Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3424

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 09/900
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling overig; Verordening subsidieverlening terugdringing salmonella (PPE) 2008; geen subsidie wegens te laat indienen aanvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/900 3 mei 2010

6004 Regeling overig

Verordening subsidieverlening terugdringing salmonella (PPE)

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: D, werkzaam bij Belastingadviesbureau D te C,

tegen

het Productschap Pluimvee en Eieren, verweerder,

gemachtigde: mr. A.F. Ordogh, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 26 juni 2009, bij het College binnengekomen op 8 juli 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juni 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 18 maart 2009, waarbij verweerder de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van de Verordening subsidieverlening terugdringing Salmonella (PPE) 2008 (hierna: de Verordening) heeft afgewezen.

Bij brief van 6 augustus 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 24 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellante niemand is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Verweerder heeft bij besluit van 18 maart 2009 de aanvraag van appellante voor subsidie voor de aanschaf van vaccins als bedoeld in artikel 7 van de Verordening (hierna: de subsidie) afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.

2.2 Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In verband met de overplaatsing van een koppel gevaccineerde leghennen naar het leghennenbedrijf van appellante op 15 oktober 2008 heeft zij met het door haar op 2 december 2008 getekende aanvraagformulier de subsidie aangevraagd. Dit formulier is door haar op zaterdag 13 december 2008 op de brievenbus gedaan. Normaal gesproken had het dus op maandag 15 december bij verweerder bezorgd moeten zijn.

Verweerder stelt dat het formulier bij hem op woensdag 17 december 2008 is ontvangen. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen op grond van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening, omdat deze niet tijdig zou zijn ingediend.

Appellante meent dat het op 13 december 2008 ter post bezorgde aanvraagformulier met hantering van de verzendtheorie tijdig is ingediend. Met zijn stelling dat de bepalingen in de Verordening van doorslaggevende betekenis zijn en deze bepalingen geen ruimte laten voor de verzendtheorie, verwerpt verweerder ten onrechte de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin de ontvangsttheorie de hoofdregel is en waarop een uitzondering wordt gemaakt bij tijdige verzending per post binnen Nederland. Bepalingen uit de Awb hebben voorrang op de bepalingen uit de Verordening.

Verweerders stelling dat subsidieaanvragen door hem tijdig bij de Europese Commissie moeten worden ingediend en dat niet tijdige inlevering van de aanvragen tot kortingen kan leiden die alle subsidieaanvragers kunnen treffen, kan nooit een argument zijn om de ontvangsttheorie te laten prevaleren boven de verzendtheorie.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op 17 december 2008 bij hem ontvangen aanvraagformulier niet tijdig is ontvangen. Artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt immers dat de subsidie slechts wordt verleend indien de voorzitter heeft vastgesteld dat de aanvraag uiterlijk binnen twee maanden nadat de gevaccineerde leghennen zijn overgeplaatst bij verweerder ontvangen had moeten zijn. Nu de leghennen op 15 oktober 2008 zijn overgeplaatst had de aanvraag dus uiterlijk op 15 december 2008 bij verweerder ontvangen moeten zijn. Dat de te laat ingediende aanvraag dient te worden afgewezen vloeit rechtstreeks voort uit evengenoemde bepaling van de Verordening. De in artikel 6:9 van de Awb tot uitdrukking gebrachte verzendtheorie is, anders dan appellante meent, niet van toepassing op de onderhavige subsidieaanvraag.

Het staat verweerder vrij om in de Verordening de ontvangsttheorie als uitgangspunt te kiezen. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat de gehanteerde termijn van twee maanden ruim voldoende is om een aanvraag als de onderhavige in te dienen.

2.4 Het College overweegt als volgt.

In artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening is bepaald dat de subsidie slechts wordt verleend indien de voorzitter heeft vastgesteld dat de aanvraag voor subsidie door verweerder is ontvangen binnen twee maanden nadat de gevaccineerde leghennen zijn overgeplaatst naar het leghennenbedrijf. De overplaatsing heeft blijkens het aanvraagformulier plaatsgevonden op 15 oktober 2008, zodat de aanvraag op uiterlijk 15 december bij verweerder had moeten zijn ontvangen.

De aanvraag is volgens verweerder op 17 december 2008 bij hem ontvangen. Deze datum stemt overeen met de op het aanvraagformulier afgestempelde ontvangstdatum. Het College heeft, mede gelet op de door verweerder ter zitting gegeven uiteenzetting over de wijze waarop binnenkomende poststukken bij hem worden verwerkt, geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van deze ontvangstdatum. Appellante heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat van een andere ontvangstdatum moet worden uitgegaan. Het enkele feit dat appellante stelt dat het aanvraagformulier op zaterdag 13 december 2008 ter post is bezorgd en daarom op maandag 15 december bij verweerder had moeten zijn binnengekomen, is hiertoe onvoldoende.

Nu op grond van het vorenstaande als vaststaand moet worden aangenomen dat de aanvraag niet binnen de in artikel 7, derde lid, onder b, van de Verordening genoemde termijn is ontvangen, was verweerder op grond van dat artikel gehouden om deze aanvraag af te wijzen.

Met haar stellingen omtrent de Awb heeft appellante kennelijk een beroep willen doen op de in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb vervatte verzendtheorie. Het beroep van appellante op die bepaling kan haar niet baten, nu een dergelijke bepaling (die in artikel 6:9, tweede lid, is gegeven in afwijking van de in het eerste lid, geformuleerde eis van ontvangst binnen de bezwaar- en beroepstermijn) niet is opgenomen in de regelgeving die in het onderhavige geval van toepassing is.

2.5 Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd kan evenmin afbreuk doen aan de op verweerder rustende wettelijke verplichting tot afwijzing van de door appellante niet tijdig ingediende subsidieaanvraag.

2.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2010.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. F.W. du Marchie Sarvaas