Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3166

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
AWB 08/566
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Heffing; vakheffing boomkwekerijproducten; oplegging van naheffingen, na het verrichten van een bedrijfscontrole; de toeslag van 5%, waarmee de naheffingen zijn verhoogd, moet als bestemmingsheffing worden beschouwd; artikel 3:6, derde lid, van de Verordening Algemene Bepalingen 2003, waarin het opleggen van zodanige toeslag is geregeld, is onverbindend nu in strijd met artikel 126, vierde lid Wbo ministeriële goedkeuring ontbreekt; verweerder was niet bevoegd de naheffingen te verhogen met een toeslag van 5%

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/566 31 maart 2010

4241 Heffing

Vakheffing boomkwekerijproducten

Uitspraak in de zaak van:

Pioneer Gardens Inc., te Andijk, appellante,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij M&P/Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Bruin en mr. E.R. Kleijwegt, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 4 augustus 2008, bij het College binnengekomen op 5 augustus 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juli 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen een vijftal heffingsnota’s van 25 juli 2007, waarbij naheffingen zijn opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2005 op grond van de jaarlijks vastgestelde Verordening PT Vakheffing boomkwekerijproducten. Op de bezwaren tegen de heffingsnota over 2006 is uitdrukkelijk niet beslist.

Appellante heeft bij brief van 3 september 2008 de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 30 november 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 13 november 2009 heeft appellante nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 13 november 2009 heeft verweerder het College een op 13 november 2009 gedateerde gewijzigde beslissing op bezwaar toegezonden met bijbehorende stukken.

Op 25 november 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) luidt, voorzover van belang:

“Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging (…)”

Artikel 46, tweede lid, van de Grondwet luidt:

“2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. (…)”

Artikel 134 van de Grondwet luidt:

“1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.”

De Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt:

“Artikel 66

1. Voor twee of meer groepen van ondernemingen, die in het bedrijfsleven een verschillende functie vervullen ten aanzien van bepaalde produkten of groepen van produkten, kunnen openbare lichamen worden ingesteld, hoofdproduktschappen of produktschappen genaamd.

(…)

4. Hoofdprodukt- produkt-, hoofdbedrijf- en bedrijfschappen kunnen in deze wet en in andere wetten, alsmede in de daarop berustende bepalingen, gezamenlijk worden aangeduid als: bedrijfslichamen.

Artikel 67

De instelling van een bedrijfslichaam geschiedt, op voordracht van Onze betrokken Ministers, bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan, voorzover

- die onderwerpen of onderdelen niet bij het instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn ontrokken en

- de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:

(…)

e. onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein;

(…)

Artikel 126

1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld. (…)

3. Het instellingsbesluit kan regelen stellen omtrent de op te leggen heffingen.

4. Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven tevens de goedkeuring van Onze betrokken Ministers, indien zij dienen ter afzonderlijke financiering van een specifiek, bij die verordening aangegeven doel (…)

7. Verordeningen als bedoeld in het eerste (…) lid behoeven de goedkeuring van de Raad.”

Bij de Wet van 8 november 2007 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie met betrekking tot de ministeriële goedkeuring van besluiten van bedrijfslichamen (hierna: de reparatiewet) is aan de Wbo een nieuw artikel 128a toegevoegd, luidend als volgt:

“1. Verordeningen of besluiten van bedrijfslichamen die op of na 1 juli 1999 maar voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel op grond van artikel (…) 126, vierde lid, zijn goedgekeurd door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, maar niet door Onze genoemde Ministers gezamenlijk dan wel door een of twee van hen mede namens de anderen, zijn in afwijking van artikel (…) 126, vierde lid, zoals deze artikelen luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, niet onverbindend op de enkele grond dat niet al Onze genoemde Ministers bij de goedkeuring zijn betrokken geweest.

2. In afwijking van het eerste lid blijven de gevolgen van een voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel gedane onherroepelijke rechterlijke uitspraak, waarbij verordeningen of besluiten van bedrijfslichamen onverbindend zijn verklaard op de grond bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van partijen in de procedure waarop die uitspraak betrekking heeft in stand.”

Blijkens het bepaalde in artikel II, tweede lid, van de reparatiewet werkt genoemd artikel 128a terug tot en met 1 juli 1999.

Het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw (Stb. 2003, 567; hierna: het Instellingsbesluit) bepaalt, voor zover hier van belang:

“Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet op de bedrijfsorganisatie;

b. (…)

c. het productschap: het Productschap Tuinbouw;

(…)

Artikel 3

1. Er is een Productschap Tuinbouw.

2. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin:

a. de teelt van fruit, groenten of siergewassen wordt uitgeoefend;

(…)

Artikel 12

Het productschap is bevoegd tot de regeling of nadere regeling van de in artikel 93, tweede lid, van de wet vermelde onderwerpen of onderdelen daarvan met uitzondering van de onderdelen:

(…)

e. onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein;

(…)

Artikel 14

1. Het productschap legt een heffing als bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de wet op gebaseerd op een grondslag welke het bestuur passend acht, met dien verstande dat het tarief voor bepaalde in de heffingsverordening aangewezen ondernemingen of groepen van ondernemingen verschillend kunnen zijn. Boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven dat voor alle ondernemingen of groepen daarvan gelijk is.

2. Heffingen waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur van het productschap in verband met die bestemming passend acht.”

