Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3324

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 07/339 AWB 07/340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet diervoeders, toevoegingsmiddelen, maatregel terugzending buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap, communautaire vergunningprocedure, Verordening (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 178/2002, artikel 5, evenredigheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/339 en 07/340 31 maart 2010

11190 Kaderwet diervoeders

Uitspraak in de zaken van:

Pricor B.V./Vitamex N.V., te Oudewater, appellante,

gemachtigde: mr. R. van Eck, advocaat te Groenlo,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 5 april 2007 heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen een besluit van 31 maart 2006 en twee besluiten van 1 juni 2006. In genoemde primaire besluiten heeft verweerder appellante op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kaderwet diervoeders de maatregel opgelegd dat de voor import in Nederland aangeboden partij Salinomycine 12% granular terug moet worden gezonden buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap.

Bij besluit van eveneens 5 april 2007 heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen een besluit van 1 juni 2006, waarin verweerder appellante op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kaderwet diervoeders de maatregel heeft opgelegd dat de voor import in Nederland aangeboden partij Flavophospholipol 8% terug moeten worden gezonden buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap.

Appellante heeft bij brief van 15 mei 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, afzonderlijk beroep ingesteld tegen de twee hiervoor genoemde besluiten van 5 april 2007.

Bij brief van 19 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, onder overlegging van op de zaken betrekking hebbende stukken.

Op 15 oktober 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Van de zijde van appellante is voorts verschenen A, werkzaam bij appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Kaderwet diervoeders, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald:

"Artikel 16

1. Het brengen in of buiten Nederland van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders is verboden.

2. Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet indien de toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders voldoen aan de met het oog op het in of buiten Nederland brengen door Onze Minister gestelde eisen.

3. De in het tweede lid bedoelde eisen kunnen betrekking hebben op:

(...)

d. andere onderwerpen, voorzover voortvloeiende uit:

- een communautaire maatregel (...).

Artikel 27

1. Met betrekking tot binnen Nederland te brengen toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels en diervoeders die niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of de gezondheid van mens of dier of het milieu in gevaar kunnen brengen kan Onze Minister maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer inhouden dat deze producten voor rekening van de verzender of diens gemachtigde dan wel de importeur en met inachtneming van de aanwijzingen van Onze Minister worden:

a. teruggezonden buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap (...)."

In de Regeling diervoeders, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald:

"Artikel 81

De eisen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet zijn:

(...)

c. het bepaalde in:

(...)

2°. de artikelen 11, 12, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18 en 20 van verordening (EG) nr. 178/2002;

(...)

5°. verordening (EG) nr. 1831/2003 (...)."

In artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG), thans, na wijziging, artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU), was het volgende bepaald:

"De Gemeenschap handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden en toegewezen doelstellingen.

Op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, treedt de Gemeenschap, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt.

Het optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken."

In Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (hierna: Verordening (EG) nr. 178/2002), voor zover hier van belang, is het volgende bepaald:

"Artikel 3

Overige definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

(...)

8. „in de handel brengen”: het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf.

Artikel 11

In de Gemeenschap ingevoerde levensmiddelen en diervoeders

Levensmiddelen en diervoeders die in de Gemeenschap worden ingevoerd om er in de handel te worden gebracht, dienen te voldoen aan de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving dan wel aan de voorschriften die door de Gemeenschap als ten minste gelijkwaardig daaraan zijn aangemerkt, of, ingeval er een specifieke overeenkomst tussen de Gemeenschap en het land van uitvoer bestaat, aan de voorschriften daarvan.”

In de preambule bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (hierna: Verordening (EG) nr. 1831/2003) is onder meer als volgt overwogen:

"Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37 en artikel 152, lid 4, onder b),

(...)

