Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3278

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 08/630
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/630 21 april 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Lamain-Nuijen en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 21 augustus 2008, bij het College binnengekomen op 26 augustus 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 augustus 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 12 juni 2007, waarbij verweerder appellants bedrijfstoeslag voor het jaar 2006 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna; de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 6 november 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 17 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De regelgeving, voor zover en ten tijde hier van belang, luidt als volgt.

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers:

"Artikel 34

Toepassing

(…)

2. De landbouwers dienen hun aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in vanaf een door de lidstaten vast te stellen datum, maar uiterlijk op 15 mei.

(…)

3. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 40, lid 4, worden geen toeslagrechten toegekend aan de in artikel 33, lid 1, onder a) en b), bedoelde landbouwers en aan landbouwers die toeslagrechten uit de nationale reserve krijgen, indien zij uiterlijk op 15 mei van het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling geen aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling indienen.

(…)"

Artikel 12 van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers:

"Aanvragen

(…)

4. De in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling toe te wijzen toeslagrechten worden slechts definitief vastgesteld, indien een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling is ingediend overeenkomstig artikel 34, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

(…)

7. Een lidstaat mag beslissen dat de in lid 4 bedoelde aanvraag tot definitieve vaststelling van de toeslagrechten op hetzelfde moment mag worden ingediend als de aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling."

Artikel 21 bis van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad:

"Te late indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling

(…)

2. Indien in de betrokken lidstaat de aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling en de verzamelaanvraag elk afzonderlijk moeten worden ingediend, is voor de indiening van de verzamelaanvraag het bepaalde in artikel 21 van de onderhavige verordening van toepassing.

Onverminderd gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 34, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geldt in dat geval dat, indien een in dat lid bedoelde aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling na de desbetreffende termijn wordt ingediend, een verlaging met 3 % per werkdag wordt toegepast op de bedragen die in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling op basis van de aan de landbouwer toe te wijzen toeslagrechten moeten worden betaald.

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen en worden aan de landbouwer geen toeslagrechten toegewezen."

De considerans van Verordening (EG) nr. 796/2004 vermeldt onder meer:

"Inachtneming van de termijnen voor de indiening van de steunaanvragen, wijzigingen van de verzamelaanvragen en de bewijsstukken, contracten of aangiften is absoluut noodzakelijk om de nationale overheidsdiensten in staat te stellen doeltreffende controles op de juistheid van van de steunaanvragen te programmeren en vervolgens uit te voeren. Daarom moet worden bepaald binnen welke termijnen een te late indiening nog aanvaardbaar is. Bovendien moeten kortingen worden toegepast om de landbouwers ertoe aan te zetten de termijnen in acht te nemen."

De Regeling:

"Artikel 11

1. De landbouwer dient uiterlijk op 15 mei 2006 de aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten in op een daartoe vastgesteld aanvraagformulier.

(…)

5. De verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55, eerste lid, wordt tevens aangemerkt als aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten, bedoeld in het eerste lid, indien de landbouwer deze laatste aanvraag niet dan wel na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn heeft ingediend, mits uit de verzamelaanvraag onomstotelijk de wens van de landbouwer blijkt om voor toekenning van toeslagrechten in aanmerking te komen.

6. Voor de toepassing van deze regeling wordt de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten, bedoeld in het vijfde lid, behandeld als een aanvraag die is ontvangen op 9 juni 2006."

Het vijfde en zesde lid van artikel 11 zijn toegevoegd bij Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 maart 2007, nr. TRCJZ/2007/972, houdende wijziging van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 en zij werken terug tot en met 1 april 2006. De toelichting bij deze wijziging van de Regeling vermeldt onder meer:

"Met de onderhavige wijziging wordt in de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 een voorziening ingevoegd die inhoudt dat als er geen initiële aanvraag is, maar wel een gecombineerde data-inwinning (GDI) waaruit onomstotelijk de wens van de landbouwer blijkt om voor toeslagrechten in aanmerking te komen, de GDI tevens aangemerkt wordt als een aanvraag toeslagrechten. Ook indien de initiële aanvraag te laat is ingediend, wordt de GDI tevens aangemerkt als een aanvraag om toeslagrechten. Met deze voorziening wordt voorkomen dat landbouwers waarvan uit de GDI blijkt dat zij toeslagrechten wilden hebben tot in lengte van dagen door het ontbreken van een initiële aanvraag van bedrijfstoeslag zijn uitgesloten. Dit sluit aan bij de in artikel 12, zevende lid, van verordening 795/2004 opgenomen mogelijkheid om de aanvraag uitbetaling voor 2006 en de initiële aanvraag te integreren."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft van appellant op 16 mei 2006 het formulier Gecombineerde opgave 2006 ontvangen. Met dit formulier heeft appellant onder meer te kennen gegeven dat hij zijn toeslagrechten in het jaar 2006 wenst te gebruiken.

- Bij besluit van 2 maart 2007 heeft verweerder voor appellant 4,79 gewone toeslagrechten vastgesteld met een totale waarde van € 1875,05.

- Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2006 vastgesteld op € 619,81. Daarbij is perceel 2 afgewezen en zijn kortingen van 4% (modulatiekorting) en 51% (korting vanwege het niet indienen van de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten) toegepast.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 juni 2007 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 9 november 2007 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is perceel 2 alsnog voor bedrijfstoeslag in aanmerking gebracht en is de bedrijfstoeslag, na toepassing van de eerdergenoemde kortingen van 4% en 51%, vastgesteld op € 860,12. Verweerders beslissing tot handhaving van de korting van 51% is, samengevat weergegeven, als volgt gemotiveerd.

