Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM5864

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
AWB 10/312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handelsregisterwet 2007; voorlopige voorziening; artikel 4 van het Handelsregisterbesluit 2008; opgave ter inschrijving; voordat tot onverwijlde inschrijving wordt overgegaan dient de kamer van koophandel na onderzoek van oordeel te zijn dat de opgave juist is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 10/312 29 april 2010

24300 Handelsregisterwet 2007

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening van:

1. A, te Alkmaar (hierna ook wel: A),

2. B, te Beverwijk (hierna ook wel: B),

gezamenlijk ook wel: verzoekers,

tegen

de Kamer van Koophandel voor Amsterdam, verweerster,

gemachtigde: mr. D.E. Galavazi, werkzaam bij verweersters afdeling Juridische Zaken.

Aan dit geding neemt voorts C, te Schoorl (hierna: C), als partij deel.

1. De procedure

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft verweerster ongegrond verklaard de bezwaren van verzoekers tegen een besluit van 26 februari 2010, waarbij de registratie van de bestuurders van de vereniging "Partij Voor Gerechtigheid" (hierna: PVG) volgens opgave van C is gewijzigd.

Bij brief van 27 maart 2010, ingekomen bij het College op 30 maart 2010, hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 30 maart 2010, ingekomen bij het College op 1 april 2010, hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het besluit van 8 maart 2010. Het beroep is geregistreerd onder kenmerk AWB 10/311.

Op 13 april 2010 is bij het College ingekomen een ongedateerde brief van C, waarin zij schriftelijk op het verzoek heeft gereageerd.

Verweerster heeft bij brief van 15 april 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Bij brief van 15 april 2010 hebben verzoekers schriftelijk gereageerd op voornoemde brief van C. Verzoekers hebben voorts bij brief van 17 april 2010 schriftelijk gereageerd op voornoemde brief van verweerster.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 26 april 2010. Namens verzoekers is verschenen A. Namens verweerster is verschenen haar gemachtigde. C is in persoon verschenen, vergezeld door D (hierna: D), E (hierna: E) en F (hierna: F).

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Handelsregisterwet 2007, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 6

1. In het handelsregister worden de volgende rechtspersonen die volgens hun statuten hun zetel in Nederland hebben ingeschreven:

(...)

b. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid (...);

(...)

Artikel 18

1. Tot het doen van opgave ter inschrijving in het handelsregister is verplicht degene aan wie een onderneming toebehoort, of, indien het de inschrijving betreft van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, het tweede lid en derde lid, ieder der bestuurders van de rechtspersoon.

(...)"

Het Handelsregisterbesluit 2008 (Stb. 2008, 240) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 4

1. De kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet.

2. De kamer kan bij een onderzoek nadere bewijsstukken vragen.

3. Indien de kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving.

Artikel 5

1. De kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon.

2. De kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:

a. de opgave strijdig is met een wettelijk voorschrift, het recht, de openbare orde of de goede zeden;

b. de opgave innerlijk strijdig of onvolledig is;

c. de opgave strijdig is met de reeds over de onderneming of rechtspersoon opgenomen gegevens;

d. de opgave strijdig is met gegevens uit een ander basisregister;

e. de kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.

3. Indien de kamer degene die de opgave doet in de gelegenheid heeft gesteld de opgave aan te vullen of te wijzigen, stelt zij indien nodig de opgave weer ter beschikking van degene die de opgave heeft gedaan."

In de Nota van Toelichting bij het Handelsregisterbesluit 2008 staat onder meer het volgende vermeld:

"4.2 Rol kamers bij inschrijving

4.2.1 Onderzoek t.b.v. inschrijving

De wijze waarop een kamer een opgave tot inschrijving behandelt – dat kan zijn een nieuwe inschrijving of een mutatie – is op een belangrijk punt gewijzigd. Het besluit geeft namelijk niet langer aan dat de kamer de juistheid van een opgave «summier» onderzoekt, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van het Handelsregisterbesluit 1996.

Voortaan moet de kamer een grondiger onderzoek instellen of er aanwijzingen zijn voor mogelijke onjuistheid – als gevolg van frauduleus handelen of anderszins – van de opgave. Dat grondiger onderzoek wil niet zeggen dat de kamer vervolgens een garantie kan afgeven dat de ingeschreven gegevens juist zijn; de juistheid blijft de verantwoordelijkheid van degene die op grond van artikel 18 van de wet tot inschrijven verplicht of bevoegd is. Doet bijvoorbeeld een bevoegd persoon, wiens identiteit genoegzaam door de kamer is gecontroleerd, opgave van een adreswijziging van zijn bedrijf, dan gaat de onderzoeksplicht van de kamer niet zo ver dat ter plaatse moet worden gecontroleerd of inderdaad het nieuwe pand is betrokken. Wel zal de kamer naar bewijsstukken kunnen vragen dat de onderneming inderdaad in het opgegeven bedrijfspand gevestigd zal worden (bijvoorbeeld een huurcontract) en nagaan of op dat adres mogelijk reeds een ander bedrijf staat ingeschreven.

