Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM5052

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
AWB 07/887
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Heffing; bloemkwekerijheffing; heffing Productschap Tuinbouw; fictieve weigering; verweerder heeft erkend dat hij heeft verzuimd te beslissen op het bezwaar van 1 februari 2007 tegen de opgelegde naheffingen; beroep gegrond, met bepaling dat verweerder binnen vier weken na de verzending van de uitspraak op het bezwaarschrift beslist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/887 10 mei 2010

4240 Heffing

Bloemkwekerijheffing

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: mr. A.J. Braakman, advocaat te Leiden,

tegen

Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Bruin, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 8 november 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen het niet of niet tijdig beslissen door verweerder op een bezwaar van appellante tegen besluiten van verweerder betreffende naheffingen op grond van de Verordening PT Vakheffing Bloemkwekerijproducten.

Bij brieven van 19 maart 2009 en 23 april 2009 heeft appellante de nadere gronden van beroep ingediend.

Bij brief van 29 juni 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 29 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij vijf facturen, alle gedateerd 22 januari 2007, heeft verweerder naar aanleiding van een boekencontrole aan appellante naheffingen opgelegd over de jaren 1999 tot en met 2003 inzake aankopen buiten Nederland.

- Tegen deze besluiten heeft appellante bij brief van 1 februari 2007 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 20 maart 2007 heeft appellante herziene aangiftes over de jaren 2001 tot en met 2003 ingediend en verzocht de ambtshalve opgelegde aanslagen in te trekken.

- Daarna heeft nog enige correspondentie tussen partijen plaatsgevonden.

- Bij brief van 31 oktober 2007 heeft appellante verweerder verzocht binnen een week te beslissen.

- Vervolgens heeft verweerder bij brief van 8 november 2007 meegedeeld in afwachting van het van kracht worden van de wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie (nr. 31039) voorlopig geen nieuwe nota’s te verzenden.

- Vervolgens heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Bij brief van 23 april 2009 heeft appellante nadere gronden van beroep ingediend. Daarbij heeft appellante aangegeven dat de bij brief van 20 maart 2007 ingezonden herziene aangiftes over de jaren 2001, 2002 en 2003 moeten worden aangemerkt als nadere gronden bij het bezwaarschrift van 1 februari 2007 tegen de ambtshalve opgelegde naheffingen bij de primaire besluiten van 22 januari 2007. Ter zitting van het College heeft appellante bevestigd dat het bezwaar en beroep inzake de fictieve weigering om op het bezwaar te beslissen is beperkt tot de naheffingen over de jaren 2001, 2002 en 2003.

3.2 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, Awb dient een bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van een bezwaarschrift daarop te beslissen, tenzij een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb is ingesteld. Op grond van het derde lid van genoemd artikel 7:10 kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen en daarvan moet schriftelijk mededeling worden gedaan, indien van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Verder uitstel is, blijkens artikel 7:10, vierde lid, Awb slechts mogelijk voorzover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen geschaad kunnen worden of daarmee eveneens instemmen.

3.3 Het College stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep door appellante, te weten op 8 november 2007, de termijn waarbinnen ingevolge artikel 7:10 Awb op het bezwaarschrift had moeten worden beslist, ruimschoots was overschreden. In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat terecht is geweigerd de herziene aangiftes te accepteren en nieuwe nota’s op te leggen. Ter zitting van het College heeft verweerder erkend dat hij verzuimd heeft op het bezwaar tegen de opgelegde naheffingen op basis van de door appellante ingediende herziene aangiftes te beslissen en heeft verweerder toegezegd binnen vier weken alsnog te beslissen, na het houden van een hoorzitting.

3.4 Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appelante is derhalve gegrond, zodat als volgt zal worden beslist.

3.5 Het College acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Met inachtneming van het besluit proceskosten bestuursrecht, rekening houdend met het gegeven dat het beroep was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zodat met een betrekkelijk eenvoudig beroepschrift kon worden volstaan, worden deze kosten, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 0,5 (gewicht) x € 322,-- = € 322,--.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 1 februari 2007, zoals nader toegelicht bij brief

van 20 maart 2007, gegrond;

- bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak op dit bezwaarschrift beslist;

- veroordeelt verweerder in de kosten die appellante in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken,

welke kosten worden begroot op € 322,-- (zegge: driehonderdentweeëntwintig euro);

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 285,-- (zegge: tweehonderdenvijfentachtig euro) aan appellante vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, mr. M. van Duuren en mr. W.A.J. van Lierop, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2010.

w.g. F. Stuurop w.g. J.M.M. Bancken