Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM3127

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
AWB 08/486
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Heffing

Heffingen veeziektenfonds PVV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/486 14 april 2010

4034 Heffing

Heffingen veeziektenfonds PVV

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.J. Kloppenburg, werkzaam bij het productschap.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 2 juli 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de hem op grond van de Verordening bestemmingsheffingen Veeziektenfonds schapen en geiten (PVV) 2006 opgelegde heffing.

Bij brief van 19 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 27 januari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Verordening van het Productschap Vee en Vlees van 26 oktober 2005, houdende de vaststelling van bestemmingsheffingen op schapen en geiten ten behoeve van het veeziektenfonds PVV voor het jaar 2006 (Verordening bestemmingsheffingen Veeziektenfonds schapen en geiten (PVV) 2006, hierna: Verordening) luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Artikel 1

Deze verordening neemt de begripsbepalingen over van de Verordening algemene bepalingen heffingen (PVV) 2005 en verstaat voorts onder:

a. ondernemer : de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is

ingesteld en aan wie een uniek bedrijfsnummer is toegewezen;

b. UBN : uniek bedrijfsnummer als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling identificatie en

registratie dieren 2003;

c. standaardbedrijfseenheid : productie omvang van een onderneming uitgedrukt in de gestandaardiseerde netto

toegevoegde waarde per diersoort;

(…)

Artikel 2

1. De ondernemer aan wie in het jaar 2004 een aantal standaardbedrijfseenheden groter dan 1,25 wordt toegerekend ter zake van het houden van schapen, is een vaste heffing ten bedrage van € 160,- per UBN verschuldigd ten behoeve van het Veeziektenfonds PVV.

(…)

Artikel 3

De ondernemer aan wie in het jaar 2004 een aantal standaardbedrijfseenheden groter dan 1,25 wordt toegerekend ter zake van het houden van schapen (…) is een heffing ten behoeve van het Veeziektenfonds PVV verschuldigd over het aantal door hem op 1 november 2004 gehouden schapen (…) ten bedrage van € 1,65 per schaap (…).

Artikel 4

Voor de toepassing van deze verordening geldt het bepaalde bij of krachtens de Verordening algemene bepalingen heffingen (PVV) 2005.”

De Verordening van het Productschap Vee en Vlees van 1 november 2006, tot wijziging van de Verordening luidt voor zover hier van belang:

“Artikel I

a. In artikel 2, eerste lid, wordt “een vaste heffing ten bedrage van € 160,- per UBN” vervangen door: een vaste heffing ten bedrage van € 192,- per UBN.

(…)

Artikel II

In artikel 3, eerste lid, wordt “ten bedrage van € 1,65 per schaap (…)”, vervangen door: ten bedrage van € 1,98 per schaap (…).”

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 13 van de Verordening algemene bepalingen heffingen (PVV) 2005 wordt onder “schaap” verstaan: schaap, huisdier, ongeacht leeftijd of gewicht.

In de toelichting bij de Verordening is het volgende vermeld:

“ Algemeen

Onderhavige verordening voorziet in bestemmingsheffingen ten behoeve van het Veeziektenfonds schapen en geiten PVV die voorheen op basis van de verordeningen bijzondere heffing en basisheffing PVV werden geheven.

In de Verordening algemene bepalingen (PVV) 2005 zijn de algemene zaken ten aanzien van de opgave en verstrekking van gegevens, de vaststelling, oplegging en inning van de heffingen en het toezicht en de handhaving geregeld.

Doelstelling, neveneffecten, en algemeen/sectoraal belang van de activiteiten

De in het kader van onderhavige verordening op te leggen heffingen worden aangewend voor de (mede)financiering van maatregelen ter wering en bestrijding van besmettelijke veeziekten. De EU verplicht de nationale overheden aangewezen dierziekten op een voorgeschreven wijze te bestrijden met het oog op ongestoorde handel met alle landen die eenzelfde hoge gezondheidsstatus hebben. De Rijksoverheid is op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) gehouden bij de uitbraak van besmettelijke dierziekten, tegen een financiële tegemoetkoming, zieke dieren over te nemen van de veehouder. Hiermee wordt voorkomen dat zieke dieren bijdragen aan de verdere verspreiding van de besmettelijke ziekten. Daarnaast kan het Ministerie van Landbouw, Natuur, en Voedselkwaliteit de benodigde maatregelen nemen ter voorkoming van verspreiding van een besmettelijke dierziekte.