Artikelen 1 en 2 van de Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten 2002 (hierna: Verordening 2002) luiden, voor zover van belang:

“Artikel 1

1. (…)

2. In deze verordening wordt (…) verstaan onder:

(…)

e. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin het kweken van of de handel in boomkwekerijproducten wordt uitgeoefend, met uitzondering van hovenierswerkzaamheden en het uitoefenen, anders dan als verzenddetaillist, van de binnenlandse kleinhandel;

(…)

i. heffingsgrondslag: het verkoopbedrag van de in 2001 verhandelde en afgeleverde boomkwekerijproducten verminderd met het inkoopbedrag van de in 2001 ingekochte boomkwekerijproducten.

Artikel 2

1. De ondernemer is (…) heffing verschuldigd ten behoeve van de algemene kosten van het productschap, alsmede ten behoeve van promotionele en marketingactiviteiten, economische aangelegenheden, kwaliteitsaangelegenheden, technisch onderzoek, milieu-aangelegenheden, voorlichting (…)”

De Verordeningen PT vakheffing boomkwekerijproducten 2003 tot en met 2006 (hierna: Verordening 2003 respectievelijk Verordening 2004, Verordening 2005 en 1e Verordening 2006) en de Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten teelt- en handelsjaar 2006 (hierna: 2e Verordening 2006) bevatten soortgelijke bepalingen. De heffingsgrondslag is daarbij gebaseerd op het verkoopbedrag verminderd met het inkoopbedrag in respectievelijk 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006.

Artikel 3 van de Verordening 2002 luidt, voor zover van belang:

“Artikel 3

1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, bestaat uit een basisheffing van € 90 vermeerderd met de som van het bedrag dat wordt verkregen na toepassing van de hierna genoemde heffingspercentages over de hierna genoemde omzetbedragen:

a. tot en met € 900.000 : 0,8% (…)”

De Verordeningen 2003 tot en met 2005 bevatten een gelijkluidende bepaling.

Artikel 3 van de 1e Verordening 2006, als gewijzigd bij besluit van 25 april 2006, en van de 2e Verordening 2006 luidt als volgt:

“Artikel 3

1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, bestaat uit een basisheffing van € 60, vermeerderd met de som van het bedrag dat wordt verkregen na toepassing van de hierna genoemde heffingspercentages over de hierna genoemde heffingsgrondslagen:

a. tot en met € 900.000 : 0,52% (…)”

Artikel 5, eerste lid, en 6 van de Verordening 2002 luiden, voor zover van belang:

“Artikel 5

1. De oplegging van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing vindt plaats in 2002 (…)

Artikel 6

De voorzitter kan, indien hem uit te zijner beschikking komende gegevens blijkt dat de verstrekking van de gegevens (…) niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, een opgelegde heffing aan de hand van deze gegevens herzien en opnieuw opleggen.”

De Verordeningen 2003 tot en met 2005, de 1e Verordening 2006 en de 2e Verordening 2006 bevatten gelijkluidende bepalingen, met dien verstande dat in artikel 5, eerste lid, is bepaald dat de oplegging van de heffing plaatsvindt in respectievelijk 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007.

Artikel 3:6 van de Verordening PT algemene bepalingen 2003 luidt, voor zover van belang:

“1. Het productschap is gerechtigd ten behoeve van een richtige heffing een boekencontrole uit te voeren.

(…)

3. Indien bij de boekencontrole blijkt dat een onjuiste opgave is gedaan als bedoeld in artikel 7:3, tweede lid, wordt ingeval een navordering verhoogd met maximaal 10%.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 8 juni 2007 heeft verweerder een boekencontrole uitgevoerd op het bedrijf van appellante. Het verslag luidt, voor zover van belang:

"Aanleiding bedrijfsbezoek (en doel)

De controle is verricht als een normale periodieke boekencontrole (…)

Bedrijfskenmerken

Pioneer Gardens NL (…) is een bomenexportbedrijf. Het bedrijf exporteert boomkwekerijproducten (…) naar Pioneer Gardens Inc. Pioneer Gardens Inc. (…) is het in de VS gevestigde moederbedrijf. (…)

De boomkwekerijproducten dienen voor export te worden gespoeld. Met name deze spoelkosten vormen een belastbare toegevoegde waarde. (…)

Aanpak controle

De controle is verricht aan de hand van de grootboekrekeningen en de verkoopfacturen over de jaren 2001 tot en met 2005. (…)

Bevindingen controle

Er zijn verschillen met de aangiften geconstateerd. Deze verschillen zijn te herleiden tot het niet opgeven van de spoelkosten van de export. (…)

Er is niet bewust onjuist aangifte gedaan. (…) Hierdoor adviseren we de toeslag te beperken tot 5%. (…)”

- Bij een vijftal besluiten van 25 juli 2007 heeft verweerder de heffing over de jaren 2001 tot en met 2005 herzien en opnieuw opgelegd, hetgeen heeft geresulteerd in een naheffing van in totaal € 1.425,70, vermeerderd met een toeslag van € 71,26.

- Bij brief van 20 augustus 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen “alle nota’s die, direct of indirect, door uw productschap in welke vorm dan ook (PT-aanslag, veilingnota, of andere nota) aan hem zijn opgelegd”. Bij brief van 17 september 2007 heeft appellante dit bezwaar aangevuld en aangegeven dat het is gericht tegen de (na)heffing over de jaren 2001 tot en met 2005.

- Bij brief van 8 januari 2008 heeft appellante wederom bezwaar gemaakt tegen alle aanslagen en nota’s die verweerder in de afgelopen periode van zes weken heeft opgelegd.

- Bij brief van 21 maart 2008 heeft appellante nadere gronden ingediend ten aanzien van het bezwaar tegen de (na)heffing over de jaren 2001 tot en met 2006.