Een en ander geldt ten aanzien van alle gegevens, zowel die genoemd in de wet als die genoemd in het onderhavige besluit.

(...)

Artikel 4

In verband met het grotere belang van de juistheid van het register en de daarmee samenhangende grotere verantwoordelijkheid van de kamer, is het standpunt verlaten dat de kamer de opgave ‘summierlijk’ onderzoekt (vergelijk artikel 5 Handelsregisterbesluit 1996).

Dit onderzoek is tweeledig. Ten eerste wordt de bevoegdheid van de persoon die de opgave doet gecontroleerd. Indien daarin een gebrek wordt geconstateerd kan de kamer niet anders dan de opgave niet in behandeling te nemen, ingevolge artikel 5, eerste lid. Ten tweede onderzoekt de kamer de opgave inhoudelijk. Dit omvat onder meer een controle of aan alle vereisten tot inschrijving is voldaan en een controle of het in te schrijven gegeven juridisch bestaanbaar is, dat wil zeggen dat er door de inschrijving niet een figuur ontstaat die niet voldoet aan de vereisten van het recht. Voor dit onderzoek kan de kamer vragen om nadere bewijsstukken. Indien de kamer geen reden heeft om te twijfelen aan de bevoegdheid van de persoon en de juistheid van de inschrijving, wordt overgegaan tot inschrijving. Indien één van de weigeringsgronden van artikel 5, tweede lid, zich voordoet, maakt de kamer een afweging of de opgave tot inschrijving geweigerd wordt.

Het onderzoek van de kamer is grondiger dan voorheen, maar de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens ligt evenals voorheen bij degene die opgaveplichtig is. De kamer is daar afhankelijk van en mag tot op zekere hoogte ook uitgaan van de juistheid van de opgave. Een onderzoek van de kamer houdt niet in dat op alle mogelijke onjuistheden wordt gecontroleerd; daartoe ontbreekt de mankracht en het zou ook een ongewenste verzwaring van de administratieve lasten met zich mee brengen. De kamer moet in redelijkheid tot een oordeel over de juistheid van de opgave komen."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij notariële akte van 9 juli 2009 is de PVG opgericht. De PVG is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en heeft zij als activiteit onder meer deelname aan de Tweede Kamerverkiezingen. Op 13 juli 2009 is zij ingeschreven in het handelsregister.

- In de statuten is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. Het algemeen bestuur bestaat uit tenminste drie personen en maximaal negen personen die door de algemene vergadering worden benoemd. (...)

Artikel 12

1. Elk bestuurslid, ook wanneer hij voor een bepaalde tijd is benoemd, kan te allen tijde door de algemene vergadering worden ontslagen of geschorst. Een schorsing die niet binnen drie maanden gevolgd wordt door een besluit tot ontslag, eindigt door het verloop van die termijn.

2. Elk bestuurslid treedt uiterlijk drie jaar na zijn benoeming af volgens een door het bestuur op te maken rooster van aftreding, met uitzondering van voorzitter, secretaris en penningmeester, die na een periode van tien jaar aftreden.

De afgetredene is herkiesbaar; wie in een tussentijdse vacature wordt benoemd, neemt op het rooster de plaats van zijn voorganger in.

3. Het bestuurslidmaatschap eindigt voorts:

a. door het eindigen van het lidmaatschap van de vereniging;

b. door bedanken.

4. In afwijking van hetgeen in lid 2 staat vermeld worden de bestuurders die benoemd zijn bij onderhavige akte voor tien jaar te rekenen vanaf heden benoemd."

- Op 26 februari 2010 heeft C op het kantoor van verweerster met betrekking tot de PVG een opgave ter inschrijving gedaan van respectievelijk de uitfunctietreding van de bestuurders A met ingang van 25 februari 2010 en B met ingang van 30 december 2009, een rectificatie van de uitfunctietreding van E als bestuurder met terugwerkende kracht tot 30 december 2009 en de infunctietreding van D en F als bestuurders met ingang van 25 februari 2010.

- Bij besluit van 26 februari 2010 heeft verweerster conform de opgave de gewijzigde gegevens in het handelsregister ingeschreven.

- Tegen dit besluit hebben verzoekers per e-mail van 1 maart 2010, aangevuld bij brief van 4 maart 2010, bezwaar gemaakt.

- Bij bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard om, voor zover hier van belang, de navolgende redenen:

"Op 26 februari jl. is aan de balie van het handelsregister van de Kamer door mevrouw C bovengenoemde opgave gedaan. Gelet op het feit dat de bestreden opgave afkomstig was van een, ex artikel 18 lid 1 Handelsregisterwet 2007 (hierna Hrw) juncto artikel 6 Handelsregisterbesluit 2008 (hierna Hrb) daartoe bevoegde bestuurder en er ten tijde van de opgave voor de Kamer geen reden was om te twijfelen aan de juistheid ervan, heeft de Kamer deze ex artikel 4 juncto artikel 5 Hrb mogen registreren.

U stelt dat mevrouw C op het moment van de gewraakte opgaven niet meer opgavebevoegd was vanwege haar schorsing per 25 februari 2010. U overlegt ter onderbouwing van uw stelling ongetekende notulen van een bestuursvergadering d.d. 25 februari 2010. Gezien het feit dat artikel 12 lid 1 van de vigerende statuten van uw vereniging bepaalt dat een bestuurslid door de algemene ledenvergadering wordt geschorst, kan de Kamer uw stelling niet volgen.

Nog los van het feit overigens dat de benoeming, schorsing en ontslag van bestuursleden conform de statuten een interne aangelegenheid van de vereniging is die zich onttrekt aan de directe waarneming van de Kamer en waarover de Kamer derhalve niet kan oordelen. Een geschil dienaangaande dient uitsluitend ter beoordeling te worden voorgelegd aan de civiele rechter."

- Blijkens een uittreksel van 15 april 2010 staan in het handelsregister als bestuurders van de PVG geregistreerd C, E, D en F. Voorts is de aantekening opgenomen: "Dossier in onderzoek ex artikel 36 Hrw".

3. Het standpunt van verzoekers

Verzoekers hebben, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

C mocht ten tijde van de opgave van 26 februari 2010 niet meer optreden als bestuurder, omdat zij door de bestuursvergadering van 25 februari 2010 als bestuurder is geschorst. Voorts liggen aan onderhavige opgave geen notulen van een ledenvergadering ten grondslag.

Aangezien C en haar aanhang het voornemen hebben mee te doen aan de Tweede Kamerverkiezingen, is een spoedprocedure essentieel.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

C was als bestuurder ten tijde van het indienen van de opgave wel daartoe bevoegd, aangezien van de door verzoekers gestelde schorsing geen opgave is gedaan. Voorts is in artikel 12, eerste lid, van de statuten bepaald dat een bestuurslid door de algemene vergadering wordt geschorst. Verweerster kan niet oordelen over een rechtsgeldige benoeming, schorsing en het ontslag van bestuursleden, vanwege de interne gelegenheid ervan. De rechtmatigheid van dergelijke besluiten dienen derhalve te worden voorgelegd aan de civiele rechter. Zo al C door de algemene vergadering van 6 maart 2010 zou zijn geschorst, neemt dat niet weg dat zij op 26 februari 2010 nog bestuurder was.

Voorts is onder de huidige wetgeving nog steeds uitgangspunt dat de bestuurder verplicht is een juiste opgave te doen. Daardoor is verweerster nog steeds volledig afhankelijk van de opgave van de bestuurder en is zij in haar onderzoek beperkt in haar mogelijkheden. Het onderzoek is conform artikel 5, eerste lid, van het Handelsregisterbesluit 2008 toegespitst op de vraag of de persoon die opgave doet daartoe bevoegd is. Een onderzoek naar de juistheid van de opgave wordt achterwege gelaten indien niet direct een reden is om te twijfelen aan de juistheid van de opgave. Anders ontstaat een volstrekt onwerkbare situatie voor verweerster met vele honderden mutaties per dag, waarbij aan de hand van iedere opgave de rechtmatigheid van de achterliggende civiele verhoudingen zou moeten worden beoordeeld.

Niet duidelijk is wat voor verzoekers het spoedeisend belang is in verband met de aanstaande Tweede Kamerverkiezingen. Indien in de civiele procedure zou komen vast te staan dat aan de onderhavige opgave geen rechtsgeldige besluiten ten grondslag liggen, zal zij dit, na opgave, volgen.

Verweerster concludeert tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorzieningen en tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Het standpunt van C

Medio december 2009 heeft A E onrechtmatig uitgeschreven. Op 23 februari 2010 werd een motie van wantrouwen tegen A ingediend, waarvan hij op 24 februari 2010 telefonisch en op 25 februari 2010 per aangetekende brief op de hoogte is gesteld. B wilde niet met het nieuwe bestuur in zee gaan. De ledenvergadering van 5 maart 2010 heeft de motie van wantrouwen overgenomen en het op 26 februari 2010 ingeschreven – nieuwe – bestuur erkend.

6. Het nadere standpunt van verzoekers

Naar aanleiding van het standpunt van C merken verzoekers bij monde van A nog het volgende op.

Met betrekking tot C's stelling dat E onrechtmatig is uitgeschreven, wordt opgemerkt dat zij zelf, naast A en B, bij deze uitschrijving aanwezig geweest. Zij heeft ook mede getekend voor de schorsing van E zoals blijkt uit de notulen van de vergadering van 19 november 2009.

Ten aanzien van de motie van wantrouwen heeft C op de bestuursvergadering van 25 februari 2010 aangekondigd dat men ermee bezig was, maar verklaarde zij tevens dat ze nog niets had ondertekend. Het is niet waar dat A op 24 februari 2010 daarvan op de hoogte is gesteld. Hij ontving alleen signalen hierover van G en dit is op de genoemde bestuursvergadering van 25 februari 2010 bij C geverifieerd. Het aangetekend schrijven heeft A pas op 1 maart 2010 ontvangen.

Verzoekers hebben meteen een ledenvergadering voor 6 maart 2010 uitgeschreven, maar de anderen hebben dat

– illegaal – ook gedaan (ledenvergadering op 5 maart 2010). E en C zijn, hoewel daartoe uitgenodigd, niet op de ledenvergadering van 6 maart 2010 verschenen.

De door C aangehaalde motie van wantrouwen is tot stand gekomen in strijd met de artikelen 5 en 12 van de statuten.

Met betrekking tot de reactie van verweerster merken verzoekers in hun brief van 17 april 2010 nog het volgende op.

Verweerster heeft geen rekening gehouden met het doel van de wet door aldus niet te bezien hoe deze zaak zo rechtvaardig en eerlijk mogelijk kan worden opgelost.

Verweerster had zorgvuldigheidshalve dienen te twijfelen aan de omstandigheid dat E op 30 december 2009 werd uitgeschreven en dit op 26 februari 2010 wordt gerectificeerd. Bij de ongegrondverklaring van het bezwaar is geen rekening gehouden met artikel 7, leden 1d, 2, 6 en 7 en artikel 12 van de statuten van de PVG. Door alleen de betrouwbaarheid van geregistreerde bestuurders te beoordelen en voor het overige het aan de civiele rechter te laten, is verweerster tot een administratiekantoor gedegradeerd.

Het verzoek om een voorlopige voorziening houdt zeker verband met het bestreden besluit. Verweerster onderschat de reikwijdte van het besluit, omdat derden, zoals een bank, kiesraad en de media, rekening houden met de gegevens uit het handelsregister.

Wat betreft haar opmerking over de ongetekende notulen had verweerster de getekende notulen bij verzoekers kunnen opvragen. Dat alles aan de civiele rechter kan worden voorgelegd vinden verzoekers te gemakkelijk.

Bij twijfel had verweerster de notulen van leden- en/of bestuursvergaderingen kunnen opvragen. Verder had nader onderzoek kunnen opleveren dat de beambte van verweerster die op 30 december 2009 E heeft uitgeschreven kan verklaren dat bij die gelegenheid een dame, C, aanwezig was.

Verder is het vreemd dat verweerster de urgentie van het verzoek om een voorlopige voorzieningen niet inziet in verband met de Tweede Kamerverkiezingen. Het thans illegale bestuur kan kandidaten inschrijven voor de verkiezingen. Voorts was het afgezette bestuur dicht bij bepaalde oplossingen, waaronder afspraken met sponsoren. Voorts heeft A als toekomstig beoogd lijsttrekker persoonlijke schade ondervonden.

7. De beoordeling van het geschil

7.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang gelezen met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de bodemprocedure.

7.2 Met betrekking tot het gestelde spoedeisende belang overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Aannemelijk is dat verzoekers als gevolg van de gewijzigde registratie op 6 februari 2010 thans niet, althans onvoldoende, in staat zijn als bestuurders van de PVG op te treden. De partij heeft inmiddels concrete stappen gezet om te kunnen deelnemen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 9 juni 2010, onmiskenbaar een kernactiviteit van deze partij. Teneinde deze deelname veilig te stellen dient de partij uiterlijk 3 mei 2010 een – substantiële – waarborgsom te hebben gestort. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig dat het treffen van een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen.

