Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3274

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
AWB 08/138
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling overig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/138 15 april 2010

7850 Regeling overig

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, zoon van appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Appellant heeft bij brief van 1 februari 2008, bij het College ontvangen op 5 februari 2008, beroep ingesteld tegen een op 27 december 2007 verzonden besluit van verweerder van 21 december 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen een tweetal hierna nader omschreven besluiten van 13 juni 2002 en 26 september 2006.

Op 7 april 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 24 september 2009 heeft het College aan verweerder twee vragen gesteld.

Verweerder heeft deze vragen bij brief van 16 december 2009 beantwoord.

Op 17 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 13 juni 2002 heeft verweerder aan appellant voor het jaar 2001 € 861,30 aan slachtpremie voor runderen verleend op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan appellant voor het jaar 2001 € 9936,80 aan slachtpremie voor runderen verleend op grond van Verordening (EG) nr. 117/2006 van de Commissie van 20 juli 2006 betreffende de slachtpremie en de extra betalingen in het kader van veterinaire maatregelen voor de slachting van dieren in Nederland.

2.2 Bij het thans bestreden besluit van 21 december 2007 heeft verweerder de bezwaren tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Het besluit is, samengevat weergegeven, als volgt gemotiveerd:

Appellant is het eens met het alsnog uitbetalen van slachtpremie, maar meent dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 juni 2001 tot en met de dag van betaling op 3 oktober 2006.

Om voor wettelijke rente in aanmerking te komen zou moeten vaststaan dat appellant reeds in 2001 recht had op slachtpremie voor de runderen waarvoor verweerder in 2006 een betaling heeft gedaan. Dit is niet het geval. Het recht op slachtpremie van appellant voor zijn in 2001 wegens MKZ op het slachthuis geruimde runderen vindt zijn grondslag in Verordening (EG) nr. 1117/2006. Er was geen grond om de betreffende runderen voor slachtpremie in aanmerking te brengen op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Daarmee staat vast dat appellant niet reeds sinds 2001 recht had op de hem in 2006 uitgekeerde premie. Appellant heeft dus geen recht op vergoeding van wettelijke rente.

2.3 Het College overweegt het volgende.

Van vergoeding van wettelijke rente kan eerst sprake zijn, indien verweerder aan appellant reeds bij het besluit van 13 juni 2002 slachtpremie op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 had moeten verlenen voor de runderen waarvoor bij besluit van 26 september 2009 slachtpremie op grond van Verordening (EG) nr. 117/2006 is verleend.

Ingevolge artikel 35 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappel?ke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, in verbinding met artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling dierlijke EG-premies moeten aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht door het betrokken abattoir aan het I&R-register.

Verweerder heeft in zijn reeds eerder genoemde brief van 16 december 2009 aan het College meegedeeld en ter zitting herhaald, dat voor de betrokken runderen geen slachtmeldingen zijn gedaan door het slachthuis. Appellant heeft ter zitting weliswaar gesteld maar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat wel slachtmeldingen zijn gedaan door het slachthuis. Het College gaat er daarom vanuit dat voor de betrokken runderen geen slachtmeldingen door het slachthuis, en daarmee geen aanvragen om slachtpremie, zijn gedaan. Dit brengt mee dat appellant voor deze runderen geen recht heeft op slachtpremie op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 en dientengevolge evenmin recht heeft op vergoeding van wettelijke rente.

Al hetgeen appellant overigens in beroep heeft aangevoerd, stuit hierop af en kan daarom verder onbesproken blijven.

2.4 De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2010.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas