Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM6071

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
AWB 07/401
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/401 12 mei 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. S.M. Oude Lage Venterink en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 31 mei 2007, bij het College binnengekomen op 4 juni 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 april 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van

3 november 2006, waarbij verweerder de toeslagrechten van appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 27 juni 2007 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 23 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 8 december 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van zijn echtgenote, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Het College heeft bij beschikking van 12 december 2008 het onderzoek heropend teneinde verweerder de gelegenheid te bieden nadere informatie te verschaffen.

Bij brief van 3 februari 2009 heeft verweerder de gevraagde nadere inlichtingen verschaft. Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 23 februari 2009.

Verweerder en appellant hebben bij brief van 15 april 2010 respectievelijk 17 april 2010 te kennen gegeven dat zij een nadere behandeling ter zitting van het beroep niet noodzakelijk achten. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende begripsomschrijvingen:

a) onder “landbouwer” wordt verstaan: een natuurlijk of rechtspersoon (…) waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 299 van het Verdrag en die een landbouwactiviteit uitoefent;

b) onder “bedrijf” wordt verstaan: het geheel van de productie-eenheden dat door de landbouwer wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;

(…)

Artikel 33

Subsidiabiliteit

1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode (…)

Artikel 37

Berekening van het referentiebedrag

1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII.

(…)

Artikel 38

Referentieperiode

De referentieperiode omvat de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002.

Artikel 43

Bepaling van de toeslagrechten

1. Onverminderd artikel 48 ontvangt een landbouwer een toeslagrecht per hectare dat is berekend door het referentiebedrag te delen door het gemiddeld aantal, berekend over drie jaar, van alle hectaren die in de referentieperiode recht hebben gegeven op de in bijlage VI genoemde rechtstreekse betalingen.

Het totale aantal toeslagrechten moet gelijk zijn aan het bovenvermelde gemiddelde aantal hectaren.

(…)

2. Het in lid 1 bedoelde aantal hectaren omvat voorts:

a) in het geval van de in bijlage VII genoemde steun voor aardappelzetmeel (…) het overeenkomstig de punten B en (…) van die bijlage berekende aantal hectaren voor de productie waarvan de steun in de referentieperiode is verleend; (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met het op 7 maart 2005 ondertekende formulier “Inventarisatie Bedrijfsgegevens voor toeslagrechten” en een bijbehorende brief heeft appellant verweerder te kennen gegeven dat de bij verweerder geregistreerde gegevens met betrekking tot de door hem aan AVEBE geleverde tonnen zetmeel naar zijn mening niet juist zijn. Appellant verklaart dat het Hoofdproductschap Akkerbouw slechts één van de twee bij AVEBE op zijn naam staande leveranciersnummers aan verweerder heeft doorgegeven en verzoekt ook zijn tweede leveranciersnummer in de beschouwing te betrekken.

- Op 12 april 2006 heeft appellant een formulier “Aanvraag toeslagrechten” bij verweerder ingediend.

- Op 19 april 2006 heeft appellant met het formulier “Wijziging referentiegegevens” verweerder aanvullende gegevens (waaronder in het Nederlands en in het Duits gestelde teeltcontracten met AVEBE uit de referentiejaren) verstrekt ter ondersteuning van zijn standpunt dat verweerder ook de zetmeelsteun, verleend voor van Duitse bodem afkomstige aardappelen, bij de vaststelling van zijn toeslagrechten dient te betrekken.

- Bij brief van 20 september 2006 heeft verweerder toegelicht geen grond gevonden te hebben de referentiegegevens betreffende het onderdeel zetmeel over de jaren 2000, 2001 en 2002 te wijzigen. Voor de op Duits grondgebied geteelde zetmeelaardappelen moet, aldus verweerder, in Duitsland subsidie worden aangevraagd.

- Bij besluit van 3 november 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellant vastgesteld.

- Tegen deze vaststelling heeft appellant bij brief van 23 november 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Overwegingen

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, overwogen, dat hij bij de vaststelling van de toeslagrechten de tonnages zetmeel van in Duitsland gelegen percelen niet heeft meegenomen in de berekening van het referentiebedrag. Uit de bij hem bekende gegevens blijkt niet dat door appellant een andere hoeveelheid aardappelzetmeel afkomstig van Nederlands bodem is geleverd dan de nu in de berekening betrokken tonnen.

Ten onrechte meent appellant dat de in Duitsland gelegen percelen van zijn bedrijf bij het Nederlandse bedrijf behoren op grond van de zogenoemde Grensboerenregeling. Deze regeling laat veehouders toe hun eigen bedrijfsgronden tot 20 km over de grens te bemesten met onverwerkte mest. Deze regeling heeft geen betrekking op de productie van zetmeelaardappelen in het buitenland.

Appellants betoog dat deze Duitse percelen in de praktijk werden gerekend tot het Nederlandse bedrijf en de van deze percelen verkregen aardappelen in Nederland aan AVEBE zijn geleverd en dat daarvoor ook door Nederland betaalde subsidie is verkregen kan appellant niet baten. Artikel 2, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bepaalt immers dat slechts in Nederland gelegen percelen tot het bedrijf van de landbouwer kunnen behoren.

De toepasselijke Europese regels laten verweerder vervolgens geen ruimte om bij de berekening van toeslagrechten steun te betrekken die is verleend voor van Duitse percelen afkomstig zetmeel.

In het verweerschrift heeft verweerder gereageerd op het door appellant in het beroepschrift gedane beroep op de “Vrijstellingsbeschikking klein grensverkeer landbouwgoederen 1981”. Deze regeling, gebaseerd op de In- en uitvoerwet, maakt een vrijstelling mogelijk van in- en uitvoerrechten voor landbouwgoederen geteeld op of bestemd voor grenslanderijen, maar heeft in het kader van de onderhavige problematiek geen betekenis. Bij brief van 3 februari 2009 heeft verweerder hieraan toegevoegd dat appellant vanwege het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: HPA) diverse circulaires en infobulletins heeft ontvangen, waarmee hij op de hoogte is gesteld van de wijzigingen in het Europese landbouwbeleid in 2005, waarbij het systeem van toeslagrechten werd ingevoerd. In dit voorlichtingsmateriaal is duidelijk aangegeven dat telers met percelen aardappelen in Duitsland die in de jaren vóór 2005 Duitse aardappelen leverden aan in Nederland gevestigde zetmeelfabrieken zich dienden te registreren bij de Duitse overheid. Zij zijn er tijdig op gewezen dat zij de steunaanvraag voor de Duitse percelen moesten indienen bij de Duitse autoriteiten.

3.2 Appellant betoogt dat hij de van zijn Duitse percelen afkomstige zetmeel steeds heeft geleverd aan AVEBE in Nederland en dat daarvoor ook in Nederland vanwege het HPA subsidie is ontvangen. Bij de meitelling heeft appellant deze Duitse percelen ook steeds opgegeven als behorend tot zijn Nederlandse bedrijf.

Het HPA heeft in de referentiejaren op het Duitse leveranciersnummer van appellant op basis van in het Duits gestelde leveringscontracten subsidie uitbetaald. Dit is ook nog in 2005 het geval geweest. Het is onbegrijpelijk dat voor van Duitse percelen afkomstig zetmeel 20 jaar lang subsidie is gegeven en dat deze subsidie nu opeens niet zou mogen meetellen voor de toeslagrechten.

Appellant heeft met zijn beroep op de Grensboerenregeling in zijn bezwaarschrift willen verwijzen naar de “Vrijstellingsbeschikking klein grensverkeer landbouwgoederen 1981”. Ingevolge deze vrijstellingsbeschikking worden de net over de grens gelegen Duitse percelen in de praktijk tot het Nederlandse bedrijf van appellant gerekend. Appellant meent dat een aanvraag om toeslagrechten in Duitsland nooit een kans gemaakt zou hebben, omdat hij in Duitsland alleen losse gronden voor de aardappelteelt heeft ingezet en hij daar dus nooit een bedrijf gehad heeft.

3.3.1 Tussen partijen is niet in geschil is dat verweerder voor appellant op juiste wijze berekende toeslagrechten heeft vastgesteld in verband met door appellant van het HPA ontvangen zetmeelsteun voor door de AVEBE-fabriek Oostermoer in de referentiejaren 2000 tot en met 2002 tot zetmeel verwerkte aardappelen, die appellant op percelen in Nederland geteeld had.

Het geschil beperkt zich tot de vraag of appellant daarnaast aanspraak kan maken op bedrijfstoeslagrechten op grond van de zetmeelsteun die hij in deze jaren van het HPA ontvangen heeft voor aardappelen, die hij op in Duitsland gelegen percelen geteeld heeft en die door de AVEBE-fabriek WTM verwerkt zijn. Appellant heeft deze aardappelen op grond van “Anbauverträge” met nummer 38798 aan AVEBE geleverd.

3.3.2 Het College stelt vast dat een deel van de aardappelzetmeelsteun van de productie is ontkoppeld en in de toeslagrechten is opgenomen, terwijl het overige deel van de steun gekoppeld is gebleven aan de productie van aardappelen ter verwerking tot zetmeel.

Ter verkrijging van de steun moeten dus ook twee verschillende aanvraagprocedures gevolgd worden.

3.3.3 Gedurende de referentiejaren was de definitie van “bedrijf” in artikel 1, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen van toepassing. “Bedrijf” werd daar gedefinieerd als het geheel van produktie-eenheden dat door een bedrijfshoofd wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van een lidstaat.

Genoemde verordening is ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 1782/2003. Artikel 153, eerste lid, van laatstgenoemde verordening bepaalt dat Verordening (EEG) nr. 3508/92 wel van toepassing blijft voor de rechtstreekse betalingen in verband met de kalenderjaren vóór 2005.

Ingevolge de begripsomschrijving van “bedrijf” in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, wordt “bedrijf” nu gedefinieerd als het geheel van productie-eenheden, dat door de landbouwer wordt beheerd en dat zich bevindt op het grondgebied van eenzelfde lidstaat. Met verweerder begrijpt het College daaruit, dat de in Duitsland gebruikte percelen van appellant, voor wat de toepassing van Verordening (EG) nr. 1782/2003 betreft, niet meer geacht worden tot zijn Nederlandse bedrijf te behoren.

3.3.4 Voor zover appellant voor productie op in Duitsland gelegen percelen toeslagrechten had willen ontvangen had hij deze aan moeten vragen in Duitsland; het enige land, waar zijn bedrijf voor wat betreft die percelen, gevestigd kan zijn. Aangezien in Duitsland reeds in 2005 de aan landbouwers toekomende toeslagrechten zijn vastgesteld, was de mogelijkheid daartoe echter reeds ten tijde van de indiening van appellants Aanvraag toeslagrechten op 12 april 2006 niet meer aanwezig.

3.3.5 Verweerder heeft het College desgevraagd laten weten, dat het HPA naar zijn mening de belanghebbenden voldoende tijdig en accuraat op de hoogte heeft gebracht van de hiervoor beschreven wijzigingen in de Europese regelgeving en de daaruit voor hen voortvloeiende gevolgen. Bij circulaire nr. 10.183 van 7 april 2004 betreffende Wijzigingen in de Contingenteringsregeling aardappelzetmeel is de telers van zetmeelaardappelen onder meer het volgende meegedeeld.

“ (…) Vanaf dit seizoen (2004/2005) moet de teler van zetmeelaardappelen ook voor het verkrijgen van de steun een “Aanvraag oppervlakten” indienen bij de instantie van het land waar de teelt plaatsvindt.

(…)

Telers die zetmeelaardappelen omnder contract telen op Duits grondgebied moeten een dergelijke aanvraag insturen aan de betrokken Dienst in Duitsland.

(…)

Zoals gezegd controleert de AID steekproefsgewijs ter plaatse de in Nederland aangegeven arealen. De oppervlaktecontroles op de in Duitsland aangegeven arealen worden door de Duitse controlediensten uitgevoerd.

(…)”

In de circulaire 10.312 van 21 januari 2005 heeft het HPA voorts onder meer het volgende aan de telers bericht.

“ (…) Met ingang van 2005 wijzigt het Europees landbouwbeleid. Nederland heeft besloten om het systeem van (bedrijfs-)toeslagrechten pas vanaf 2006 in te voeren. De gewasspecifieke steun die u gewend was te ontvangen blijft u om die reden ook in in 2005 (campagne 2005/2006) ontvangen.

(…)

Voor bedrijven met grond in Duitsland geldt dat deze bedrijven, na registratie bij de Duitse overheid, een zogenaamd EU-nummer krijgen. Dit nummer moet op het contract met Avebe worden vermeld. De steunaanvraag voor deze percelen moet echter in Duitsland worden ingediend.

(…)

In tegenstelling tot Duitsland is voor Nederland de Bedrijfstoeslagregeling in 2005 nog niet van toepassing. Hierdoor kunnen de uit te betalen steunbedragen verschillen.

(…)”

Uit deze circulaires had appellant in verweerders visie kunnen en moeten opmaken dat hij reeds in het seizoen 2004/2005 voor zijn Duitse percelen een Aanvraag oppervlakten diende in te dienen bij de Duitse autoriteiten. Voor het seizoen 2005/2006 diende hij over een Duits registratienummer te beschikken en diende hij zijn gehele steunaanvraag in verband met in Duitsland geteelde aardappelen in Duitsland in te dienen.

3.3.6 Bij brief van 23 februari 2009 heeft appellant in zijn reactie daarop verklaard dat, nu de hem verleende steun betaald is door een Nederlands bestuursorgaan, het niet anders kan dan dat het gaat om Nederlandse aardappelen en dat de tonnen zetmeel die uit deze aardappelen gewonnen werden, behoren mee te tellen bij de vaststelling van zijn toeslagrechten door de Nederlandse overheid. Naar zijn mening moet in dit geval beslist worden op grond van de regelgeving, zoals deze tijdens de referentiejaren luidde. Wat nadien tot stand gekomen is kan naar zijn mening geen invloed hebben op de waarde van zijn toeslagrechten.

De stelling van verweerder, dat appellant duidelijk genoeg gewezen is op de mogelijkheid om in Duitsland toeslagrechten aan te vragen, is dan ook niet van belang. Alle geproduceerde tonnen zetmeel behoren tot zijn Nederlandse bedrijf en dienen dus bij berekening van de hem toekomende toeslagrechten betrokken te worden.

3.3.7 Het College overweegt, dat appellant niet ontkent de circulaires van het HPA ontvangen te hebben, maar ten onrechte meent, dat aanwijzingen en regelgeving van na de referentieperiode niet van belang kunnen zijn voor de rechten die hij aan zijn productie van zetmeelaardappelen in die referentieperiode ontleent.

Het College wijst er in dit verband op dat de toeslagrechten waarop appellant meent recht te hebben, eerst door Verordening (EG) nr. 1782/2003 van 20 september 2003 in het leven zijn geroepen. Bij deze zelfde verordening is de beperking van een bedrijf tot één lidstaat tot stand gebracht.

Van een landbouwer mag verwacht worden dat deze de nodige maatregelen treft om de hem toekomende steun te verkrijgen. Naar het oordeel van het College had appellant dan ook niet aan de informatie die hem ter zake door het HPA verstrekt is, voorbij mogen gaan en zich tot de Duitse autoriteiten moeten wenden om bij hen vaststelling van zijn toeslagrechten in verband met zijn in Duitsland geteelde aardappelen aan te vragen. Nu hij dat toch gedaan heeft, kan hij niet op basis van de blijkbaar bij hem bestaande verwachting dat de Duitse autoriteiten een dergelijke aanvraag, als deze zou zijn ingediend, zouden hebben afgewezen, aanspraak maken op door de Nederlandse overheid te verstrekken toeslagrechten.

Het College tekent daarbij aan, dat appellant ook niet duidelijk heeft gemaakt waarop hij zijn verwachting dat de Duitse autoriteiten de losse gronden in Duitsland, waarop appellant zijn aardappelen verbouwde, niet als bedrijf zouden erkennen, baseert. Nu het gaat om percelen die gedurende het gehele teeltseizoen, waarin appellant daarop steunwaardige aardappelen verbouwde te zijner beschikking gestaan moeten hebben, acht het College een dergelijke zienswijze ook niet voor de hand liggend.

3.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M Heijs en mr. M. Munsterman in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas