Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM2707

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/612
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/612 24 maart 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B alsmede A en B in persoon, te C, appellanten,

gemachtigde: mr. P. Stehouwer, advocaat te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: C.A.R. Sloet en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 28 april 2009, bij het College op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 maart 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen een besluit van 9 september 2008, waarbij verweerder appellanten voor het jaar 2007 geen bedrijfstoeslag in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft toegekend.

Bij brief van 28 mei 2009 hebben appellanten hun beroep van gronden voorzien.

Bij brief van 6 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 24 februari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellanten, zoals tevoren aangekondigd, niet zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 9 september 2008 heeft verweerder besloten dat appellanten, wegens te late indiening van de verzamelaanvraag 2007, niet in aanmerking komen voor bedrijfstoeslag. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellanten tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellanten hebben, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellanten hebben op 8 mei 2007 het digitaal ingevulde formulier “Gecombineerde opgave 2007” (hierna: de Gecombineerde opgave) bij verweerder ingediend. Abusievelijk hebben zij bij rubriek 3A van de Gecombineerde opgave op de vraag “wilt u in 2007 toeslagrechten laten uitbetalen?”het antwoord “nee” ingevuld. Eveneens per abuis hebben zij bij geen van de percelen vermeld op het bij de Gecombineerde opgave behorende Overzicht gewaspercelen aangegeven dat zij deze wensen te benutten voor uitbetaling van hun toeslagrechten. De vergissing is te verklaren uit de onduidelijke vraagstelling rond gewone en braaktoeslagrechten.

Bij brieven van 8 juli en 20 augustus 2008 hebben appellanten verzocht om alsnog voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking te mogen komen. Dit verzoek is gedaan op grond van artikel 44, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, waarin is bepaald dat lidstaten, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer kunnen machtigen om de aangifte te wijzigen. Verweerder heeft dit verzoek tot wijziging op grond van een onjuiste uitleg van artikel 44, vierde lid, ten onrechte afgewezen.

Appellanten menen dat het in de Gecombineerde opgave niet aanvragen van bedrijfstoeslag dient te worden aangemerkt als een kennelijke fout in de zin van artikel van Verordening (EG) nr. 796/2004. Het verzoek tot wijziging van de aanvraag is daarom ten onrechte niet gehonoreerd.

Verweerder heeft bij de voorbereiding van het besluit nagelaten de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Aldus heeft hij in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.

Door het niet en onjuist plaatsen van een aantal kruisjes in de Gecombineerde opgave lopen appellanten € 12.781,93 aan bedrijfstoeslag mis. Daarmee is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel genomen.

Ten onrechte heeft verweerder nagelaten appellanten te horen naar aanleiding van hun bezwaar.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kan de lidstaat besluiten dat in de steunaanvraag alleen de veranderingen ten opzichte van het voorgaande jaar behoeven te worden opgegeven. In de Nederlandse digitale opgave is hieraan niet voldaan. Ingevolge artikel 22 had dan immers bij vraag 3a voorgedrukt het antwoord “ja” moeten staan.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellanten met de op 8 mei 2007 ingediende Gecombineerde opgave geen steunaanvraag hebben ingediend. Pas met hun brief van 8 juli 2008 hebben zij kenbaar gemaakt uitbetaling van hun toeslagrechten te wensen. Dat is na het verstrijken van de indieningstermijn voor de verzamelaanvraag en ook na afloop van de zogenoemde kortingstermijn die op 11 juni 2007 eindigde. Verweerder is dan gehouden op grond van artikel 21, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 796/2004 het verzoek tot wijziging van de Gecombineerde opgave af te wijzen, tenzij er sprake zou zijn van een kennelijke fout.

Nu er geen tijdig ingediende steunaanvraag is gedaan kan er, gelet op de bewoordingen van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 geen sprake zijn van een kennelijke fout.

De aanvraag voor uitbetaling van bedrijfstoeslag is ingediend na 11 juni 2007. Reeds hierom kan een verzoek tot wijziging in de zin van artikel 44, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 niet worden gehonoreerd.

Van onzorgvuldig handelen bij de voorbereiding van het besluit is geen sprake. Verweerder kon en mocht uitgaan van de juistheid van de door appellanten gedane mededeling dat zij geen uitbetaling van toeslagrechten wensten. Het is niet de taak van verweerder om een landbouwer er op te wijzen dat hij geen aanvraag heeft ingediend. Het staat de landbouwer immers vrij om al dan niet uitbetaling van toeslagrechten te vragen.

Nu appellanten geen uitbetaling van toeslagrechten hebben gevraagd zou het horen van appellanten naar aanleiding van hun bezwaar geen nieuw licht op de zaak hebben kunnen werpen.

Verweerder was op grond van de toepasselijke Europese regelgeving gehouden te beslissen zoals hij heeft gedaan. Voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb is onder die omstandigheden geen plaats.

Artikel 22, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 biedt de lidstaat een keuzemogelijkheid. Er bestaat dus geen verplichting voor verweerder om op het voorgedrukte formulier te vermelden dat de aanvrager in aanmerking wenst te komen voor bedrijfstoeslag.

Dat appellanten door de in hun ogen verwarrende vraagstelling in de Gecombineerde opgave een onjuiste opgave hebben gedaan laat onverlet dat het hun verantwoordelijkheid is de aanvraag correct ingevuld en tijdig in te dienen.