- Op 3 april 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarna de hoorcommissie op 23 april 2008 verweerder heeft geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen, waarbij de bezwaren tegen de heffingsnota’s over de jaren 2001 tot en met 2005 ongegrond zijn verklaard. Ten aanzien van de gronden van bezwaar, gericht tegen de heffingsnota nr. 712748 van 10 december 2007 over het jaar 2006, is besloten dit bezwaar buiten behandeling te laten.

- Bij brief van 13 november 2009 heeft verweerder meegedeeld een gewijzigd besluit als bedoeld in art. 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te hebben genomen, welke in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Bij deze nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 13 november 2009, zijn de bezwaren tegen de heffingsnota’s over 2001 tot en met 2006 ongegrond verklaard.

3. Het nieuwe bestreden besluit

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsnota’s over de jaren 2001 tot en met 2005 en het bezwaar tegen de heffingsnota over 2006 ongegrond verklaard en de heffingsnota’s gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

3.1.1 Van een verplichte aansluiting of een verplicht lidmaatschap bij het Productschap Tuinbouw, als bedoeld in de eerste grief van appellante, kan niet worden gesproken. Appellante kan geen lid worden van het productschap. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van het Instellingsbesluit, is het productschap ingesteld voor ondernemingen op het gebied van de teelt, de be- en verwerking van en de handel in fruit, groenten en siergewassen. Volgens de Nederlandse regelgeving dient appellante zich te houden aan de regels die het productschap stelt en de opgelegde heffing te betalen.

3.1.2 Op de tweede grief, waarin gesteld wordt dat de aan de nota’s ten grondslag liggende verordeningen onverbindend zijn, omdat deze uitsluitend door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) zijn goedgekeurd, wordt niet ingegaan. Verwezen wordt naar de beschikking van het College van 4 juni 2008 (LJN BD4081).

3.1.3 In de derde grief is gesteld dat een belastbaar feit in de heffingsverordeningen ontbreekt. Verweerder deelt deze zienswijze niet, nu in de Verordeningen is bepaald dat kwekers van en handelaren in boomkwekerijproducten ieder jaar een heffing verschuldigd zijn. De hoogte van de heffing wordt bepaald door de basisheffing vermeerderd met een (aflopend) percentage berekend over de heffingsgrondslag, waarbij de omzet (verkoop minus inkoop) bepalend is.

3.1.4 Hetgeen in de vierde grief is aangevoerd over de terugwerkende kracht van de Verordeningen en de betekenis daarvan voor de heffingsgrondslag, is voor de onderhavige zaak niet van belang. De nota’s zijn opgelegd overeenkomstig de bepalingen die zijn opgenomen in de heffingsverordeningen. Met name is van belang hetgeen in artikel 6 is bepaald, namelijk dat de voorzitter een opgelegde heffing kan herzien en opnieuw kan opleggen.

3.1.5 Appellante stelt in de vijfde grief dat verweerder niet bevoegd is om regelend op te treden op het terrein van onderzoek. Uit de opbrengst van de heffingsverordeningen worden subsidies verstrekt voor activiteiten op het gebied van promotie, voorlichting, onderzoek, kwaliteit, arbeid en milieu. Verder wordt uit de opbrengst een deel van de kosten van het productschap betaald. Er is daarmee geen sprake van een regelend optreden door het productschap.

3.1.6 In de zesde grief wordt de goedkeuring van de steun door de Europese Commissie aan de orde gesteld. Verweerder gaat ervan uit dat de steun die wordt uitgekeerd in de bomensector de goedkeuring van de Europese Commissie heeft. De goedkeuring is in 2000 verleend onder nr. NN 65/2000.

3.1.7 Op de zevende grief, waarin het gebroken boekjaar aan de orde wordt gesteld, wordt niet ingegaan. In de onderhavige zaak speelt het gebroken boekjaar geen rol.

3.1.8 In de achtste grief is aan de orde gesteld dat volgens artikel 5 van de heffingsverordeningen aanslagen alleen in de betreffende kalenderjaren kunnen worden opgelegd. De herziening van de heffing bij besluiten van 25 juli 2007 is echter gebaseerd op artikel 6 van de heffingsverordeningen. Daarin is bepaald dat de voorzitter een opgelegde heffing kan herzien en opnieuw kan opleggen.

3.1.9 In de negende grief is aan de orde gesteld dat in de aanslag een boete is opgenomen (toeslag) waarvoor geen grondslag is in wet of verordening.

Met het in rekening brengen van een toeslag, nadat is vastgesteld dat een onderneming te weinig heffing heeft betaald, wordt voorkomen dat degene die wel op tijd de heffing betaalt, ten opzichte van degene die pas later betaalt, in een nadelige positie zou komen te verkeren. Dit is geregeld in hoofdstuk 3 van de Verordening Algemene Bepalingen 2003.

3.2 Verweerder heeft voorts het volgende verweer gevoerd.

3.2.1 Uit de artikelen 1 en 2 van de heffingsverordeningen blijkt duidelijk wie de heffing verschuldigd is, wanneer deze verschuldigd is en wat de grondslag is.

3.2.2 Een heffing wordt opgelegd naar een grondslag die het bestuur passend acht. Verweerder is van mening dat voor de berekening van een verschuldigde heffing de in- en verkoopcijfers van een daaraan voorafgaand jaar als referentiejaar gebruikt mogen worden.