Deze financiering van overheidsmaatregelen is deels neergelegd bij het bedrijfsleven. (…) De medefinanciering is vastgelegd in een convenant financiering besmettelijke dierziekten dat is afgesloten met de Minister van Landbouw, Natuur, en Voedselkwaliteit. In het convenant neemt het productschap deze publieke verplichting over.

(…)

Onderbouwing structuur en werking naar de bedrijfsgenoten

De heffingssystematiek ten behoeve voor de inning van de bijdrage aan het Veewetziektenfonds is ten opzichte van de afgelopen jaren, voor de schapen- en geitensector in 2006 gewijzigd. Het innen van de benodigde bijdrage aan het Veewetziektenfonds zal door middel van een eenmalige UBN-heffing op het primaire bedrijf in 2006 plaatsvinden.

(…)

Vanwege de afspraak in het convenant, dat kosten voor bestrijding van besmettelijke dierziekten voor de hobbymatige houders niet ten laste komen van het door het bedrijfsleven gefinancierde deel van het Diergezondheidsfonds, brengen de Productschappen de kosten voor het Veewetziektenfonds slechts in rekening bij de aangesloten schapen- en geitenhouders voor zover de bedrijfsomvang 1,25 sbe (peilmoment I&R-2004) overstijgt. Bij het bepalen van de UBN-heffing wordt een evenredige kostenverdeling naar bedrijfsgrootte nagestreefd. Hiertoe is de heffing op het primaire bedrijf opgebouwd uit een vast tarief per bedrijf (bedrijfsgerelateerde kosten) en een variabel tarief (diergerelateerde kosten) dat is gebaseerd op het aantal aanwezige schapen of geiten.

(…)

Steunmelding

De bestemmingsheffingen die op grond van onderhavige verordening geheven worden behoren ingevolge het EG-recht tot één van de categorieën steunmaatregelen van artikel 87, tweede lid, EG-verdrag. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft de financiering op grond van artikel 87, derde lid, EG-verdrag goedgekeurd (…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij factuur van 29 augustus 2007 met nummer 17205 is aan appellant een heffing opgelegd ten bedrage van € 241,50 voor het Veeziektenfonds PVV in verband met het houden van schapen.

- Hiertegen heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Bij brief van 19 september 2007 heeft verweerder appellant naar aanleiding van zijn bezwaarschrift nadere informatie omtrent de heffing verstrekt.

- Op 13 december 2007 is appellant gehoord door de Externe bezwaarschriftencommissie Productschap Vee en Vlees (hierna: bezwaarschriftencommissie).

- Bij brief van 27 mei 2008 heeft appellant geklaagd over het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.

- Op 17 juni 2008 heeft de bezwaarschriftencommissie advies uitgebracht. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder op de gronden, genoemd in het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard. In dit advies is onder meer als volgt overwogen.

In het kader van de onderhavige heffing is het aantal schapen in twee opzichten van invloed op het verschuldigd zijn van de heffing en de hoogte er van: de heffing wordt per schaap berekend en opgelegd en voor de toerekening van het aantal bedrijfseenheden wordt aan alle schapen dezelfde waarde toegekend. Onder schapen dienen ook lammeren en rammen te worden gerekend. De ondernemer is de heffing verschuldigd over alle door hem op de peildatum gehouden schapen.

Eenieder die bedrijfsmatig schapen houdt is ondernemer in de zin van de verordening, ongeacht het oogmerk waarmee de dieren worden gehouden. Alleen indien de dieren voor eigen huishoudelijk gebruik worden gehouden en het aantal daarvan redelijkerwijs met dit doel in overeenstemming is, is geen sprake van bedrijfsmatig houden.