7.3 Met betrekking tot de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt het volgende overwogen. Ter beoordeling staat of verweerster de onderhavige inschrijving van 26 februari 2010 heeft kunnen handhaven.

Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerster met de inschrijving toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 4, derde lid, van het Handelsregisterbesluit 2008. Anders dan verweerster ter zitting heeft gesteld blijkt uit de tekst van dit artikellid, noch anderszins, dat een opgave tot inschrijving alleen ziet op een nieuwe inschrijving van een onderneming of een rechtspersoon. Uit paragraaf 4.2.1 van de Nota van Toelichting bij het Handelsregisterbesluit 2008 blijkt juist dat ook de wetgever onder een opgave tot inschrijving verstaat zowel een nieuwe inschrijving als een mutatie.

Ingevolge artikel 4, eerste en derde lid, van de Handelsregisterbesluit 2008 gaat verweerster onverwijld over tot inschrijving, indien zij na onderzoek, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet, ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is. Vaststaat dat de zojuist genoemde uitzondering op de onderzoeksplicht hier niet aan de orde is.

In dit geval heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerster tot de overtuiging kunnen komen dat C op 26 februari 2010 opgavebevoegd was. Immers, niet in geschil is dat verweerster daartoe onderzoek heeft gedaan. Voorts heeft verweerster terecht verzoekers’ stelling dat C niet bevoegd was omdat zij op 25 februari 2010 door de bestuursvergadering is geschorst, niet gevolgd, reeds omdat op grond van artikel 12, eerste lid, van de statuten een bestuurder alleen kan worden geschorst door de algemene vergadering.

Echter, naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerster niet tot het oordeel kunnen komen dat de opgave juist is. Zij heeft immers alleen onderzocht of degene die de opgaven heeft ingediend daartoe bevoegd was en niet onderzocht de in bezwaar naar voren gebrachte stelling dat aan de opgave geen genotuleerde besluiten van de algemene ledenvergadering ten grondslag liggen. Met de stelling dat zij niet kan treden in civielrechtelijke geschillen en een beoordeling hiervan uitsluitend is voorbehouden aan de civiele rechter miskent verweerster haar eigen – in artikel 4, eerste en derde lid van het Handelsregisterbesluit 2008 verankerde – verantwoordelijkheid in deze.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende. Niet is gebleken dat op 26 februari 2010 sprake was van een situatie waarin A en B conform artikel 12, eerste lid, van de statuten waren ontslagen door de algemene vergadering of dat hun bestuurslidmaatschap op een andere grond als bedoeld in artikel 12 van de statuten was geëindigd. Evenmin is op genoemde datum gebleken dat sprake was van een situatie waarin E, D en F conform artikel 11 van de statuten door de algemene vergadering waren benoemd.

Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat onderhavige opgave onjuist is en dat om die reden verweerster onderhavige inschrijving niet kan handhaven. De stelling van C dat het – ingeschreven – bestuur is erkend door de algemene vergadering van 5 maart 2010 treft geen doel, reeds omdat daarmee niet wordt weggenomen dat de inschrijving op 26 februari 2010 ten onrechte is geschied. Zo C meent dat het nieuwe bestuur op grond van de besluiten van de algemene vergadering van 5 maart 2010 in het handelsregister dient worden ingeschreven, kan zij hiertoe een nieuwe opgave indienen. Die opgave zal dan door verweerster op juistheid moeten worden beoordeeld.

7.4 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, in dier voege dat zowel het bestreden als het primaire besluit worden geschorst en dat verweerster wordt opgedragen om met onmiddellijke ingang met betrekking tot de PVG in het handelsregister de gegevens op te nemen, zoals die luidden direct voorafgaand aan onderhavige opgave, met handhaving van de aantekening ‘in onderzoek’.

Het vorenstaande laat onverlet dat verweerster ambtshalve dan wel op grond van een nieuwe opgave een nieuw besluit kan nemen dat leidt tot wijziging van de gegevens (van de bestuurders) van de PVG in het handelsregister, mits op juistheid beoordeeld.

7.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst zowel het besluit van 26 februari 2010 als het besluit van 8 maart 2010 en draagt verweerster op om met

onmiddellijke ingang met betrekking tot de Partij Voor Gerechtigheid in het handelsregister de gegevens op te nemen,

zoals die luidden direct voorafgaand aan de opgave van C van 26 februari 2010, met handhaving van de aantekening ‘in

onderzoek’;

- gelast dat verweerster aan verzoekers het door hun betaalde griffierecht ad € 298,-(zegge: tweehonderd achtennegentig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. S.D.M. Michael