3.2.3 De verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 93, eerste lid, Wbo tot regeling of nadere regeling van de in het tweede lid van dat artikel genoemde onderwerpen, dient te worden onderscheiden van de autonome bevoegdheid die verweerder op grond van artikel 126, eerste lid, Wbo heeft om de heffingen op te leggen die hij met het oog op de taakstelling van artikel 71 Wbo nodig acht. Uit artikel 126 Wbo blijkt geenszins dat de heffingsbevoegdheid enkel kan worden aangewend ten behoeve van onderwerpen waarvoor een verordenende bevoegdheid bestaat, als bedoeld in het tweede lid van artikel 93, Wbo.

Daarnaast geldt dat verweerder ter vervulling van zijn taakstelling een besluit kan nemen dat in vrijwilligheid kan worden opgevolgd, de zgn. vrije bestuursdaad. Het verstrekken van subsidies ten behoeve van onderzoek in het gemeenschappelijk belang van de sector geldt als een vrije bestuursdaad. Verweerder heeft dan ook geen regels of nadere regels gesteld als bedoeld in artikel 93, tweede lid, Wbo.

Daarnaast wordt verwezen naar de uitspraak van het College van 11 april 1995 (JB 1995/156), waaruit volgt dat de bestemming van de heffing niet afdoet aan de rechtmatigheid daarvan.

3.2.4 Er is geen sprake van een directe of indirecte heffing op ingevoerde producten. De Verordeningen gelden voor alle in Nederland aanwezige boomkwekerijproducten. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de oorsprong van de producten. Bij de aanmelding van de steunmaatregel bij de Europese Commissie is de systematiek van de heffing duidelijk uiteen gezet.

3.2.5 Het betoog dat de Verordeningen onverbindend zijn, omdat deze door de Staatssecretaris en niet door de betrokken Minister(s) zijn goedgekeurd, gaat niet op. Uit artikel 46, tweede lid, van de Grondwet volgt immers dat de staatssecretaris in alle gevallen waarin de minister dit nodig acht mag optreden in de plaats van de minister.

Ook de Verordening 2003 heeft wel degelijk verbindende kracht. De verordening is vastgesteld door het bestuur van verweerder en is goedgekeurd door de SER.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat het bestreden besluit om de volgende redenen dient te worden vernietigd.

4.1 Appellante is verplicht aangesloten bij het Productschap Tuinbouw. Dit is in strijd met artikel 11 EVRM. Het EVRM heeft voorrang boven nationale wetgeving. De vaste jurisprudentie van het College om de verplichte aansluiting bij een bedrijfslichaam niet in strijd te achten met artikel 11 EVRM, verdient nuancering voor zover het gaat om taken die niet het algemeen belang betreffen, maar een (verondersteld) sector belang.

Appellante ondersteunt de opvatting van de Nederlandse Vrije Agrarische Federatie dat er in de 21e eeuw geen plaats meer is voor Pbo-organisaties zoals verweerder. Bezwaren bestaan vooral tegen het verplichte karakter van de aansluiting, de ondemocratische wijze waarop de besturen worden benoemd en de jaarlijks verplichte financiële bijdragen zonder dat op de bestedingen ervan enige invloed kan worden uitgeoefend.

Het in artikel 11 EVRM neergelegde (negatieve) verenigingsrecht verbiedt dat appellante wordt verplicht deel te nemen aan het Productschap Tuinbouw.

Voor zover een bedrijfslichaam activiteiten verricht die het algemeen belang dienen, handelt het als een publieke organisatie en ligt het voor de hand dat alle bedrijfsgenoten aan de verplichtingen worden onderworpen die daarvan het gevolg zijn. Een dergelijke conclusie is echter minder evident wanneer het gaat om activiteiten ter bevordering van het gemeenschappelijk belang van de bedrijfsgenoten zelf. Wanneer de door bedrijfslichamen genomen vrije bestuursdaden in het algemeen belang zijn van de bedrijfsgenoten, zou gesteld kunnen worden dat sprake is van het handelen vanuit het “gemeenschappelijk belang van die ondernemingen”. De ontwikkeling van de interne markt ondergraaft echter in toenemende mate deze enge uitleg van “algemeen” of “gemeenschappelijk” belang. Zo wordt 60% van de inkomsten van verweerder besteed aan algemene promotie. De onpersoonlijke reclame die wordt gemaakt komt niet alleen de Nederlandse producenten ten goede, maar ook de bedrijfsgenoten in andere lidstaten van de EU die hieraan niet meebetalen. Het is dan niet meer redelijk met een beroep op het publiekrechtelijke karakter van de bedrijfslichamen de vrijheid van vereniging te beperken. Verder kan de vraag gesteld worden of deze uitgave nog wel in het gemeenschappelijk belang is van de bedrijfsgenoten die verplicht worden aan deze uitgaven mee te betalen. Deze vraag wordt in Europa in toenemende mate met “nee” beantwoord. Zo heeft het Bundesverfassungsgericht op 3 februari 2009 (BVerfG, 2 BVL 54/06, www.bverfg.de/entscheidungen/ls20090203_2bvl005406.html) een in Duitsland verplichte heffing ten behoeve van onder andere de algemene promotie van landbouwproducten in strijd met de Duitse grondwet verklaard.

Appellante is van mening dat er voor wat betreft bedrijfslichamen onderscheid dient te worden gemaakt tussen het bedrijfslichaam als behartiger van het algemeen belang en het bedrijfslichaam als organisatie waarbij het (veronderstelde) sectorbelang wordt behartigd. In deze laatste hoedanigheid is het bedrijfslichaam naar EHRM-maatstaven geen publiekrechtelijke organisatie. Voor de heffingen heeft dit als gevolg dat wanneer de besteding daarvan niet geschiedt in het kader van het algemeen belang, maar in het kader van het (veronderstelde) sectorbelang, de heffing als zijnde geheven in strijd met artikel 11 EVRM niet verbindend is.

4.2 De Verordeningen zijn onverbindend, nu deze uitsluitend door de Minister van LNV en niet door de andere betrokken Ministers zijn goedgekeurd. De aanslagen die zijn opgelegd vóór de inwerkingtreding van de reparatiewet (28 november 2007) moeten derhalve worden vernietigd.

Voor de Verordeningen 2001 en 2002 geldt daarenboven dat deze onverbindend zijn, nu deze niet door de betrokken Minister(s) zijn goedgekeurd, maar slechts door de Staatssecretaris van LNV.

Voorts is de Verordening 2003 onverbindend, omdat de tekst zoals deze is gepubliceerd in het Pbo-blad van 24 januari 2003 afwijkt van de tekst die het bestuur van verweerder op 3 juli 2002 heeft vastgesteld. Dit betekent dat de door het bestuur van verweerder vastgestelde tekst niet door de SER is goedgekeurd en dat de door SER goedgekeurde tekst niet door het bestuur is vastgesteld.

4.3 In de heffingsverordeningen ontbreekt een belastbaar feit. In artikel 2 staat immers alleen dat een ondernemer een heffing is verschuldigd en ten behoeve waarvan. Maar een bepaling over het tijdvak waarover een heffing is verschuldigd, ontbreekt. Daardoor is niet vast te stellen wanneer een onderneming heffingplichtig is. Zo is uit de Verordening 2002 niet duidelijk of een onderneming, om heffingplichtig te zijn, in 2001 dan wel in 2002 boomkweker moet zijn. Een dergelijke onduidelijkheid in een van de essentialia van de heffingsverordening is een fataal gebrek. De heffingsverordeningen zijn daarom onverbindend.

In het bestreden besluit van 1 juli 2008 is vermeld dat de nota over het jaar 2001 is opgelegd op basis van de Verordening 2001, de nota over 2002 op basis van de Verordening 2002 etc. Maar volgens de heffingsverordeningen moet de heffing steeds worden berekend naar een heffingsgrondslag, bestaande uit de in het daaraan voorafgaande jaar verkochte boomkwekerijproducten. Verweerder is dus slachtoffer geworden van zijn zelf gecreëerde verwarring.

4.4 In beroep worden de bezwaren over de terugwerkende kracht van de verschillende heffingsverordeningen en de betekenis daarvan voor de heffingsgrondslag gehandhaafd.

Ten aanzien van de Verordening 2002 is aangevoerd dat deze in werking is getreden op 1 januari 2002 en derhalve geen betekenis kan hebben voor de heffingsgrondslag over 2001. Ten aanzien van de overige heffingsverordeningen zijn gelijkluidende bezwaren geformuleerd.

4.5 Blijkens artikel 2, eerste lid van de heffingsverordeningen wordt de heffingopbrengst mede aangewend voor het financieren van onderzoek. Het opleggen van heffingen voor dit doel dient te worden beschouwd als het regelen van onderzoek. Verweerder is daartoe op grond van artikel 12 van het Instellingsbesluit echter niet bevoegd.

4.6 In de heffingsverordeningen wordt geen onderscheid gemaakt tussen nationale en ingevoerde producten. Nu de Europese Commissie op grond van door Nederland verstrekte gegevens ten onrechte ervan is uitgegaan dat de heffing niet rust op ingevoerde producten, moet aan de heffingsverordeningen verbindende kracht worden ontzegd.

4.7 De opeenvolgende heffingsverordeningen en daarin voorziene tarieven zijn steeds vastgesteld voor een kalenderjaar. In de praktijk worden echter ook aanslagen opgelegd op basis van een van een kalenderjaar afwijkend boekjaar. In die gevallen leidt toepassing van per jaar verschillende tarieven tot willekeurige heffing en ongelijkheid.

4.8 In artikel 5 van de Verordeningen 2002 tot en met 2005 en de 1e Verordening 2006 is bepaald dat de heffing alleen in 2002, respectievelijk 2003, 2004, 2005 en 2006 kan worden opgelegd. De onderhavige heffingen zijn echter bij besluit van 25 juli 2007 opgelegd. Uit genoemde verordeningen blijkt niet dat de voorzitter bevoegd is om buiten de in artikel 5 genoemde periode heffingen op te leggen.

4.9 In de heffingsnota’s over de jaren 2001 tot en met 2005 is een toeslag begrepen, waarvoor geen grondslag bestaat in de wet of in de verordening. De Verordening Algemene bepalingen 2003 is vastgesteld op 4 mei 2004 en in werking getreden op 16 oktober 2004. Aangezien een boete op een handeling vanwege het legaliteitsbeginsel niet met terugwerkende kracht kan geschieden, geldt de boete in ieder geval niet voor de heffingen over 2001 tot en met 2003.

De Verordening Algemene Bepalingen 2003 is echter ook niet van toepassing op de heffing over 2004 en 2005, omdat de vakheffing een bestemmingsheffing is en daarmee verband houdende voorschriften ter goedkeuring aan de betrokken Minister(s) moeten worden voorgelegd. De Verordening Algemene Bepalingen 2003 is echter alleen door de SER goedgekeurd.

Een verordening waarin een strafbaar feit is opgenomen moet tenslotte worden goedgekeurd door de betrokken Minister(s) op grond van artikel 104, tweede lid, Wbo. Nu dit niet is gebeurd zijn de Verordeningen ook om deze reden onverbindend.

Voorts kan van de bevoegdheid tot een boekencontrole slechts gebruik worden gemaakt ter bevordering van een richtige heffing. Dat is hier echter niet het geval.