Het productschap kent aan elk schaap een waarde van 0,12 sbe toe. Dat betekent voor de toepassing van de Verordening dat de schapenhouder die op 1 november 2004 11 schapen of meer heeft heffingsplichtig is. De bezwaarschriftencommissie stelt vast dat niet is gebleken van enig als zodanig gepubliceerd besluit van het daartoe bevoegde bestuursorgaan ter nadere bepaling van de wijze en grondslag waarop toerekening van sbe geschiedt. Het productschap baseert zich op berekeningen van het Landbouw Economisch Instituut (LEI). De bezwaarschriftencommissie merkt op dat

“(…) waar het hier gaat om een zaak als de bepaling van de heffingsplichtigheid, de gestelde norm naar haar oordeel allereerst zou moeten berusten op regelgeving ter zake van de standaardbedrijfseenheid, waarbij aanvaardbaar is dat deze door een andere, doch ter zake gezaghebbende regelgever is vastgesteld. Als zodanig zou kunnen gelden de voornoemde Regeling Landbouwtelling 2000 van de Minister van LNV, die in Bijlage II ten behoeve van deze landbouwtelling de sbe 1997 per diersoort bevat. Zij tekent daarbij echter aan dat deze regeling inmiddels is vervallen. Een latere regeling van overheidswege, waarin het aantal sbe per diersoort is vervat, is de commissie niet bekend; in alle latere regelingen betrekking hebbend op de landbouwtelling komt de sbe niet meer voor. (…) Zoals hiervoor geconstateerd heeft het LEI na 1997 geen nieuwe sbe-normen bepaald, zodat van de tabel voor het jaar 1997 dient te worden uitgegaan. Uit deze tabel blijkt dat voor “Ooien” een waarde van 0,15 sbe geldt en dat zowel voor “Lammeren”als voor “Ov. schapen mnl.” een waarde van 0,12 sbe geldt. Bij beide laatste categorieën is evenwel een voetnoot (3) geplaatst die luidt: “ alleen wanneer niet aanwezig Ooien, anders 0,0”. Dat betekent dat voor de bepaling van het aantal sbe op grond van de LEI-publicatie en de in dit instituut ontwikkelde normstelling voor sbe uitgedrukt in diersoorten lammeren en rammen niet meetellen als deze behoren bij de aanwezige ooien(…) en in dat geval alleen de ooien – voor een waarde van 0,15 sbe – meetellen. Het productschap heeft door te rekenen als hiervoor uiteengezet een eigen rekenwijze gehanteerd die niet is gebaseerd op de wijze en grondslag zoals die – in de tijd dat deze eenheid operationeel was – door de minister van LNV en het LEI werd gehanteerd. Door aldus een eigen, daarvan afwijkende norm toe te passen, waarmee invulling is gegeven aan de artikelen 2 en 3 van de Verordening, zonder daartoe op grond van deze bepalingen gedwongen te zijn, heeft het productschap – waar het betreft de berekening van de grens van de heffingsplichtigheid – gehandeld in strijd met de rechtszekerheid.”

De bezwaarschriftencommissie stelt vast dat het heffingsbesluit alleen zou moeten worden herroepen indien een bezwaarde bij berekening van het aantal sbe aan de hand van de normen van het LEI onder de grens van 1,25 sbe zou geraken. In gevallen waarin de heffing voor 25 of minder schapen is opgelegd, zoals in het geval van appellant, dienen aan de hand van de I&R-telling van 1 november 2004 de gegevens nader te worden bezien teneinde te bepalen of op basis van de LEI-tabel al dan niet meer dan 1,25 sbe moet worden toegerekend.

Voor het opleggen van de heffing waren alleen de gegevens uit de novembertelling bruikbaar. Ten tijde van de vaststelling van de Verordening ging het productschap er van uit dat de heffing in 2006 zou worden opgelegd. In de eerste helft van dat jaar zouden de gegevens van de novembertelling 2005 echter nog niet volledig beschikbaar zijn. Daarom is besloten de gegevens van de novembertelling 2004 te gebruiken. Uiteindelijk, omdat de procedure bij de Europese Commissie meer tijd in beslag nam dan was voorzien kon de heffing pas in 2007 worden opgelegd. Weliswaar zijn daardoor peildatum en heffing ver uit elkaar komen te liggen maar dit is gebeurd op grond van de hier weergegeven overwegingen.

Voor de schapen- en geitenhouders is vóór 1 november 2004 niet duidelijk geweest dat hun bestand op die datum bepalend zou zijn voor de hoogte van de heffing, zodat zij daarop niet hebben kunnen anticiperen. Dat doet niet af aan de bevoegdheid van het productschap om te bepalen dat op basis van het aantal op deze peildatum gehouden schapen en geiten de heffing wordt opgelegd. Van iedere schapen- en geitenhouder mag worden verwacht dat hij medio 2004 op de hoogte was van het bestaan van het Diergezondheidsfonds en van de verplichting van de sector om – op nader te bepalen wijze – aan dit fonds mee te betalen. Daarnaast heeft het productschap de sector vanaf 2005 met alle ter beschikking staande middelen geïnformeerd over de wijziging in de heffingssystematiek.

Alles overziende is de bezwaarschriftencommissie van oordeel dat hetgeen in de Verordening is bepaald niet willekeurig is of in strijd met een hogere regeling. De Verordening is na het verkrijgen van de vereiste goedkeuringen op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Voorafgaand aan de totstandkoming van de Verordening zijn de verschillende soorten bestrijdingskosten geanalyseerd. Uit de analyse blijkt dat een groot gedeelte van de kosten per UBN wordt gemaakt en dat deze kosten niet afhankelijk zijn van het aantal dieren dat aanwezig is op de onderneming. Om deze bedrijfsgerelateerde kosten te dekken betalen de schapenhouders een vast heffingsbedrag. De overige kosten zijn afhankelijk van het aantal dieren dat aanwezig is. Dit gedeelte is verdisconteerd in een tarief per dier. Naar de mening van de bezwaarschriftencommissie is deze gedifferentieerde wijze van heffen niet onevenredig.

Dat appellant veel kosten heeft gemaakt in het kader van de zogenoemde “Rammenregeling” staat los van de voorliggende heffingsaanslag.

Verweerder heeft naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie nagegaan hoeveel sbe op 1 november 2004 op het bedrijf van appellant aanwezig waren indien dit aantal aan de hand van de LEI-normen zou worden berekend. Ook volgens die berekening waren meer dan 1,25 sbe aanwezig.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft – samenvattend weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Met betrekking tot het advies van de bezwaarschriftencommissie merkt appellant op dat deze er ten onrechte van uit gaat dat elke ooi 2 lammeren krijgt. Een gemiddelde index van 1,5 ooi is aannemelijker. Omdat appellant ten tijde van belang hooguit 20 dieren (lammeren en ooien) op zijn bedrijf had heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat 1,25 sbe moest worden toegerekend.

Pas zeven maanden na de hoorzitting, dus ruim buiten de wettelijke termijn, en nadat appellant op grond van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tegen het uitblijven van een besluit was opgekomen, is door verweerder op het bezwaarschrift beslist. Het grote aantal ingediende bezwaarschriften vormt hiervoor geen excuus.

De bezwaarschriftencommissie heeft ten onrechte overwogen dat geen aanleiding bestond om de Verordening wegens willekeur etc. buiten toepassing te laten. Uit een aantal citaten uit het advies blijkt dat de bezwaarschriftencommissie grote vraagtekens zet achter de regeling en de totstandkoming ervan. De grondslag van de berekening van de sbe en de interpretatie daarvan duidt op willekeur.

Appellant is het niet eens met hetgeen door de bezwaarschriftencommissie is opgemerkt over zijn bezwaren ten aanzien van de peildatum en de communicatie. Al vanaf het jaar 2000 is onder meer verweerder bezig geweest om de heffing te ontwikkelen. Aan de schapenhouders is daarover niets medegedeeld. Pas in 2007, toen de Verordening al in werking was, is melding gemaakt van de heffing. Hierdoor is gehandeld in strijd met artikel 3:42, eerste lid, Awb. De bekendmaking in PBO-blad 2007, nr. 37 is niet voldoende. Dit blad is niet het juiste kanaal om de Verordening aan de schapen/geitenhouders bekend te maken. Voorts is appellant niet gebleken dat de Verordening is goedgekeurd door EU en LNV.

