Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM2672

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/499
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regelgeving overig

Vleeskalveren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/249 met annotatie van I. Sewandono
NJB 2010, 1120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/499 10 maart 2010

7760 Regelgeving overig

Vleeskalveren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. G.M.F. Snijders, advocaat te Utrecht,

tegen

Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. A.F. Ordogh, werkzaam bij het productschap.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 3 juli 2008, bij het College binnengekomen op 4 juli 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen zijn uitsluiting voor het premiejaar 2007 van de premiebedragen op grond van de slachtpremieregeling voor kalveren ongegrond verklaard.

Bij brief van 6 augustus 2008 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld en nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 8 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 januari 2010 heeft appellant een rapportage van dr. C.J.M. Arts, werkzaam bij Arts Project Support te

’s Hertogenbosch toegezonden.

Op 27 januari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. L. Westerbroek is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Appellant werd voorts vergezeld door ing. A.G.M. Oosterwegel, werkzaam bij Alpuro B.V. te Uddel en dr. C.J.M. Arts, als deskundige. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is aan de zijde van verweerder verschenen H.J. Keukens, hoofd laboratorium Voedsel en Waren Autoriteit regio Oost, te Wageningen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (hierna: Verordening 1782/2003), luidt voor zover hier van belang als volgt.

“Artikel 140

Stoffen die krachtens Richtlijn 96/22/EG van de Raad verboden zijn

1. Wanneer residuen van stoffen die op grond van Richtlijn 96/22/EG van de Raad verboden zijn of residuen van stoffen die op grond van de genoemde richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, onder toepassing van de relevante bepalingen van Richtlijn 96/23/EG van de Raad worden aangetroffen bij een dier van het rundveebeslag van een landbouwer, dan wel wanneer een niet-toegestane stof of een niet-toegestaan product, of een op grond van de eerstgenoemde richtlijn toegestane stof of toegestaan product die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van die landbouwer wordt aangetroffen, wordt de betrokken landbouwer voor het kalenderjaar waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van de bedragen waarin de bepalingen van dit hoofdstuk voorzien.

In geval van recidive kan de uitsluitingsperiode naar gelang van de ernst van de overtreding verlengd worden tot vijf jaar, te rekenen vanaf het jaar waarin de recidive is geconstateerd.

(…)”

Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG luidt:

“ Artikel 8

De Lid-Staten zien erop toe dat:

(…)

3. de opsporing

a) van de aanwezigheid van de in punt 1 bedoelde stoffen in dieren en in het drinkwater voor dieren, alsmede op alle plaatsen waar dieren worden opgefokt of gehouden;

b) van de aanwezigheid van residuen van bovengenoemde stoffen in levende dieren, in de excreta en lichaamsvochten daarvan, alsmede in weefsel en dierlijke produkten,

wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen III en IV bij Richtlijn 96/23/EG; (..)”

Bijlagen III en IV bij Richtlijn 96/23/EG hebben betrekking op respectievelijk de wijze van monsterneming en niveaus en frequentie van de monsternemingen.

Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG luidt als volgt.

“Artikel 1

Bij deze richtlijn worden de controlemaatregelen vastgesteld met betrekking tot de in bijlage I bedoelde stoffen en groepen residuen.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van Richtlijn 96/22/EG. Voorts wordt verstaan onder:

a) "niet-toegestane stoffen of produkten": stoffen of produkten die krachtens de communautaire wetgeving niet aan dieren mogen worden toegediend;

BIJLAGE I

GROEP A - Stoffen met anabole werking en niet-toegestane stoffen

(…)

6. Stoffen die vermeld staan in bijlage IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990. “

In bijlage IV bij Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990, houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, getiteld “lijst van farmacologisch werkzame substanties waarvoor geen maximumwaarde kan worden vastgesteld”, staat onder meer de stof chlooramfenicol vermeld.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 12 juni 2007 heeft verweerder een rapportageformulier positieve gevallen groeibevorderaars ontvangen, opgemaakt op 30 mei 2007 door de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID). Blijkens dit formulier is bij bemonstering ter plaatse van ESA Exportslachterij te Apeldoorn van een van het bedrijf van appellant afkomstig vleeskalf op 22 mei 2007 in een urinemonster een concentratie chlooramfenicol (CAP) boven het maximaal toegelaten gehalte aangetroffen.

- Bij brief van 28 juni 2007 heeft de Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: VWA) ESA Exportslachterij op de hoogte gesteld van de resultaten van het herkeuringsonderzoek. Deze brief luidt voor zover hier van belang:

“ Het monster werd via de aangegeven methode(n) chemisch onderzocht op de aanwezigheid van residuen van dierbehandelingsmiddelen.

De oorspronkelijke meting t.b.v. chlooramfenicol is uitgevoerd door de VWA

Uitslag: Chlooramfenicol, NIET CONFORM, gehalte 6,0 µg/l.

Aangetoond werd dat de stof in het onderzochte monster aanwezig was boven de aantoonbaarheidsgrens. De bevestiging van het resultaat voldoet aan de criteria zoals deze door de EU worden voorgeschreven.

Herkeuringsonderzoek (contra-expertise) heeft plaatsgevonden bij RIVM.

Uitslag: chlooramfenicol, Non-Compliant (Niet-Conform ). Zie bijlage.”

- Bij brief van 30 november 2007 heeft verweerder appellant op de hoogte gesteld van de rapportage en hem medegedeeld dat hij voor het premiejaar 2007 wordt uitgesloten van de premiebedragen op grond van de slachtpremieregeling kalveren.

- Hiertegen heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Appellant is op 4 maart 2008 ter zake van zijn bezwaarschrift gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen en beslist.

“ U betwist niet dat het laboratorium van de VWA heeft vastgesteld dat in een urinemonster van een kalf afkomstig van uw bedrijf chlooramfenicol is aangetroffen. De aangetroffen hoeveelheid bedraagt 6,0 µg/l.. Dit blijkt uit de brief van het laboratorium van de VWA van 28 juni 2007 (kenmerk vwa/ow/V070243).

De deugdelijkheid van het monsteronderzoek en de juistheid van de uitslag staan dan ook vast. Bovendien is ook uit de onderzoeksresultaten van een door u aangevraagde contra-expertise door TNO de aanwezigheid van chlooramfenicol in het monster gebleken.

Uw stelling dat mogelijk sprake is geweest van een verwisseling van een monster van uw kalf met dat van een andere kalverhouder is door u naar voren gebracht zonder dat u daarvoor aanwijzingen of bewijs heeft geleverd. Ik heb echter geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de werkwijze van het laboratorium van de VWA. Uit de brief van het laboratorium van de VWA van 24 mei 2007 blijkt dat het urinemonster genomen is op het bedrijf met UBN 1226395, dat aan u toebehoort, en dat het verzegeld is met plombenummer 000003. Bovendien is in het bewakings- en meldingssysteem van de AID het intern VWA nummer CO7NO6893 gekoppeld aan het kalf met de ID-code NL 479629894.

U heeft ook aangevoerd dat u niet verantwoordelijk bent geweest voor de aanwezigheid van chlooramfenicol in de urine van het kalf en dat onduidelijk en onverklaarbaar is hoe deze stof in de urine van het kalf terecht is gekomen.

Het aantreffen van een verboden stof als chlooramfenicol in een kalf behorend tot uw rundveebeslag leidt op grond van artikel 140, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 dwingend tot uitsluiting van premies voor het betreffende kalenderjaar. Dit gevolg vloeit dus rechtstreeks voort uit deze bepaling. Deze bepaling laat het productschap dan ook geen ruimte voor een belangenafweging waarbij zou moeten worden meegewogen hoe de aanwezigheid van een verboden stof is veroorzaakt en of de betreffende landbouwer verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de verboden stof. De enkele aanwezigheid van een verboden stof als chlooramfenicol in het urinemonster van een kalf behorend tot uw rundveebeslag komt daarom voor uw risico en is voor uitsluiting van kalverslachtpremie voldoende.

Het argument dat u geen schuld treft omdat de aanwezigheid van chlooramfenicol onverklaarbaar is en u niet verantwoordelijk kan worden gesteld, kan dan ook niet leiden tot een gegrondverklaring van uw bezwaar.”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft – samenvattend weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Appellant betwist dat CAP is aangetroffen in de urine van een dier van het rundveebeslag van zijn bedrijf. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn geweest van een verwisseling van monsters, hetzij binnen het slachthuis, hetzij binnen het laboratorium van de VWA. Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd. Ten onrechte is daarin overwogen dat appellant niet betwist dat in een urinemonster van een kalf afkomstig van zijn bedrijf chlooramfenicol is aangetroffen. Voorts is er ten onrechte van uitgegaan dat het monster op het bedrijf van appellant is genomen.

Er zijn wel degelijk aanwijzingen dat een verwisseling van monsters heeft plaatsgevonden. Bij onderzoek door TNO van op 25 mei 2007 genomen monsters van lever en nier is geen spoor van CAP aangetroffen. Mondeling is van de zijde van de AID vernomen dat monsters van het karkas van het kalf met ID- code NL 479629894 en van twaalf andere kalveren van het bedrijf van appellant geen spoor van CAP hebben opgeleverd.

Anders dan is vermeld in het verslag is tijdens de hoorzitting niet alleen uiteengezet dat CAP een lichaamsvreemde stof is en daarom eerder in water dan in organen en weefsel zal worden aangetroffen. Gelet op de hoge concentratie CAP in het urinemonster is het allesbehalve logisch dat helemaal geen CAP in nier, lever en vlees werd gedetecteerd. Indien de urine van het dier 6 ppb CAP bevat kan het niet anders of in de organen en het spierweefsel moeten minimaal sporen van CAP worden aangetroffen.

Op het bedrijf van appellant zijn alle mogelijke bronnen van CAP-contaminatie onderzocht. Slechts van Zuivelgrondstof 5, die verwerkt wordt in kalvermelk, was de uitslag “verdacht”. Bij analyse van een partij kalvermelk die voor ongeveer een derde uit Zuivelgrondstof 5 was bereid werd het gehalte CAP bepaald op 0,141 ppb. Bij eerder onderzoek door TNO van met CAP gecontamineerde melk gevoerde kalveren bleek een maximaal gemeten gehalte in de urine van 0,1 ppb. Uit het rapport van onderzoek door TNO kan onmogelijk worden opgemaakt dat een concentratie van 0,141 ppb in kalvermelk zou kunnen leiden tot een gehalte in urine van 6 ppb. Gelet op een en ander stelt appellant zich op het standpunt dat de in het urinemonster aangetroffen concentratie van 6 ppb onmogelijk uit de CAP-contaminatie van Zuivelgrondstof 5 kan worden verklaard.

Het besluit is gezien het vorenstaande onzorgvuldig voorbereid. De uitsluiting van de premiebedragen is in strijd met de wet omdat geenszins vaststaat en zelfs zeer onaannemelijk is dat het door het RIKILT onderzochte urinemonster afkomstig is van het kalf met ID-code NL 479629894, althans van enig van het bedrijf van appellant afkomstig kalf.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft allereerst betoogd dat verweerder van onjuiste feiten is uitgegaan door in het bestreden besluit op te merken dat appellant de aanwezigheid van CAP in de urine van het betrokken kalf niet heeft betwist, en door vast te stellen dat het kalf op het bedrijf van appellant is geslacht. Deze grief treft doel. Uit de stukken blijkt dat de slacht heeft plaatsgevonden in het slachthuis ESA Exportslachterij Apeldoorn B.V. en dat appellant zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat de urine van het betrokken kalf niet met CAP gecontamineerd was.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet berust op een deugdelijke motivering. Derhalve is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting in een zaak van gemiddeld gewicht).