Appellant kon tot uiterlijk 15 mei 2006 een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten indienen. Vanaf die datum gold een kortingsperiode tot 9 juni 2006. Van appellant is geen aanvraag tot vaststelling toeslagrechten ontvangen. Hij heeft geen bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat de aanvraag tijdig is verzonden.

Uit de Europese en nationale regelgeving vloeit voort dat de aanvraag bij te late indiening moet worden afgewezen. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt in het geval tijdig een Gecombineerde opgave 2006 is ingediend, waarin is aangegeven dat men zijn toeslagrechten wil gebruiken. Hieruit blijkt immers dat de aanvrager wel de intentie had toeslagrechten aan te vragen. Wel wordt, als gevolg van artikel 11, vijfde en zesde lid, van de Regeling, een korting toegepast, gelijk aan de korting die de aanvrager had gekregen indien hij op de laatste dag van de kortingsperiode (9 juni 2006) een aanvraag had ingediend.

De kortingsperiode liep van 16 mei tot en met 9 juni 2006 en de korting per werkdag bedraagt 3%. Als gevolg hiervan is de bedrijfstoeslag terecht gekort met in totaal 51%.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft het volgende aangevoerd.

Zijn aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten is op 8 mei 2006 getekend en aan verweerder opgestuurd. Deze moet dus tijdig bij verweerder zijn aangekomen. Daarbij komt dat appellant voor meerdere landbouwers in de grensstreek aanvragen heeft ingevuld en het raar is dat deze aanvragen wel zijn aangekomen en zijn aanvraag niet.

In het bestreden besluit stelt verweerder dat hij bij brief van 6 mei 2006 de ontvangst op 16 mei 2006 heeft bevestigd van de Gecombineerde opgave 2006. Dit is onmogelijk.

Na de hoorzitting op 9 november 2007 heeft het nog tot 11 augustus 2008 geduurd voor verweerder op het bezwaar heeft beslist. De normale termijn voor het beslissen op een bezwaarschrift is zes weken. Er is nimmer een brief over een mogelijke verlenging van de termijn gestuurd.

Appellant verzoekt alsnog om volledige uitbetaling van zijn bedrijfstoeslag.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of appellant tijdig een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten heeft ingediend.

Uit de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 11 november 2004 in de zaak Maatschap Toeters en Verberk (C-170/03, Jur. 2004, blz. I-10945, punt 42-45) moet worden afgeleid dat een premieaanvraag voor landbouwsubsidies pas als tijdig ingediend kan worden beschouwd als deze vóór afloop van de termijn door het bevoegd gezag van de lidstaat is ontvangen.

Aangezien verweerder heeft gesteld dat hij geen aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten van appellant heeft ontvangen en appellant het tegendeel niet heeft aangetoond, kan rechtens niet worden geoordeeld dat appellant tijdig – dat wil zeggen vóór 16 mei 2006, dan wel uiterlijk op 9 juni 2006 (de laatste dag van de kortingstermijn) – een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten heeft ingediend.

De stellingen van appellant dat hij zijn aanvraag op 8 mei 2006 heeft ondertekend en vervolgens naar verweerder heeft verzonden en dat het raar is dat door hem verstuurde aanvragen van andere landbouwers uit de grensstreek wel zijn ontvangen en zijn aanvraag niet, bewijzen geen ontvangst van zijn aanvraag door verweerder.

Dat in het bestreden besluit is vermeld dat bij brief van 6 mei 2006 aan appellant is meegedeeld dat de Gecombineerde opgave 2006 op 16 mei 2006 is ontvangen, kan appellant evenmin baten. Verweerder heeft immers in het verweerschrift te kennen gegeven dat per abuis de verkeerde datum van de ontvangstbevestiging, 6 mei 2006 in plaats van 10 juni 2006, is vermeld. Ook overigens zegt de bedoelde vermelding in het bestreden besluit over de Gecombineerde opgave 2006 niets over de ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten door verweerder.

5.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat in een geval als het onderhavige, waarin geen aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten maar wel een aanvraag tot uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor 2006 is ontvangen, de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten geacht wordt op 9 juni 2006 te zijn ingediend en op de aanvraag tot uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor 2006 een korting van 51% wordt toegepast.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 januari 2010 (AWB 07/654, www.rechtspraak.nl LJN BM1535) stelt het College vast dat verweerder de bevoegdheid tot toepassing van de korting wegens termijnoverschrijding ontleent aan artikel 11, zesde lid, van de Regeling en oordeelt het College dat gesteld noch gebleken is dat deze bepaling onverbindend is of in het geval van appellant, die niet tijdig een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten heeft ingediend, toepassing mist.

Dit betekent dat verweerder terecht een korting van 51% (17 werkdagen met een korting van 3% per werkdag) heeft toegepast.

5.3 Appellant heeft voorts aangevoerd dat verweerder niet tijdig op zijn bezwaar heeft beslist. Het College overweegt dienaangaande dat artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet in een termijn van orde en dat geen wettelijk voorschrift valt aan te wijzen, dat bepaalt dat een besluit dat is genomen na afloop van die termijn, om deze reden niet in stand kan blijven. Appellant had ingevolge de artikelen 6:2 en 6:12 Awb beroep kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, maar hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet ten slotte geen grond voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas