Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM4378

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
AWB 08/559
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen; Aanwezigheidsvergunning; verzoek op grond van artikel 8:73a; indiener van beroepschrift dient indiener van ontvankelijk beroepschrift te zijn; relatie tussen beroepsgronden en intrekking van vergunning

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/559 28 april 2010

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:73a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

de Protestants-Christelijke Vereniging tot stichting en instandhouding van een verenigingsgebouw genaamd “Beatrix”, te Wilnis, verzoekster,

gemachtigde: A.W. van der Vaart,

tegen

de burgemeester van Nieuwkoop, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J.J.C. Boot, advocaat te Middelburg.

1. De procedure

Verzoekster heeft bij brief van 19 april 2007, bij de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 maart 2007. Bij brief van 16 juni 2007, bij de rechtbank binnengekomen op 19 juni 2007, heeft verzoekster de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij dit besluit zijn de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 november 2007 heeft verweerder alle aan Café de Kolk verleende vergunningen ingetrokken, waaronder de vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten voor het jaar 2006.

Bij brief van 30 januari 2008, bij de rechtbank binnengekomen op 31 januari 2008, heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten en de geleden schade te vergoeden.

Bij brief van 28 april 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, Awb heeft de rechtbank het verzoek, voor zover dit verband houdt met de intrekking van voormelde vergunning voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten, doorgezonden naar het College, waar dit op 31 juli 2008 is binnengekomen.

Op 3 februari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verzoekster en verweerder, vertegenwoordigd door eerdergenoemde gemachtigden, zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Awb is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 8:73a

1. Ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 veroordelen tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verzoekster is eigenaar van het verenigingsgebouw “Beatrix”, waarin Café de Kolk tot 1 november 2007 was gevestigd en werd geëxploiteerd. In dit verband bestond tussen verzoekster en de vennootschap onder firma “Beatrix” tot 30 april 2006 een huurovereenkomst.

- Op 6 december 2005 heeft de burgemeester van Nieuwkoop aan Café de Kolk te Woerdense Verlaat krachtens de artikelen 30b en 30c van de Wet op de kansspelen een vergunning verleend voor het aanwezig hebben van twee speelautomaten gedurende het jaar 2006.

- Op 5 maart 2007 heeft verweerder de daartegen door verzoekster tijdig ingebrachte bezwaren ongegrond verklaard.

- Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster op 19 april 2007 beroep ingesteld.

- Op 1 november 2007 heeft verweerder onder meer de aan Café de Kolk verleende vergunning voor het aanwezig hebben van twee speelautomaten voor het jaar 2006 ingetrokken omdat de bedrijfsvoering per 1 november 2007 door Café de Kolk is gestaakt.

- Bij brief van 30 januari 2008 heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en heeft zij op grond van de artikelen 8:73a en 8:75a Awb verzocht om vergoeding van schade en de gemaakte proceskosten.

3. Het standpunt van verweerder

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij met de intrekking van de vergunning niet aan verzoekster is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:73a Awb. Er bestaat geen relatie tussen de gronden van het beroep en de intrekking van de vergunning, aangezien de intrekking heeft plaatsgevonden omdat de exploitant van Café de Kolk te kennen heeft gegeven de bedrijfsvoering per 1 november 2007 te staken. Subsidiair betoogt verweerder dat verzoekster de gestelde schade, waaronder de imagoschade voor het verenigingsgebouw, niet aannemelijk heeft gemaakt en dat er geen schade is. Tot slot stelt verweerder dat de door verzoekster gestelde schade geen verband houdt met de vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten, maar eerder het gevolg is van voormelde huurovereenkomst, die verzoekster zelf heeft gesloten.

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster stelt, samengevat weergegeven, dat de door haar geleden materiële en immateriële schade dient te worden vergoed omdat verweerder door het intrekken van voormelde vergunning aan haar beroep is tegemoetgekomen. In verband met de door haar gestelde immateriële schade betoogt zij dat door de handelwijze van de gemeente, waaronder het ten onrechte verlenen van een vergunning voor het aanwezig hebben van speelautomaten, haar gebouw is verloederd, de bezoekers zijn weggebleven en het verenigingsleven ernstige schade heeft opgelopen. Verzoekster is van mening dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Ter zitting heeft verzoekster het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten op grond van 8:75a Awb ingetrokken, omdat verweerder bereid is deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht te vergoeden.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Het College ziet zich geplaatst voor de vraag of de belangen van verzoekster, in de zin van artikel 1:2, derde lid, Awb rechtstreeks betrokken waren bij het door haar bestreden besluit, aangezien onder de indiener van het beroepschrift, als bedoeld in artikel 8:73a, eerste lid, Awb, dient te worden verstaan de indiener van een ontvankelijk beroepschrift. De statutaire doelstelling van verzoekster betreft het stichten en in stand houden van een verenigingsgebouw, ter bevordering van de christelijke levensactie in het algemeen en zij tracht dit doel te bereiken door onder meer het exploiteren van het gestichte verenigingsgebouw in de ruimste zin des woords. Gelet hierop is het College van oordeel dat verzoekster als belanghebbende is aan te merken, aangezien niet uit te sluiten is dat het in de doelstelling omschreven belang kan worden geraakt door het aan Café de Kolk verlenen van een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in het verenigingsgebouw.

5.2 Ten aanzien van het betoog van verzoekster dat door middel van de intrekking van de vergunning aan haar beroep is tegemoet gekomen, als bedoeld in artikel 8:73a, eerste lid, Awb, overweegt het College dat in dit geval geen verband valt te leggen tussen de beroepsgronden en de intrekking van het in bezwaar bestreden besluit. De intrekking van de vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten gedurende het jaar 2006 op 1 november 2007, wat daar ook van zij, heeft immers plaatsgevonden naar aanleiding van het staken van de exploitatie van Café de Kolk en niet naar aanleiding van het beroep van verzoekster. Het in beroep bestreden besluit op bezwaar is niet ingetrokken. Voor zover verzoekster betoogt dat de vergunning ten onrechte is verleend en dat zonder deze vergunning de door haar ongewenst geachte situatie zich niet zou hebben voorgedaan, overweegt het College dat hiermee geen relatie is aangetoond tussen de intrekking van deze vergunning en haar beroepsgronden. Het College merkt in dit verband nog op dat de aard van de in artikel 8:73a Awb vervatte procedure, die juist wordt gekenmerkt door de intrekking van het beroep, met zich brengt dat de verlening van de vergunning als zodanig niet meer aan de orde kan worden gesteld. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat voor een veroordeling tot vergoeding van de door verzoekster gestelde schade op grond van artikel 8:73a Awb geen aanleiding bestaat.

5.3 Gelet op het voorgaande wijst het College het verzoek af.

6. De beslissing

Het College wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Kegge