Kleine schapenhouders worden door de hoogte van het vaste tarief onevenredig door de heffing getroffen. De vraag is voorts of een kleine, hobbymatige schapenhouder onder het bedrijfsleven valt. Appellant heeft in bijlage 13 bij zijn beroepschrift aangegeven dat hij, behoudens één ram en vijf lammeren, negen volwassen ooien had. Door de hoge heffing per UBN moet hij nu ongeveer 15 euro per ooi afdragen.

Het plotseling overboord zetten van de regeling die er op was gericht de schapenstapel scrapievrij te krijgen is zonde van het geld en de moeite. Verweerder hinkt op twee gedachten en dat kost de schapenhouders extra (overbodig) geld.

Ten onrechte heeft verweerder appellant geen verslag toegezonden van de hoorzitting en geen proceskostenvergoeding toegekend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de Verordening buiten toepassing had moeten blijven omdat zij strijd oplevert met het verbod van willekeur en met het rechtszekerheidsbeginsel en niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Het College overweegt het volgende.

5.2 Volgens vaste jurisprudentie van het College kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere - algemeen verbindende –regeling, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid toetsend geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan.

Het College stelt vast dat met de Verordening voor de periode 2005 – 2009 een nieuwe heffingssystematiek is geïntroduceerd. Anders dan in de voorafgaande convenantsperiode, waarin de kosten van bestrijding van besmettelijke dierziekten werden gefinancierd uit heffingen bij de slacht en de export van schapen en geiten, is gekozen voor het opleggen van heffingen aan de primaire sector, omdat ook deze van de dierziektebestrijding profiteert. De bedrijven betalen een eenmalige heffing die bestaat uit een vast tarief van € 192,-- per UBN en een variabel tarief, gebaseerd op het aantal aanwezige schapen of geiten, van € 1,98 per schaap. Naar het oordeel van het College kan, gelet op de aan de gemaakte keuze ten grondslag gelegde motivering, niet worden staande gehouden dat verweerder daartoe niet in redelijkheid had kunnen komen. Evenmin kan met vrucht worden gesteld dat de kleine schapenhouders onevenredig worden getroffen door de hoogte van het vaste bedrag. Verweerder heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de kosten die bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte ten aanzien van ieder bedrijf, ook die met een geringe omvang, moeten worden gemaakt, de hoogte van het tarief rechtvaardigen.

5.3 Appellant heeft met betrekking tot de door hem gestelde strijd van de Verordening met het rechtszekerheidsbeginsel onder meer verwezen naar zijn betoog in bezwaar, inhoudend dat de peildatum 1 november 2004 en de op basis daarvan verkregen gegevens geen enkele relatie hebben met de periode 2005-2009 waarop de heffing betrekking heeft.

5.4 In zijn uitspraak van 4 maart 2010 AWB 08/692 en 693, LJN (moet nog worden toegekend) heeft het College te dien aanzien het volgende overwogen:

“ (…) In artikel 5 van de Verordening is bepaald dat deze terugwerkt tot 1 januari 2006, maar uit de vermelding van het jaar 2004 en de verwijzing naar de peildatum van 1 november 2004 in de artikelen 2 en 3 van de Verordening komt naar voren dat met de Verordening is beoogd verder terug te grijpen.

Het College begrijpt deze bepalingen aldus, dat de relevante heffingsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 2 is het drijven van een onderneming in het kalenderjaar 2004. Met artikel 3 is beoogd een heffing op te leggen over de omvang van de op 1 november 2004 gehouden veestapel. Nu de Verordening na haar inwerkingtreding op 3 augustus 2007 rechtsgevolg verbindt aan feiten die zich in 2004 voorafgaand aan de inwerkingtreding hebben voorgedaan, betekent dit dat de Verordening terugwerkt tot 2004.

