Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM2417

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/969
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten; landbouwkwaliteitswet; overtreding handelsnormen voor eieren; tuchtrechtelijke maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/969 18 maart 2010

20310 Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau

voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante van een op 27 mei 2009, onder het nummer TS 45a/2008 tegen haar gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (hierna: het Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beroepschrift van 17 juli 2009, ingekomen ter griffie van het College op 20 juli 2009, heeft appellante beroep ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking, die appellante ter kennis is gebracht bij brief van 29 juni 2009.

De Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten heeft het College bij brief van 4 augustus 2009 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Bij brief van 1 september 2009 heeft de secretaris van het Tuchtgerecht het College het proces-verbaal van de zitting bij het Tuchtgerecht doen toekomen.

Op 15 december 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen C, directeur van appellante, en D van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten.

2. De toepasselijke regelgeving

In de Landbouwkwaliteitswet is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 13

1. Bij overtreding van bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit gestelde regelen kunnen een of meer van de volgende tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd:

(…);

b. geldboete;

(…)

2. De controle-instelling regelt bij reglement de samenstelling en bevoegdheid van haar organen die de tuchtrechtspraak uitoefenen, alsmede de rechtsgang van het tuchtrechtelijk geding, een en ander met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

3. De artikelen 1, onderdeel b, 3 tot en met 6, 21 tot en met 25, 27 tot en met 41, 42 en 44 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder 'de voorzitter van het bedrijfslichaam' en 'bedrijfslichaam' in die artikelen telkens moet worden verstaan: de controle-instelling.”

In het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, zoals dit luidde tot 31 juli 2008, is het volgende bepaald:

“Artikel 3

Eieren worden slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan de artikelen 3 tot en met 6 van verordening (EG) 1028/2006 en de artikelen 2, 4, 5 tot en met 23 en 29 van verordening (EG) 557/2007 en bij of krachtens dit besluit gestelde regels.”

In Verordening (EG) nr. 557/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 mei 2007 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1028/2006 van de Raad betreffende de handelsnormen voor eieren (PbEU L 132/5) is, onder meer, het volgende bepaald:

“Artikel 1

Definities

(…)

Daarnaast gelden voor de toepassing van deze verordening de volgende definities:

(…)

j) “ompakken” het fysiek overbrengen van eieren in een andere verpakking of het opnieuw merken van een verpakking met eieren.

Artikel 12

Het merken van verpakkingen

1. Verpakkingen met eieren van klasse A moeten aan de buitenzijde goed zichtbaar en duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen dragen:

a) de code van het pakstation;

(…)

d) de datum van minimale houdbaarheid overeenkomstig artikel 13 van deze verordening;

(…)

2. Bovenop de eisen van lid 1 geldt voor verpakkingen met eieren van klasse A dat aan de buitenzijde goed zichtbaar en duidelijk leesbaar de houderijmethode moet zijn vermeld.

(…)

Artikel 13

Vermelding van de datum van minimale houdbaarheid

De in artikel 3, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2000/13/EG bedoelde datum van minimale houdbaarheid wordt op maximaal 28 dagen na de legdatum vastgesteld. Bij vermelding van de legperiode wordt de eerste dag van die periode als grondslag genomen voor de berekening van de datum van minimale houdbaarheid.

Artikel 19

Ompakken

Verpakte eieren van klasse A mogen alleen door pakstations worden omgepakt. Elke verpakking mag slechts eieren van één partij bevatten.”

3. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht appellante een geldboete opgelegd van € 3.200,--, met de bepaling dat hiervan een gedeelte groot € 1.200,-- niet zal worden ingevorderd indien appellante gedurende één jaar, ingaand op de datum waarop haar deze tuchtbeschikking is toegezonden, niet opnieuw een overtreding, soortgelijk aan de onderhavige, zal hebben gepleegd. De geldboete is opgelegd ter zake het overtreden van het in artikel 3 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 neergelegde verbod om eieren in de handel te brengen die niet voldoen aan de bepalingen in Verordening (EG) nr. 1028/2006 en Verordening (EG) nr. 577/2007.

Ter zake van de gronden waarop de bestreden tuchtbeschikking berust, wordt verwezen naar de inhoud van de beschikking, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat hier met het volgende.