5.2 Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting de motivering van het besluit op voormelde punten gewijzigd en aangegeven dat het gaat om een kalf dat geslacht is in genoemd slachthuis. Volgens verweerder kan een en ander evenwel niet afdoen aan de juistheid van zijn besluit appellant uit te sluiten van premies over het jaar 2007. Het College zal daarom bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Overwogen wordt als volgt.

5.3 Appellant heeft betoogd dat er redenen zijn om aan te nemen dat er een verwisseling van monsters heeft plaatsgevonden. Volgens hem is het uitgesloten dat een zo grote hoeveelheid CAP als hier het geval is in de urine van het kalf wordt aangetroffen, terwijl in lever en nieren geen sporen van CAP worden gevonden. Voor de juistheid van die stelling heeft het College evenwel onvoldoende aanknopingspunt kunnen vinden.

Ter zitting heeft de door verweerder meegebrachte deskundige Keukens uiteengezet dat eventuele CAP in het monster van lever en nieren tussen de slacht en de levering aan TNO zal zijn omgezet in een andere stof en dat niet is gebleken dat door TNO terzake een correctie is toegepast. De door appellant meegebrachte deskundige Arts heeft desgevraagd als zijn mening gegeven dat in die situatie altijd nog wel wat CAP in lever en nieren kan worden aangetroffen, maar heeft die stelling verder niet kunnen onderbouwen. Gelet op de op dit punt bestaande onzekerheid kan hetgeen naar voren is gebracht het College niet tot de overtuiging brengen dat aannemelijk is dat een verwisseling heeft plaatsgevonden en dat het beoordeelde monster niet afkomstig kan zijn van het betrokken kalf.

5.4 Evenmin kan het betoog van appellant dat de aanwezigheid van CAP, gelet op uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek, niet kan zijn veroorzaakt door het gebruik van Zuivelgrondstof 5, leiden tot het oordeel dat de urine van het betrokken kalf niet de door VWA en RIVM vastgestelde hoeveelheid CAP kan hebben bevat. Het is immers niet uitgesloten dat de contaminatie niet uit bedoelde zuivelgrondstof maar uit een andere bron afkomstig is.

5.5 In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangegeven dat en hoe uit de beschikbare stukken eenduidig kan worden afgeleid dat de positieve onderzoeksbevindingen betreffende het interne VWA nummer CO7NO6893 betrekking hebben op het rund met de ID-code 479629894.

Het College oordeelt dat de door verweerder beschreven en onweersproken gebleven administratieve verwerking in de diverse fasen van het onderzoek, mede gelet op de omstandigheid dat het laboratorium van de VWA, dat de monsteranalyse heeft uitgevoerd, en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, dat het herkeuringsonderzoek van het monster heeft uitgevoerd, erkende laboratoria in de zin van artikel 2, aanhef, en onder f van de Richtlijn 96/23/EG zijn en de omstandigheid dat beiden over een ISO 17025 geaccrediteerd basiskwaliteitssysteem beschikken, geen twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de hier bereikte conclusie dat de urine van het kalf met de ID-code NL 479629894 positief bevonden is.

5.6 Gelet op het voorgaande stelt het College vast dat in een kalf behorend tot het rundveebeslag van appellant een verboden stof is aangetroffen en dat in dat geval artikel 140 van Verordening 1782/2003 ertoe verplicht de betrokken landbouwer voor het kalenderjaar waarin een en ander is vastgesteld uit te sluiten van de bedragen waarin de bepalingen van hoofdstuk 12 van die verordening voorzien. Derhalve kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, die alle voortvloeien uit de toepassing van genoemd artikel 140, in stand blijven.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro)

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 144,-- (zegge: honderdvierenveertig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.B.F. van Zutphen en mr. P. Fortuin, in tegenwoordigheid van mr. G.D. Kleijne, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. G.D. Kleijne