen opgeven.

Perceel 3 is opgegeven voor 3.11 ha en ingetekend binnen een topografisch perceel met een oppervlakte van 2.52 ha. Het verschil tussen de opgegeven en de ingetekende oppervlakte is niet zo buitensporig dat verweerder bij summier onderzoek van de aanvraag slechts welhaast zeker kon vaststellen dat appellant het perceel eigenlijk elders op de bedrijfskaart had willen intekenen.

Dit betekent dat verweerder naar het oordeel van het College uitsluitend bij raadpleging van de Gecombineerde opgave 2007 – en dus bij een uitgebreider onderzoek dan van hem kon worden verlangd – had kunnen zien dat appellant de aanvraag mogelijk anders had willen invullen dan hij deed. Dat is onvoldoende om te concluderen dat de aanvraag een kennelijke fout bevatte. Verweerder heeft daarom op goede gronden het verzoek om aanpassing van de aanvraag niet gehonoreerd.

2.3.4 Met betrekking tot appellants betoog dat de opgelegde sanctie onevenredig zwaar is overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft op correcte wijze vastgesteld dat de niet aanvaarde oppervlakte van 0.59 ha 6 % bedraagt van de geconstateerde oppervlakte. Dit is meer dan 3 %. Verweerder was derhalve gehouden de sanctie op te leggen die artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 voorschrijft.

Verweerder is gebonden aan het sanctiestelsel zoals neergelegd in de Europese verordeningen en is niet bevoegd hiervan af te wijken. Het gedifferentieerde sanctiestelsel kan mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1997 in zaak C-354/95 (National Farmers Union), niet in strijd geacht worden met het evenredigheidsbeginsel.

2.3.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. F.W. du Marchie Sarvaas