4.10 Ter zitting heeft appellante aan de gronden van haar beroep toegevoegd dat detailhandelaren van heffing zijn uitgesloten, zonder dat daarvoor in de Verordeningen een rechtvaardiging wordt gegeven. Appellante stelt daardoor in haar belangen te zijn geschaad. Indien ook aan detailhandelaren heffing zou worden opgelegd, zou de heffing voor appellante immers lager zijn.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aangezien appellantes bezwaren tegen de heffingsnota van 10 december 2007 alsnog bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 november 2009 zijn beoordeeld, tezamen met de (overigens gelijkluidende) bezwaren tegen de overige heffingsnota’s in geding en enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het oorspronkelijk bestreden besluit van 1 juli 2008 gesteld noch gebleken is, wordt het beroep gericht tegen laatstgenoemd besluit van 1 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

Waar het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb mede is gericht tegen de herziene beslissing op bezwaar van 13 november 2009, overweegt het College als volgt.

5.2 Appellante heeft aangevoerd dat de tekst van de Verordening 2003, zoals deze uiteindelijk is gepubliceerd in het Pbo-blad van 24 januari 2003, op onderdelen afwijkt van de tekst die het bestuur van verweerder in zijn vergadering van 3 juli 2002 - ongewijzigd, naar appellante stelt, ten opzichte van het gepubliceerde ontwerp - heeft vastgesteld. Appellante verbindt hieraan de conclusie dat de door verweerder vastgestelde Verordening 2003 niet door de SER is goedgekeurd en om die reden onverbindend moet worden verklaard.

Het College is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet volgt dat de door verweerder vastgestelde Verordening 2003 in strijd met artikel 126, zevende lid, Wbo niet is goedgekeurd door de SER. Deze grief faalt.

5.3 Vervolgens zal het College ingaan op het betoog van appellante als hiervoor weergegeven in 4.2, dat erop neerkomt dat de diverse heffingsverordeningen onverbindend zijn, nu deze niet zijn goedgekeurd door de betrokken ministers.

De grief ten aanzien van de Verordening 2001 faalt, reeds omdat de bestreden (na)heffingen niet op deze Verordening zijn gebaseerd.

Met betrekking tot de grief ten aanzien van de Verordening 2002 wordt het volgende overwogen.

Vaststaat dat deze Verordening is goedgekeurd door de Staatssecretaris van LNV. Niet in geschil is dat de goedkeuring van verordeningen als de onderhavige tot de portefeuille behoort van (in ieder geval) de Minister van LNV. Op grond van artikel 46, tweede lid, van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. Ingevolge artikel 1 van de Vervangingsregeling ministers van 6 augustus 1998 (Stcrt 1998, nr. 149) wordt een minister bij tijdelijke afwezigheid vervangen door de staatssecretaris van hetzelfde ministerie voorzover en voor zolang de minister in de gelegenheid is om de staatssecretaris aanwijzingen dienaangaande te geven. Hieruit volgt dat de staatssecretaris de bevoegdheid toekomt om in de plaats van de minister de onderhavige verordening goed te keuren. De goedkeuring door de staatssecretaris van de Verordening 2002 leidt derhalve niet tot onverbindendheid van deze Verordening.

Het betoog van appellante dat de Verordeningen onverbindend zijn omdat – in strijd met artikel 126, vierde lid, Wbo – niet alle betrokken ministers bij de goedkeuring daarvan betrokken zijn geweest, wordt eveneens verworpen. Het College verwijst in dit verband naar hetgeen ten aanzien van de terugwerkende kracht van de reparatiewet is overwogen in de heropeningsbeschikking van 4 juni 2008, www.rechtspraak.nl, LJN BD4081 in de zaken AWB 05/326 e.a. Het College ziet geen aanleiding thans anders te oordelen dan het in voormelde uitspraak heeft gedaan.

5.4 Appellante heeft voorts een beroep gedaan op artikel 11 EVRM, volgens welke bepaling een ieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging. Appellante stelt dat de verplichte aansluiting van haar onderneming bij het Productschap Tuinbouw met deze bepaling in strijd is. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder activiteiten bekostigt die niet in het gemeenschappelijk belang zijn van de bedrijfsgenoten en dat verweerder als behartiger van het (veronderstelde) sectorbelang niet als een publiekrechtelijke organisatie kan worden beschouwd.

Het College overweegt dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dart artikel 11 EVRM ook het negatieve recht van vereniging omvat (zie het arrest Sigurdur A. Sigurjonsson v. Iceland van 30 juni 1993, Publ. Hof, Serie A, Vol. 264 § 35), hetgeen betekent dat de verplichting om zich aan te sluiten bij een bepaalde vereniging onder omstandigheden een aantasting kan zijn van het recht op vrijheid van vereniging, gewaarborgd door artikel 11 EVRM. Echter, zoals het College reeds meerdere malen, in soortgelijke zaken als de onderhavige – zie bijvoorbeeld de uitspraken van

