Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3157

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
AWB 06/255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing; Vakheffing boomkwekerijproducten; boomkwekerijheffing; betoog dat verweerder niet bevoegd is onderzoek te (doen) verrichten wordt verworpen; geen strijd met artikel 11 EVRM, dat vrijheid van vereniging garandeert

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/255 6 april 2010

4241 Heffing

Vakheffing boomkwekerijproducten

Uitspraak in de zaak van:

V.o.f. A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.M.R. Vlaar, werkzaam bij Anders Belicht te Arnhem,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 20 maart 2006, bij het College binnengekomen op 21 maart 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 februari 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2005 tot oplegging van vakheffing boomkwekerijproducten ongegrond verklaard.

Bij brief van 18 april 2006 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend. Daarbij heeft zij verzocht de in bezwaar aangevoerde gronden –waartoe onder meer behoort een notitie van mr. Vlaar, getiteld: “De juridische inbedding van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties” van oktober 2005– als herhaald en ingelast in het aanvullend beroepschrift te beschouwen.

Op 25 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Bij brief van 22 december 2008 heeft appellante een herziene versie van de hiervoor genoemde notitie ingezonden.

Op 11 februari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Namens appellante zijn verschenen haar gemachtigde, alsmede C, vennoot van appellante. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, alsmede mr. D en E, beiden werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft verweerder op grond van de Verordening PT vakheffing boomkwekerijproducten aan appellante een heffing opgelegd over het jaar 2004, ten bedrage van € 5.933,78. Dit betreft een ambtshalve schatting, vermeerderd met een bedrag van € 40,-- aan administratiekosten.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 oktober 2005 bezwaar gemaakt. Zij heeft dit bezwaar van gronden voorzien bij brief van 24 november 2005.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder is daarbij uitvoerig puntsgewijs ingegaan op hetgeen naar voren is gebracht in het bezwaarschrift en de notitie uit oktober 2005. In verband met de overwegingen van het College in rubriek 5 van deze uitspraak, wordt hier volstaan met een weergave van de volgende standpunten van verweerder.

Appellante stelt dat de registratie bij het productschap is als een gedwongen lidmaatschap van een vereniging en dat dit in strijd is met artikel 11 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in het arrest van 23 juni 1981 (Publikaties Hof, Serie A, deel 43, 1981, Compte, Van Leuven en de Meyere) geoordeeld dat de Belgische Orde van Geneesheren een publiekrechtelijk orgaan is en niet als een vereniging kan worden aangemerkt. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet op het notarisambt (MvT II, 23706, nr. 3, p. 49-50) is met verwijzing naar voormeld arrest van het EHRM gesteld dat de voorgestelde regeling, waarbij alle notarissen en kandidaat-notarissen verplicht lid zijn van de broederschap, niet in strijd komt met de in artikel 11 EVRM neergelegde vrijheid van vereniging en vergadering.

Voorzover appellante veronderstelt dat registratie bij het productschap in strijd is met artikel 20 van de Universele verklaring van de rechten van de mens moet worden vastgesteld dat een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie geen vereniging is en de veronderstelling reeds om die reden onjuist is. De Universele verklaring van de rechten van de mens is overigens niet bindend.

4. Het standpunt van appellante

In verband met de overwegingen van het College in rubriek 5 van deze uitspraak, wordt hier volstaan met de volgende weergave van het standpunt van appellante.

Appellante handhaaft in beroep de bezwaren die zij in de bezwaarprocedure tegen de opgelegde heffing heeft ingebracht, doch zij brengt daarop de nuancering aan dat haar bezwaren specifiek betrekking hebben op de private taken die verweerder op zich heeft genomen, te weten het maken van reclame en het (doen) verrichten van onderzoek. Appellante stelt dat verweerder deze taken onbevoegd op zich heeft genomen, aangezien het beslissen over een deel van het reclame- en onderzoeksbudget van een ondernemer geen bevoegdheid van de overheid is, zodat de overheid ook niet bevoegd is om die bevoegdheid via de Wet op de bedrijfsorganisatie aan verweerder over te dragen.