2.4.1 Appellanten hebben in de op 8 mei 2007 bij verweerder ontvangen Gecombineerde opgave te kennen gegeven dat zij geen uitbetaling van hun toeslagrechten wensten en eveneens hebben zij nagelaten percelen voor benutting van hun toeslagrechten aan te wijzen. Met de ingediende Gecombineerde opgave is derhalve geen steunaanvraag gedaan.

Verweerder was naar het oordeel van het College op grond van artikel 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 gehouden het verzoek om wijziging van de Gecombineerde opgave van 8 juli 2008 af te wijzen, nu dit niet tijdig werd gedaan, tenzij er sprake zou zijn van een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Dit artikel bepaalt dat de steunaanvraag te allen tijde kan worden gecorrigeerd bij een kennelijke fout. Nu er met de Gecombineerde opgave geen steunaanvraag is gedaan kan het beroep op de aanwezigheid van een kennelijke fout reeds daarom niet slagen.

2.4.2 Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder op basis van het bepaalde in artikel 44, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 over de mogelijkheid beschikt landbouwers te machtigen hun aangifte te wijzigen.

Het College is van oordeel dat deze grief niet kan slagen en overweegt, met verwijzing naar zijn uitspraak van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418) daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 145, onder k, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moeten uitvoeringsbepalingen worden gemaakt betreffende de wijzigingen die in een steunaanvraag kunnen worden aangebracht. Aan onder andere die bepaling is uitvoering gegeven bij Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie. Het gaat dan met name om artikel 19 en artikel 15, waar in de eerste alinea van het eerste lid een ruime mogelijkheid voor aanvulling van de aanvraag met nieuwe percelen landbouwgrond wordt gegeven. Blijkens het tweede lid is uitoefening van de genoemde mogelijkheid echter aan een termijn gebonden.

Het College ziet geen grond te betwijfelen dat een dergelijke beperking in de tijd in een uitvoeringsverordening kan worden opgenomen.

Gelet daarop moet ervan worden uitgegaan dat de mogelijkheden tot acceptatie van wijziging van een verzamelaanvraag, die artikel 44, vierde lid van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aan de lidstaten biedt, nader zijn uitgewerkt in de artikelen 15 en 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Anders dan appellanten willen, is er geen reden om aan te nemen dat naast die uitwerking nog een zelfstandig, rechtstreeks aan artikel 44, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ontleend recht om wijziging van de steunaanvraag te accepteren, zou bestaan.

2.4.3 Dat verweerder bij de voorbereiding van het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb zou hebben gehandeld acht het College niet aangetoond. Verweerder mocht er van uitgaan dat appellanten, conform hetgeen zij hebben opgegeven in de Gecombineerde opgave, geen uitbetaling van hun toeslagrechten wensten. Het is niet de taak van verweerder appellanten er op te wijzen dat zij geen aanvraag bedrijfstoeslag hadden gedaan. Evenmin ligt het op verweerders weg zich te verdiepen in de vraag of appellanten met een andere wijze van invullen van de Gecombineerde opgave mogelijkerwijs een gunstiger resultaat zouden hebben bereikt.

2.4.4 Gelet op de niet onlogische, duidelijke en niet innerlijk tegenstrijdige wijze waarop appellanten de Gecombineerde opgave hebben ingevuld kon verweerder redelijkerwijs veronderstellen dat het horen van appellanten geen nieuwe gezichtspunten, die aanleiding zouden kunnen geven tot een heroverweging van het besluit waarvan bezwaar, zou opleveren. Onder die omstandigheden kon verweerder van het horen van appellanten afzien.

2.4.5 Het beroep op het evenredigheidsbeginsel zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht kan niet slagen.

De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voorzover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Zoals hiervoor is overwogen was verweerder op grond van de toepasselijke Europese regels gehouden de aanvraag af te wijzen nu deze te laat werd ingediend en niet gebleken is dat dit te wijten is aan overmacht.

2.4.6 Het betoog van appellanten dat verweerder in strijd met artikel 22, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 heeft nagelaten in de Gecombineerde opgave bij vraag 3A voorgedrukt op te nemen dat de landbouwer uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst, miskent dat dit artikel verweerder daartoe niet verplicht. Het artikel geeft verweerder slechts de mogelijkheid om er voor te kiezen dat de landbouwer in zijn opgave uitsluitend de wijzigingen ten opzichte van het vorige jaar behoeft op te geven. De omstandigheid dat in andere landen wel standaard op de opgave staat dat de landbouwer uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst, maakt dit niet anders.

2.4.7 Het betoog van appellanten dat zij door de in hun ogen gebrekkige programmatuur die benut moet worden bij het digitaal invullen van de Gecombineerde opgave in verwarring zijn geraakt kan niet slagen. Uitgangspunt is dat het de verantwoordelijkheid van de aanvrager is om de Gecombineerde opgave correct ingevuld tijdig in te dienen.

Dat appellanten, vanwege het feit dat zij niet over braaktoeslagrechten beschikken, besloten bij vraag 3A in te vullen dat zij geen uitbetaling van toeslagrechten wensten, dient voor hun risico te komen. Alvorens deze keuze te maken hadden zij bij verweerder kunnen navragen of hun veronderstelling dat bij het ontbreken van braaktoeslagrechten zo gehandeld diende te worden juist was.

2.4.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. F.W. du Marchie Sarvaas