15 april 1998, AWB 96/0590/029/001 (niet gepubliceerd), 16 november 2006, AWB 05/261 (www.rechtspraak.nl, LJN AZ3137), 26 november 2008, AWB 06/259 en 06/460 (www.rechtspraak.nl, LJN BG8046) – heeft overwogen, kan een publiekrechtelijke organisatie als het Productschap Tuinbouw, die krachtens de Grondwet is ingesteld, en in hoofdstuk 7 van de Grondwet met andere overheidslichamen is behandeld en gerekend tot “openbare lichamen”, niet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke vereniging in de zin van artikel 11 EVRM. Dit houdt in dat van een lidmaatschap, zoals bij verenigingen, geen sprake is, maar dat een onderneming zoals die van appellante van rechtswege behoort tot de ondernemingen, waarvoor verweerder is ingesteld. Voorts kenmerkend is dat een bedrijfslichaam als het Productschap Tuinbouw functioneert onder toezicht van de centrale overheid en dat de regelgevende bevoegdheid wordt bepaald door de wet. Weliswaar zijn de besturen van de openbare bedrijfslichamen samengesteld uit vertegenwoordigers van representatieve organisaties van werkgevers en werknemers en beschikken zij over ruime verordenende bevoegdheden, daar staat tegenover dat de verordeningen de goedkeuring behoeven van de betrokken Minister en/of de SER. Besluiten van openbare bedrijfslichamen als het Productschap Tuinbouw worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en zijn appellabel voor de bestuursrechter. Het productschap is bovendien opgericht met het oog op het vervullen van een voor het openbaar belang nuttig geachte functie, onder meer tot uitdrukking komend in de taakomschrijving in artikel 71 Wbo. Het feit dat deze bepaling ruimte laat voor het behartigen van het gemeenschappelijk belang van de ondernemingen, en van de daarbij betrokken personen, waarvoor het bedrijfslichaam is ingesteld, doet geen afbreuk aan het publiekrechtelijk karakter van de organisatie.

Het beroep van appellante op artikel 11 EVRM faalt derhalve.

5.5 De grief dat in de Verordeningen een belastbaar feit ontbreekt, wordt verworpen. De Verordeningen vermelden zowel het jaar van oplegging van de verschuldigde heffing als de heffingsgrondslag, welke wordt bepaald aan de hand van het netto verkoopbedrag van de in het daaraan voorafgaande jaar verhandelde boomkwekerijproducten. Daarmee is de heffingsplichtige activiteit voldoende omschreven.

5.6 Met de in 4.4 weergegeven grief betoogt appellante dat de door verweerder gehanteerde heffingsgrondslag strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel.

De keuze voor een heffing over de in het voorafgaande jaar gerealiseerde omzet vloeit voort, naar het College begrijpt uit de toelichting bij de Verordeningen, uit de systematiek van de heffing die volgt op aangifte, na toezending van een aangifteformulier. Die aangifte kan de ondernemer pas doen na afloop van het jaar als duidelijk is welke omzet de ondernemer heeft gerealiseerd. Overigens gaat het hier om een jaarlijks terugkerende heffing, waarbij de verplichting tot betaling in hoge mate voorzienbaar is, niet alleen vanwege het jaarlijks repeterende karakter, maar ook door de publicaties van de (ontwerp)Verordeningen in het Pbo-blad. Dit leidt tot het oordeel dat de grief niet kan slagen.

5.7 Appellante heeft voorts aangevoerd dat de Verordeningen onverbindend zijn, nu daarin is bepaald dat de heffingen mede dienen ten behoeve van onderzoek en de activiteiten van verweerder dienen te worden aangemerkt als de regeling of nadere regeling van onderzoek, als bedoeld in artikel 93, tweede lid, Wbo, waartoe verweerder niet bevoegd is.

Het College overweegt dat dit betoog voorbijgaat aan de rechtsgrondslag van de Verordeningen, die niet in artikel 93 Wbo is gelegen, maar in artikel 126 Wbo.

Artikel 93 Wbo bepaalt de algemene verordenende bevoegdheid van bedrijfslichamen. De beperkingen die daaraan bij of krachtens artikel 93 Wbo zijn gesteld, raken niet de bevoegdheid ingevolge artikel 126 Wbo om bij verordening heffingen op te leggen. Evenmin sluit artikel 93 Wbo uit dat verweerder binnen het kader van zijn taak zoals bepaald bij artikel 71 Wbo, activiteiten ontplooit, die vallen buiten de onderwerpen die verweerder bij verordening (nader) kan regelen krachtens het tweede lid van artikel 93 Wbo (zie de uitspraak van het College van 26 november 1991, nrs. 89/2275/47/003 e.a.). Gesteld noch gebleken is dat de stimulering van onderzoek, die wordt bekostigd uit de in geding zijnde heffing, zou vallen buiten de algemene taakomschrijving van verweerder als neergelegd in artikel 71 Wbo.

5.8 Met betrekking tot de grief dat de Verordeningen ten onrechte geen onderscheid maken tussen nationale en ingevoerde producten, hetgeen appellante in tegenspraak acht met de goedkeuring als steunmaatregel door de Commissie bij beschikking van 7 november 2000 (NN 65/2000), die er van uitgaat dat de heffing niet op ingevoerde producten rust, wordt het volgende overwogen.

Het College ziet niet in dat hier sprake is van onjuiste voorlichting van de Commissie bij de aanmelding van de steunmaatregel of van een met de goedkeuringsbeschikking strijdige uitwerking van de heffingsgrondslag in de Verordeningen. De heffingsgrondslag – zie Hoofdstuk II, onderdeel E. Maatregel –, waarop de Commissie zich in haar beschikking, voornoemd, heeft gebaseerd, wijkt niet af van die welke in de Verordeningen is neergelegd en in geen van beide situaties is sprake van een heffing op ingevoerde producten. Ook deze grief kan niet slagen.