Appellante is ten aanzien van de door haar bedoelde private taken voorts van mening dat sprake is van een onvrijwillig lidmaatschap van een met een vereniging gelijk te stellen organisatie, ongeacht de naam of organisatievorm waaronder verweerder functioneert. Zij acht dit in strijd met artikel 11 van het EVRM, dat vrijheid van vereniging garandeert. Appellante heeft in dit verband benadrukt dat verweerder weliswaar ingevolge de Wbo als een publiekrechtelijk lichaam dient te worden aangemerkt, doch zij stelt dat verweerder voor wat betreft de behartiging van de private belangen van de ondernemers tevens beschouwd dient te worden als een vormloze vereniging met een verplicht lidmaatschap. Volgens appellante volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 april 1977 (Staalcom ’66 BV/Neher Nederland BV, NJ 1978, 163, www.rechtspraak.nl, LJN AC4087) dat de figuur van de vormloze vereniging zich reeds voordoet wanneer sprake is van “een zekere organisatie met bijbehorende regels, die als zelfstandig lichaam, als eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt”.

Appellante heeft verder onder meer aangevoerd dat het maken van reclame en het (doen) verrichten van onderzoek door verweerder leidt tot oneerlijke concurrentie. Zij acht de heffingsverordening voor wat betreft genoemde taken dan ook in strijd met het algemeen belang.

Appellante heeft ter zitting haar aanvankelijke verweer dat (de hoogte van) de ambtshalve aanslag van 14 oktober 2005 niet is gebaseerd op een formele verordening of een gepubliceerde beleidsregel ingetrokken.

5. Het besluit van 18 april 2007

Naar aanleiding van door appellante alsnog verstrekte gegevens heeft verweerder bij besluit van 18 april 2007 de heffing over het jaar 2004 herzien en vastgesteld op € 2.209,--, zo is ter zitting gebleken.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Het College is van oordeel dat het besluit van 18 april 2007 dient te worden aangemerkt als een gewijzigde beslissing op het bezwaar, als bedoeld in artikel 6:18 Awb, waartegen het beroep van appellante ingevolge artikel 6:19 Awb geacht wordt mede te zijn gericht. Nu bij het besluit van 18 april 2007 de eerdere heffing is herzien en voorts enig belang bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 8 februari 2006 niet is gesteld, zal het beroep, voorzover tegen laatstgenoemd besluit gericht, niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

6.2 De bezwaren van appellante zijn van principiële en algemene aard en door haar gemachtigde eerder aangevoerd in andere beroepsprocedures met betrekking tot soortgelijke zaken als de onderhavige. In zijn uitspraken van 16 november 2006, AWB 05/261 (www.rechtspraak.nl, LJN AZ3137) en 26 november 2008, AWB 06/259 en 06/460 (www.rechtspraak.nl, LJN BG8046) is het College op grond van de daarin neergelegde overwegingen tot de slotsom gekomen dat deze bezwaren geen doel treffen. Het College ziet geen aanleiding om daarover nu anders te oordelen.

Voor wat betreft het betoog dat verweerder niet bevoegd is onderzoek te (doen) verrichten, overweegt het College dat onderzoek zeer wel kan vallen onder de in artikel 71 van de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) aan een bedrijfslichaam toebedeelde taak om het gemeenschappelijk belang van de ondernemingen te behartigen. Bij artikel 12 van het Instellingsbesluit van het Productschap Tuinbouw wordt weliswaar expliciet niet de bevoegdheid toegekend tot regeling of nadere regeling van onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein, maar daarmee wordt, gelet op de verwijzing naar artikel 93 Wbo slechts een beperking aangebracht op de verordenende bevoegdheid. Artikel 93 Wbo sluit niet uit dat verweerder binnen het kader van zijn taak, zoals bepaald bij artikel 71 Wbo, activiteiten ontplooit, die vallen buiten de onderwerpen die hij bij verordening kan regelen (zie de uitspraak van het College van 26 november 1991, nrs. 89/2275/47/003 e.a.).

6.3 De gemachtigde van appellante heeft in soortgelijke zaken ook reeds eerder de grief aangevoerd dat door de verplichte heffing ten gunste van activiteiten met een privaatrechtelijk karakter de vrijheid van vereniging als bedoeld in artikel 11 EVRM wordt geschonden. In de onderhavige procedure heeft hij benadrukt dat verweerder voor wat betreft de behartiging van de private belangen van de ondernemers tevens beschouwd dient te worden als een vormloze (informele) vereniging met een verplicht lidmaatschap. De gemachtigde van appellante heeft gesteld dat het College in eerdere uitspraken aan dit aspect ten onrechte is voorbijgegaan.

Het College ziet hierin geen grond zijn eerder uitgesproken oordeel te verlaten dat verweerder als publiekrechtelijk lichaam niet kan worden aangemerkt als een vereniging in de zin van artikel 11 EVRM en dat genoemde grief faalt.

6.4 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellante tegen het besluit van 8 februari 2006 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 18 april 2007 ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2006 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 april 2007 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. F. Stuurop en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2010.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.M.M. Bancken