Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM5714

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
AWB 10/215
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; kennelijk ongegrond; geen proceskosten voor opstellen bezwaarschrift; nu rechtshulp niet is verleend door derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Derde enkelvoudige kamer

AWB 10/215 12 mei 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. De procedure

Verweerder heeft bij besluit van 28 juni 2008 de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2007 vastgesteld. Appellants daartegen gericht bezwaar heeft verweerder bij besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij het College. Het College heeft dit beroep bij uitspraak van 2 december 2009, gewezen onder zaaknummer AWB 08/674, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.

Verweerder heeft bij besluit van 12 februari 2010 aan deze opdracht gegvolg gegeven.

Appellant heeft bij brief van 3 maart 2010, ontvangen op 4 maart 2010, tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 3 mei 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, heeft het College de bevoegdheid om, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek te sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk ongegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Daartoe heeft hij overwogen dat het niet meer mogelijk is de beteelde oppervlakte van het in geschil zijnde perceel 1 fysiek te meten. Onder deze omstandigheden gaat verweerder uit van de oppervlakte van 1.25 ha, die appellant op het Overzicht gewaspercelen 2007 had vermeld.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit tevens het verzoek om toekenning van wettelijke rente toegewezen. Deze wordt vergoed vanaf 1 juli 2008.

Aan appellant is daarom een nabetaling gedaan van € 60,88.

Verweerder heeftt geen aanleiding gezien de door appellant opgevoerde kosten met betrekking tot het opstellen van het bezwaarschrift te vergoeden. Het bezwaarschrift is opgesteld door appellant zelf. Ook tijdens de telefonisch gehouden hoorzitting werd appellant niet vertegenwoordigd door een derde.

In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld dat het bedrag van € 156,20 aan proceskosten en € 145.-- door appellant betaald griffierecht, tot betaling waarvan verweerder in de uitspraak van 2 december 2009 is veroordeeld, op 3 maart 2010 aan appellant is betaald.

2.3 Appellant wijst erop dat hem bij het door het College vernietigde besluit een korting was opgelegd van

€ 64,08. Hij begrijpt niet waarom de nabetaling dan maar € 60,88 bedraagt.

Verder geeft verweerder naar zijn mening door uit te gaan van een geconstateerde oppervlakte van perceel 1 van 1.25 ha. een onjuiste uitleg aan artikel 32, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerde beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003. Verweerder heeft deze oppervlakte immers niet vastgesteld op grond van de verplichte veldinspectie die ingevolge dit artikel had moeten volgen.

Appellant is voorts van mening dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten samenhangend mat het opstellen van het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift is opgesteld door A Agrarische Administratie & Advies, een bedrijf waarvan appellant eigenaar is. Daarmee staat voor hem vast dat de daarvoor in rekeninbg gebrachte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.1 Het College overweegt dat appellant zich er in het beroepschrift over heeft beklaagd dat verweerder de proceskosten en het griffierecht in beroep, tot betaling waarvan hij bij de uitspraak van 2 december 2009 veroordeeld was, nog niet aan hem had uitbetaald. Verweerder heeft medegedeeld dit bedrag op 3 maart 2010 alsnog te hebben betaald.

2.4.2 Op het aan appellant na te betalen bedrag van € 64,08 is de voorgeschreven modulatiekorting van 5% toegepast. Derhalve kwam appellant een bedrag van € 60,88 toe.

2.4.3 Artikel 32, vijfde lid van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft betrekking op de situatie dat ten genoegen van de bevoegde autoriteit niet kan worden vastgesteld dat de opgegeven oppervlakte juist is. Dan moet een fysieke controle ter plaatse volgen. Nu verweerder de door appellant opgegeven oppervlakte van perceel 1 aanvaardt, doet zich deze situatie niet voor.

2.4.4 In artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten genoemd waarop een veroordeling als bedoeld in artikel 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben. Onderdeel a van dit artikel noemt door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als zodanige kosten.

De door appellant nog gewenste extra proceskostenveroordeling in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift is dan ook terecht afgewezen, nu A Agrarische Administratie & Advies ten opzicht van haar eigenaar, appellant, niet als derde kan worden aangemerkt. Het opmaken van een factuur, gericht aan A, maakt dat niet anders

2.4.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep kennelijk ongegrond is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.

Voor een proceskostenveroordeling op voet van artikel 8:75 van de Awb ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas