Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM2454

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; bedrijfstoeslag 2008; geen kennelijke fout in de zin van artikel 19 Verordening (EG) nr. 796/2004

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/393 10 maart 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A en B en C, te D, appellanten,

gemachtigde: F. Boersma, werkzaam bij Countus, accountants en adviseurs te Emmeloord,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. S.M. Oude Lage Venterink en mr. M. Prijs, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 13 maart 2009, bij het College binnengekomen op 16 maart 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 februari 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen een besluit van 5 december 2008, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag 2008 van appellanten op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft vastgesteld.

Bij brief van 8 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 10 februari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag voor 2008 van appellanten, na aftrek van 5 % modulatiekorting, vastgesteld op € 11.798,56. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellanten tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellanten hebben, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Zij hebben in hun aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 gemaakt door slechts achter de percelen 7, 9 en 13 met “G” (in totaal 20.84 ha) aan te geven dat deze benut worden voor uitbetaling van hun toeslagrechten. Doordat dit per abuis niet is gebeurd bij de percelen 1 tot met 6, 8, 10 tot en met 12 14, 17 en 18 (in totaal 49.53 ha), heeft verweerder een gedeelte van de op hun naam staande 23,57 toeslagrechten niet uitbetaald. Het is duidelijk dat hier sprake is van een kennelijke fout, nu het volstrekt onlogisch is dat appellanten geen volledige uitbetaling van hun toeslagrechten zouden wensen.

Ter zitting hebben appellanten, met verwijzing naar de jurisprudentie van het College over de kennelijke fout hieraan toegevoegd dat zij 12 percelen van samen bijna 50 ha, waarbij het voor een gedeelte om gehuurde percelen gaat, niet voor uitbetaling van toeslagrechten hebben aangekruist. Zij menen dat er geen reden te bedenken is waarom zij zoveel percelen niet voor uitbetaling hadden willen opgeven.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellanten pas in hun bezwaarschrift van

17 december 2008 - en dus ver na de uiterste datum waarop wijziging van de aanvraag nog mogelijk was - te kennen hebben gegeven dat zij meer percelen dan de opgegeven drie willen benutten voor de uitbetaling van hun toeslagrechten. Volgens verweerder is geen sprake van een kennelijke fout, omdat bij de beoordeling van de aanvraag geen tegenstrijdigheid is gebleken. Naar de mening van verweerder behoort het niet tot zijn taak om zich bij de beoordeling van de aanvraag te verdiepen in de motieven van de aanvrager om zijn toeslagrechten al dan niet geheel uit te laten betalen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het kleine verschil tussen de uitbetaalde bedrijfstoeslag en het bedrag dat maximaal uitbetaald had kunnen worden voor hem doorslaggevend is om geen kennelijke fout aanwezig te achten.

2.4 Het College overweegt, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

2.4.1 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek na ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

2.4.2 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.4.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellanten, die over 23,57 toeslagrechten met een waarde van € 598,32 per recht beschikken en die op het Overzicht gewaspercelen 18 percelen met een totale oppervlakte van 80.77 ha hebben opgegeven, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als zij slechts voor 20,84 van deze toeslagrechten om uitbetaling vragen.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer incidenteel redenen kan hebben om percelen niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.4.4 Het College is van oordeel dat er in het geval van appellanten, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding is een kennelijke fout aan te nemen. Het overweegt hiertoe als volgt.

Appellanten hebben in de Gecombineerde opgave opgegeven hun toeslagrechten te willen laten uitbetalen. Daarvoor hebben zij voor een groot gedeelte van de hun ter beschikking staande toeslagrechten - 20,84 van de 23,57 - gebruik gemaakt. Appellanten hebben hierdoor € 12.419,54 (exclusief modulatiekorting) van de totaalwaarde van de toeslagrechten van € 14.046,47 (exclusief modulatiekorting) benut. Daarmee is het verschil tussen hetgeen appellanten hebben aangevraagd en hetgeen zij maximaal konden aanvragen niet zodanig groot dat dit bij een summier onderzoek van de aanvraag direct in het oog moet springen. Daarbij komt dat appellanten in het Overzicht gewaspercelen meer percelen hebben vermeld dan nodig is om al hun toeslagrechten te verzilveren. Tegen die achtergrond behoeft het bij een summier onderzoek van de aanvraag niet op te vallen dat niet alle percelen voor uitbetaling zijn opgegeven.

In beroep hebben appellanten aangegeven dat zij, naast de opgegeven drie percelen ook nog 12 andere percelen van samen ruim 49 ha voor uitbetaling hadden willen benutten. Het betoog van appellanten dat het onaannemelijk is dat 49 ha niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoen en dat er dus geen reden te bedenken valt waarom deze percelen niet werden aangekruist voor uitbetaling, maakt evenwel nog niet dat er daarom sprake is van een kennelijke fout. Bij summier onderzoek van de aanvraag heeft verweerder immers kunnen vaststellen dat een zeer groot gedeelte van de toeslagrechten met de opgave werd verzilverd. Verweerder behoefde vervolgens, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet in de motieven van appellanten te treden om niet alle toeslagrechten te verzilveren.

Andere (bijzondere) omstandigheden die - ondanks het voornoemde beperkte verschil - nopen tot een andere conclusie op dit punt, zijn het College niet gebleken.

Onder deze omstandigheden is er onvoldoende aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het werkdocument als onvoldoende samenhangend aan te merken. Het feit dat niet alle percelen zijn gebruikt voor de uitbetaling levert in het onderhavige geval onvoldoende grond op voor de door appellant bepleite conclusie dat sprake is van een kennelijke fout. Verweerder was dan ook gehouden het verzoek om wijziging van de aanvraag af te wijzen.

2.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep omgegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. F.W. du Marchie Sarvaas