5.9 Appellantes stelling dat verweerder in de praktijk ook een, voor één kalenderjaar geldend, heffingstarief heeft toegepast over aansluitende delen van twee verschillende kalenderjaren, begrijpt het College als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Appellante heeft geen concrete gevallen van zodanige praktijk genoemd. Dat tijdens de hoorzitting inzake haar bezwaar van de zijde van verweerder is verklaard dat een bedrijf aangifte mag doen over een gebroken boekjaar en daarbij zijn omzet mag opgeven over twaalf maanden die in de loop van één kalenderjaar beginnen, en dus lopen tot in het volgende kalenderjaar, sluit niet uit dat verweerder over zodanig afwijkend boekjaar de twee tarieven, die respectievelijk gelden voor die twee kalenderjaren, toepast. Nu appellante haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet met concrete gevallen heeft gestaafd, komt het College niet toe aan de vragen of de door appellante beweerde praktijk niet in strijd is met de voorgeschreven, aan een kalenderjaar gerelateerde heffingsgrondslag, en zo ja of appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen waar zodanige praktijk contra legem is.

5.10 Appellante heeft voorts aangevoerd dat artikel 5 van de Verordeningen er aan in de weg staat dat verweerder in latere jaren naheffingen oplegt.

Het College overweegt dienaangaande als volgt.

De in het bestreden besluit gehandhaafde naheffingen over de jaren 2001 tot en met 2005 zijn, anders dan appellante veronderstelt, niet gebaseerd op artikel 5 van de Verordeningen, maar vinden hun grondslag in artikel 6, dat verweerder de bevoegdheid verleent om eenmaal opgelegde heffingsnota’s te herzien, als bijvoorbeeld na een boekenonderzoek blijkt dat van onjuiste gegevens is uitgegaan. Artikel 5 regelt slechts de initiële oplegging van de heffing en ontneemt verweerder niet de bevoegdheid tot herziening buiten de in artikel 5 genoemde periode. Deze grief treft geen doel.

5.11 Het College laat de in 4.10 weergegeven nadere beroepsgrond buiten beoordeling wegens strijd met de goede procesorde, nu deze grond eerst ter zitting is aangevoerd.

5.12 Ten aanzien van de grief van appellante, weergegeven in rubriek 4.9 van deze uitspraak en gericht tegen de opslag van 5% op de naheffing, overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft zich in de loop van de procedure wisselend uitgelaten over de aard en de grondslag van deze toeslag.

Blijkens het verslag van de bedrijfscontrole en de hiervoor in rubriek 3.1.9 weergegeven overwegingen van het bestreden besluit heeft de toeslag volgens verweerder tot doel te voorkomen dat een premie wordt gezet op het doen van een onjuiste aangifte. In het geval van appellante is de toeslag van 10% beperkt tot 5% wegens – kort samengevat – het ontbreken van opzet. Verweerder betwist dat sprake is van een boete.

Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de toeslag is gebaseerd op artikel 6 van de Verordeningen in samenhang met artikel 3:6, derde lid, van de Verordening PT Algemene bepalingen 2003 en dat deze ziet op een vergoeding voor gemaakte kosten. Dat de toeslag in het geval van appellante is beperkt tot 5% is het gevolg van het feit dat er minder kosten zijn gemaakt, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder verklaard dat in de voorheen geldende Verordening PT Algemene Bepalingen 1997 een soortgelijke bepaling als artikel 3:6 van de Verordening PT Algemene Bepalingen 2003 ontbrak. Laatstgenoemde Verordening Algemene Bepalingen 2003 is goedgekeurd door (uitsluitend) de SER en is in werking getreden op 16 oktober 2004.

Hoewel verweerder de aard en het doel van de toeslag in geding verschillend heeft geduid, – enerzijds neigt verweerder naar een karakterisering als boete, anderzijds zou sprake zijn van een vergoeding voor gemaakte kosten –, stelt het College vast dat de toeslag in ieder geval tot doel heeft de toepassing van de Verordeningen en de daarin besloten liggende heffingssystematiek te vergemakkelijken. Het College is dan ook van oordeel dat een dergelijke toeslag het karakter volgt van de heffing ten aanzien waarvan deze een functie vervult, zodat de toeslag in dit geval als bestemmingsheffing, derhalve ter afzonderlijke financiering van een specifiek, bij de Verordeningen aangegeven doel, moet worden beschouwd en deze - eveneens - zijn grondslag vindt in artikel 126, eerste en vierde lid, Wbo.

Niet in geschil is dat de Verordening PT Algemene Bepalingen 2003 is goedgekeurd door de SER, maar dat in strijd met artikel 126, vierde lid, Wbo ministeriële goedkeuring ontbreekt. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat artikel 3:6, derde lid, van de Verordening Algemene Bepalingen 2003 op dit punt onverbindend is en dat verweerder niet bevoegd was de naheffingen in geding te verhogen met een toeslag van 5%.

5.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd voor wat betreft de toeslag van 5% die over de nageheven bedragen is toegepast. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en de heffingsnota’s van 25 juli 2007 nader vast te stellen op de volgende bedragen: € 175,85 (2001), € 379,07 (2002), € 331,17 (2003), € 293,58 (2004) en € 246,03 (2005).

5.14 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Dit zijn de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 644,--.

Daarbij is uitgegaan van één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, tegen een waarde van € 322,-- per punt, betreffende een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Het College zal voorts bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het besluit van 1 juli 2008;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2009 gegrond;

- vernietigt het besluit van 13 november 2009 voorzover daarbij is gehandhaafd een toeslag van 5% over de nageheven

heffingsbedragen over de jaren 2001 tot en met 2005;

- stelt, onder herroeping in zoverre van de heffingsnota’s van 25 juli 2007, de naheffing over genoemde jaren nader vast op

de volgende bedragen: € 175,85 (2001), € 379,07 (2002), € 331,17 (2003), € 293,58 (2004) en € 246,03 (2005);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 288,-- vergoedt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

w.g. F. Stuurop w.g. J.M.M. Bancken