(5) Een van de beginselen van het communautaire recht, als vastgelegd in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (...), is dat levensmiddelen en diervoeders die in de Gemeenschap worden ingevoerd om er in de handel te worden gebracht, dienen te voldoen aan de toepassel?ke voorschriften van de communautaire levensmiddelenwetgeving dan wel aan de voorschriften die door de Gemeenschap als ten minste gel?kwaardig daaraan z?n aangemerkt. Het is daarom noodzakel?k dat voor de invoer uit derde landen van toevoegingsmiddelen voor diervoeding voorschriften gelden die gel?kwaardig z?n aan de voorschriften voor in de Gemeenschap geproduceerde toevoegingsmiddelen."

In Verordening (EG) nr. 1831/2003, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald:

“Artikel 2

Definities

1. Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van „diervoeder”, „diervoederbedr?f”, „exploitant van een diervoederbedr?f”, „in de handel brengen” en „traceerbaarheid” van Verordening (EG) nr. 178/2002.

2. Verder wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder:

a) „toevoegingsmiddelen”: stoffen, micro-organismen of preparaten die geen voedermiddelen noch voormengsels z?n en die opzettel?k aan diervoeder of water worden toegevoegd met name met het oog op een of meer van de in artikel 5, lid 3, vermelde functies;

(...)

i) „antimicrobiële stoffen”: stoffen die hetz? synthetisch, hetz? op natuurl?ke w?ze worden geproduceerd en die worden gebruikt om micro-organismen, onder andere bacteriën, virussen of schimmels, alsook parasieten, in het b?zonder protozoa, te doden of hun groei te remmen;

j) „antibioticum”: een door een micro-organisme geproduceerde of daarvan afkomstige antimicrobiële stof die andere micro-organismen vernietigt of hun groei remt;

k) „coccidiostatica” en „histomonostatica”: stoffen bedoeld om protozoa te doden of hun groei te remmen (...)

Artikel 3

In de handel brengen, verwerking en gebruik

1. Niemand mag een toevoegingsmiddel in de handel brengen, gebruiken of verwerken, tenz?:

a) daarvoor overeenkomstig deze verordening een vergunning is verleend;

b) wordt voldaan aan de voorwaarden als vervat in deze verordening, met inbegrip van, tenz? anders bepaald in de vergunning, de algemene voorwaarden van b?lage IV, en in de vergunning voor de stof,

en

c) wordt voldaan aan de etiketteringsvoorschriften als vervat in deze verordening.

(...)

4. Tenz? anders bepaald is het mengen van toevoegingsmiddelen voor diervoeding die rechtstreeks aan de eindverbruiker worden verkocht, toegestaan, wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor gebruik die z?n vastgelegd in de vergunning voor elk toevoegingsmiddel afzonderl?k. Derhalve is voor het mengen van toegestane toevoegingsmiddelen geen specifieke vergunning vereist, mits voldaan is aan het bepaalde in Richtl?n 95/69/EG van de Raad (...)

Artikel 4

Vergunningverlening

1. Eenieder die een vergunning voor een toevoegingsmiddel of voor een nieuw gebruik van een toevoegingsmiddel wenst te verkr?gen, dient daartoe een aanvraag in overeenkomstig artikel 7.

2. Een vergunning mag slechts worden verleend, geweigerd, verlengd, gew?zigd, geschorst of ingetrokken om de redenen en volgens de procedures die z?n vastgelegd in deze verordening (...)

Artikel 5

Voorwaarden voor vergunningverlening

(...)

4. Andere antibiotica dan coccidiostatica of histomonostatica mogen als toevoegingsmiddel niet worden toegelaten.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op respectievelijk 22 maart 2006, 30 maart 2006 en 20 april 2006 heeft Port Support Customs Holland B.V. aan de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA) afzonderlijke partijen Salinomycine 12% granular aangeboden voor invoer in Nederland.

- Op 6 april 2006 heeft Port Support Customs Holland B.V. aan VWA een partij Flavophospholipol 8% aangeboden voor invoer in Nederland.

- Alle hiervoor genoemde partijen zijn afkomstig uit China en zouden hier te lande door appellante worden ontvangen en verwerkt.