5.4 Het College volgt appellante in haar betoog dat zij er in 2004 niet op bedacht was of moest zijn dat zij ingevolge een nader vast te stellen Verordening een bijdrage aan het Veeziektenfonds verschuldigd zou raken. Het College overweegt hiertoe dat volgens de afspraken van het toen geldende Convenant de slacht of de uitvoer van de schapen en/of geiten werd beheven. Pas bij het sluiten van het nieuwe Convenant op 2 februari 2005 voor de periode 2005 tot en met 2009 is afgesproken dat voortaan de houders van de voor besmettelijke dierziekten vatbare dieren de kosten verband houdend met de bestrijding van die dierziekten (direct) zouden dragen. In het ontwerp van de Verordening, gepubliceerd op 23 september 2005, is aan dit voornemen tot wijziging van de heffingssystematiek uitvoering gegeven. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen aangeven dat de wijziging in de heffingsplicht en de uitwerking ervan in de Verordening eerder dan in september 2005 ter gelegenheid van de publicatie van het ontwerp van de Verordening aan de bedrijfsgenoten kenbaar is gemaakt.

De vraag rijst of inbreuk op het vertrouwen dat appellante had dat zij niet achteraf zou worden verrast door andere heffingsmaatregelen die met terugwerkende kracht haar onderneming zouden belasten, gerechtvaardigd was.

5.5 Verweerder noemt als bijzondere omstandigheid die de terugwerkende kracht zou rechtvaardigen, de noodzaak te beschikken over betrouwbare I&R gegevens, die slechts konden worden ontleend aan de novembertelling 2004. Uit een oogpunt van kostenbesparing was het opzetten van een nieuw systeem van controle van diergegevens geen optie. De goedkeuringsprocedure bij de Europese Commissie en de noodzaak van tussentijdse verhoging van de tarieven leidden echter tot niet voorzienbare vertraging van de inwerkingtreding van de Verordening tot in 2007.

Hetgeen verweerder heeft aangevoerd vormt geen rechtvaardiging dat bij het ontwerp van 23 september 2005 en bij de vaststelling van de Verordening op 26 oktober 2005, voor de omvang van de veestapel niet is gerefereerd aan de I&R gegevens van de novembertelling van 2005, met gelijktijdige algemene bekendmaking daarvan. Immers, verweerder heeft niet gesteld, en zonder meer valt ook niet in te zien, dat de heffingsoplegging die verweerder aanvankelijk had voorzien voor de eerste helft van 2006, niet met een aantal maanden had kunnen worden uitgesteld indien bedoelde I&R gegevens in het voorjaar 2006 nog niet volledig zouden zijn uitgewerkt. Bovendien hield verweerders voornemen om reeds in de eerste helft van 2006 de heffingen op te leggen, geen rekening met de rechtens vereiste en aldus voorzienbare aanmelding aan, en het onderzoek door, de Europese Commissie, waarvan de goedkeuring door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afhankelijk was.

5.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat toepassing van de artikelen 2 en 3 van de Verordening strijd oplevert met het beginsel der rechtszekerheid.”

5.5 In het licht van hetgeen in de hiervoor weergegeven uitspraak is overwogen komt het College ook in het voorliggende geschil tot het oordeel dat verweerder geen toepassing had mogen geven aan de artikelen 2 en 3 van de Verordening, zodat het besluit waarbij de heffing is opgelegd ten onrechte bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Het beroep van appellant is daarom gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het besluit waarbij de heffing is opgelegd dient te worden herroepen.

5.6 Gezien het vorenstaande behoeven de overige grieven van appellant geen bespreking meer. Appellant heeft in de bezwaarfase overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht tijdig verzocht om vergoeding van reiskosten, zodat aanleiding bestaat te bepalen dat deze kosten ten bedrage van € 8,12 (Gouda - Zoetermeer v.v.) alsnog aan hem dienen te worden vergoed. Het College ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure bij het College, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 11,62 wegens reiskosten (Gouda - Den Haag v.v.).

Het door appellant betaalde griffierecht dient aan hem te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 23 juni 2008;

- herroept het besluit van verweerder van 29 augustus 2007 waarbij de heffing is opgelegd;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten in verband met de behandeling van het

bezwaar tot een bedrag van € 8,12 (zegge: acht euro en twaalf cent) wegens reiskosten.

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure aan de zijde van appellant welke worden vastgesteld op € 11,62

(zegge: elf euro en twee en zestig cent) wegens reiskosten.

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 145,- (zegge:

honderdvijfenveertig euro), vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. P. Fortuin, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. G.D. Kleijne