- In de hiervoor genoemde besluiten van 31 maart 2006 en 1 juni 2006 heeft verweerder de op appellante opgelegde maatregel gebaseerd op artikel 16, eerste en tweede lid, van de Kaderwet diervoeders en artikel 81, aanhef en onderdeel c, sub 5º, van de Regeling Diervoeders.

- Tegen het besluit van 31 maart 2006 heeft appellante bij brief van 9 mei 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 juni 2006 heeft appellante de gronden van dit bezwaar aangevuld.

- Tegen de hiervoor genoemde besluiten van 1 juni 2006 heeft appellante bij afzonderlijke brieven van 10 juli 2006 bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft appellante onder meer aangevoerd dat zij salinomycine en flavophospholipol hier te lande wil verwerken in premixen voor de uitvoer naar Belize. In dit verband heeft appellante een verklaring van 27 augustus 2006 van de Belizaanse autoriteiten overgelegd waarin is vermeld dat het gebruik van de “veterinary drugs” salinomycine en flavophospholipol in Belize is toegestaan.

- Bij brief van 6 september 2006 heeft VWA aan verweerders Dienst Regelingen haar zienswijze gegeven op het bezwaar van appellante.

- Op 11 oktober 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij afzonderlijke, op respectievelijk salinomycine en flavophospholipol betrekking hebbende, bestreden besluiten heeft verweerder in vrijwel gelijkluidende bewoordingen de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en dienaangaande, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

Salinomycine en flavophospholipol kunnen slechts worden ingevoerd indien daarvoor een vergunning is verleend. Ten tijde hier van belang was dat voor Salinomycine 12% granular en Flavophospholipol 8% niet het geval. Niet van belang is of salinomycine al dan niet als coccidiostaticum moet worden gezien.

Artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002 is in dit geval niet van toepassing, omdat deze bepaling slechts ziet op het uitgevoerde of wederuitgevoerde product dat in een derde land in de handel wordt gebracht. Appellante wilde deze stoffen binnen de Gemeenschap in de handel brengen, waardoor het invoerverbod van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van toepassing is.

Het door appellante aangehaalde overleg over de voorwaarden uit artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ging expliciet over de uitleg van de voorwaarden waaronder de producten konden worden uitgevoerd en niet over de invoer van de grondstoffen onder artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

Voor zover appellante van mening is dat het invoerverbod van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002, in samenhang met artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in strijd is met artikel 5 EG, wijst verweerder erop dat hij niet de bevoegdheid heeft om Europese regelgeving eenzijdig buiten toepassing te verklaren voor het grondgebied van Nederland.

Voorts zijn de primaire besluiten niet genomen op grond van een volledig invoerverbod van salinomycine respectievelijk flavophospholipol als antibiotica, maar op grond van het in Verordening (EG) nr. 1831/2003 opgenomen verbod van het zonder vergunning gebruiken van deze stoffen als toevoegingsmiddel in diervoeding. Enkel op basis van de stelling dat deze stoffen in medicijnen zitten of in producten zitten die in de Gemeenschap worden ingevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat dit middel in dit geval moet worden toegelaten.

Ten slotte zijn de primaire besluiten voldoende voorbereid, omdat VWA op grond van het importcertificaat heeft mogen concluderen dat de salinomycine respectievelijk flavophospholipol niet als coccidiostaticum binnen de Gemeenschap zou worden gebracht. Een eventueel motiveringsgebrek in de primaire besluiten is met deze besluiten hersteld.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 is in dit geval niet van toepassing, omdat deze bepaling ziet op diervoeders die worden geïmporteerd in de Gemeenschap om er in de handel te worden gebracht, terwijl hier geen sprake is van het in de Gemeenschap in de handel brengen. Dit wordt ondersteund door artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002. Deze bepaling staat immers export toe uit de Gemeenschap van producten die niet aan de hier geldende regelgeving voldoen, maar wel aan de regelgeving van het land van bestemming. In het kader van artikel 12 heeft overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag, waaruit is voortgevloeid dat diervoeders waarin flavophospholipol en salinomycine is verwerkt, geëxporteerd kunnen worden. Het zou dan ook onbegrijpelijk zijn het importeren van deze stoffen met het oog op de export te verbieden. Bovendien spreekt artikel 12 uitdrukkelijk van een wederuitgevoerd product, hetgeen betekent dat het product eerst ingevoerd dient te zijn.

Aangezien artikel 11 van de Verordening (EG) nr. 178/2002 in dit geval niet van toepassing is, geldt dit ook voor de op dat artikel gebaseerde Verordening (EG) nr. 1831/2003.

Verweerders standpunt dat flavophospholipol respectievelijk salinomycine slechts kan worden ingevoerd met een vergunning die ten tijde van het bestreden besluit niet aanwezig was, heeft appellante gemotiveerd bestreden. De bestreden besluiten zijn dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

Artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet in een totaal verbod op het gebruik van zogenaamde antimicrobiële groeibevorderaars, hetgeen in strijd is met het in artikel 5 EG neergelegde evenredigheidsbeginsel en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 november 1990, C-331/88, Fedesa (<www.rechtspraak.nl>, LJN: BF2980). Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat flavophospholipol en salinomycine ook binnen de Europese Gemeenschap verkrijgbaar zijn en dat export van diervoerders, waarin deze stoffen zijn verwerkt, buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap toegestaan is op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002. Met een systeem van tracking en tracing is een eenvoudig verbod van gebruik van de betreffende stoffen in diervoeders binnen de Europese Gemeenschap zeer goed handhaafbaar.

5. Het nadere standpunt van verweerder

Voor zover hier van belang heeft verweerder in zijn verweerschrift het volgende aangevoerd.

Artikel 11 van Verordening nr. 178/2002 sluit de mogelijkheid van invoer (en dus wederuitvoer) geenszins uit. Dit artikel geeft slechts voorwaarden bij de invoer en het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders.

Toevoegingsmiddelen die in de handel mogen worden gebracht worden opgenomen in een repertorium. Dit repertorium mag op grond van artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 na 31 december 2005 geen andere antibiotica dan coccidiostatica en histomonostatica bevatten. Dit betekent echter niet dat alle coccidiostatica die als toevoegingsmiddel worden gebruikt in de handel worden gebracht; hiervoor is een vergunning nodig. Van een totaal verbod op antimicrobiële groeibevorderaars is dus geen sprake.

Ten slotte is in de bestreden besluiten deugdelijk gemotiveerd waarom Verordening (EG) nr. 1831/2003 in dit geval van toepassing is.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Aan de orde is de vraag of verweerder terecht heeft besloten appellante onderhavige maatregelen op te leggen tot terugzending van de voor invoer aangeboden partijen salinomycine en flavophospholipol buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap (lees: Europese Unie). Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

6.2.1 Verweerder heeft aan de maatregelen ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a) van Verordening (EG) nr. 1831/2003. Hierin is opgenomen een verbod voor eenieder om toevoegingsmiddelen in de handel te brengen, te gebruiken of te verwerken, indien daartoe geen (communautaire) vergunning is verleend. Het College overweegt dat de gedragingen van appellante onder de reikwijdte van dit verbod vallen, aangezien vaststaat dat zij de partijen salinomycine en flavophospholipol als toevoegingsmiddelen hier te lande wilde verwerken in zogenaamde premixen voor diervoeders en hiervoor geen vergunning had.

Appellantes betoog dat Verordening (EG) nr. 1831/2003 is gebaseerd op artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002, en derhalve evenmin als het invoerverbod van dat artikel hier van toepassing is, is reeds onjuist omdat Verordening (EG) nr. 1831/2003 haar eigen grondslag in het Verdrag heeft, te weten in de artikelen 37 en 152 EG, en derhalve zelfstandig van betekenis is. Het College neemt hierbij in aanmerking dat, zoals blijkt uit artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in deze verordening specifiek een communautaire procedure is vastgesteld voor de verlening van een vergunning voor het in de handel brengen en het gebruik van toevoegingsmiddelen in diervoeder. In het licht van het vorenstaande heeft naar het oordeel van het College de eerste volzin van overweging 5 in de preambule bij Verordening (EG) nr. 1831/2003, waarin is verwezen naar de inhoud van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 als één van de beginselen van het communautaire recht, niet de betekenis die appellante kennelijk daaraan hecht. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat op grond van artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 definities uit Verordening (EG) nr. 178/2002 gelden.

Aangezien de toepasselijkheid van Verordening (EG) nr. 1831/2003 niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of de invoerbepaling van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 hier van toepassing is, biedt het verwerkingsverbod van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a), van eerstgenoemde verordening op zich zelf reeds voldoende rechtsgrondslag aan het bestreden besluit. Het College kan en zal daarom voorbijgaan aan de stelling van appellante dat artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 hier toepassing mist.

6.2.2 Met het beroep dat appellante heeft gedaan op het arrest Fedesa (hiervoor in rubriek 4 aangehaald) heeft appellante kennelijk willen betogen dat een absoluut verbod van de onderhavige toevoegingsmiddelen zowel ongeschikt als niet nodig is ter verwezenlijking van de gestelde doeleinden, en derhalve een schending vormt van het evenredigheidsbeginsel.

Met betrekking tot de partijen salinomycine wijst het College erop dat het daar gaat om een specifiek antibioticum, te weten een coccidiostaticum waarvoor, gelet op artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, een uitzondering geldt op de uitsluiting van antibiotica van de mogelijkheid van verlening van de ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a) van deze verordening vereiste vergunning voor verwerking van dit toevoegingsmiddel. Het betoog van appellante faalt reeds omdat zij geen aanvraag voor zodanige vergunning heeft gedaan. Een eventuele weigering op een toekomstige aanvraag van appellante staat in dit geding niet ter beoordeling en derhalve evenmin de vraag of een zodanige weigering wijst op een absoluut verbod om salinomycine te verwerken.

Met betrekking tot de partij flavophospholipol - waarvoor de in artikel 5, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 gemaakte uitzondering niet geldt - overweegt het College als volgt.

In het arrest Fedesa heeft het Hof van Justitie in de overwegingen waar appellante zich kennelijk op heeft willen beroepen, vooropgesteld dat de gemeenschapswetgever ter zake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, hetgeen meebrengt dat de rechterlijke toetsing op dit punt beperkt blijft tot de vraag of de door de gemeenschapswetgever getroffen maatregel "kennelijk ongeschikt" is ter bereiking van het nagestreefde doel. Dat een algemeen geldend verwerkingsverbod van flavophospholipol kennelijk ongeschikt zou zijn om de veiligheid en gezondheid van levensmiddelen en diervoeders te waarborgen, is door appellante op geen enkele wijze onderbouwd. Appellante heeft volstaan met de enkele stelling dat met een handels- en importverbod het beoogde doel niet bereikt kan worden.

Dat, naar appellante tevens heeft aangevoerd, een zodanig verwerkingsverbod niet nodig zou zijn, omdat hetzelfde effect met een stelsel van "tracking and tracing" behaald kan worden, gaat er aan voorbij dat het Hof van Justitie in bedoelde overwegingen een vergelijkbaar argument heeft verworpen waarbij het onder meer in aanmerking heeft genomen dat elk stelsel van gedeeltelijke toelating kostbare controlemaatregelen vereist, waarvan de doeltreffendheid niet is gegarandeerd.

De conclusie moet zijn dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Voor het stellen van prejudiciële vragen dienaangaande ziet het College derhalve geen aanleiding.

6.2.3 Mede in het licht van het vorenoverwogene kan het betoog van appellante dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid of onvoldoende gemotiveerd naar het oordeel van het College evenmin slagen.

6.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond zijn.

6.4 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. S.D.M. Michael