Het Tuchtgerecht heeft bewezen geacht dat appellante één partij eieren, bestaande uit 64.080 eieren bij het ompakken als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 557/2007 in strijd met artikel 13 van Verordening (EG) nr. 557/2007 heeft voorzien van een andere datum van minimale houdbaarheid dan de oorspronkelijke datum van minimale houdbaarheid die op de eieren was vermeld. Het Tuchtgerecht heeft hieraan ten grondslag gelegd de inhoud van twee berechtingsrapporten nrs. K08040 en K08040a die door een controleur bij de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten zijn opgesteld alsmede de op de zitting van het Tuchtgerecht door C afgelegde verklaring.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep betoogd dat de op de verpakkingen door haar aangebrachte datum voldeed aan de Europese handelsnormen omdat de eieren waren gekocht van een Duits pakstation met een houdbaarheidsdatum van 21 dagen op basis het “G.G.M. kwaliteitssysteem”.

Voorts is appellante van mening dat de opgelegde boete te hoog is. Appellante wijst hiertoe op de omstandigheid dat bij de Engelse controle drie partijen eieren zijn afgekeurd hetgeen volgens haar niet terecht was. Zij stelt dat zij het Landbouwkwaliteitsbesluit niet opzettelijk heeft overtreden.

Appellante meldt ten slotte dat zij in aanvaring is gekomen met één van de leden van het Tuchtgerecht en meent dat diens oordeel grote invloed heeft gehad op de hoogte van de boete.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat appellante niet heeft betwist dat zij de verpakkingen van één partij eieren, bestaande uit 64.080 eieren en voorzien met een datum van minimale houdbaarheid van 15-06-2008, heeft omgelabeld en van de datum van 23-06-2008 heeft voorzien en dat appellante deze partij eieren aan een bedrijf in Engeland heeft geleverd, waar op 27 mei 2008 de controle door een Engelse inspecteur heeft plaatsgevonden.

5.2 Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de oorspronkelijk op de verpakkingen vermelde datum overeenkwam met een datum van 21 dagen na legdatum omdat de eieren op basis van een ander kwaliteitssysteem waren ingekocht. Naar het oordeel van het College faalt dit betoog. Appellante heeft haar stelling dat zij deze partij eieren bij een Duits pakstation heeft gekocht met een ten minste houdbaarheidsdatum van 21 dagen met geen enkel stuk onderbouwd.

Daarnaast overweegt het College dat, ook indien appellante in haar betoog dat de datum 15-06 overeenkomt met 21 dagen na legdatum zou worden gevolgd, de in artikel 13 van verordening (EG) nr. 577/2007 bepaalde termijn van 28 dagen na de legdatum door appellante niet in acht is genomen. Deze termijn wordt immers door de vermelding van 23-06 als uiterste datum met één dag overschreden.

Gelet op het voorgaande concludeert het College dat het Tuchtgerecht terecht bewezen heeft verklaard dat appellante in strijd met artikel 13 van Verordening (EG) nr. 557/2007 de eieren heeft voorzien van een andere datum van minimale houdbaarheid dan de oorspronkelijke datum van minimale houdbaarheid die op de eieren was vermeld.

5.3 Het College volgt appellante niet in haar betoog dat de door het Tuchtgerecht voor de onderhavige overtreding opgelegde boete niet in verhouding staat met de aard en ernst van de overtreding.

Het College ziet in de stelling van appellante dat zij de overtreding niet opzettelijk heeft begaan geen aanleiding om met betrekking tot de hoogte van de opgelegde boete tot een ander oordeel te komen dan het Tuchtgerecht. Als ondernemer heeft appellante de verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat zij in overstemming met de voor haar geldende wettelijke voorschriften handelt en om zich derhalve ervan te vergewissen of de door haar verhandelde eieren voldoen aan de ter zake geldende voorschriften. Dat door appellante in dit geval niet in voldoende mate aan die voorschriften is voldaan, komt voor haar rekening en risico.

Het Tuchtgerecht heeft uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat appellante substantiële schade heeft geleden door haar handelswijze. Voor de stelling van appellante dat bij de Engelse controle meer partijen eieren zijn afgekeurd dan noodzakelijk ziet het College overigens geen aanknopingspunten. Uit het rapport van het Departement for Environment Food and Rural Affairs nr. 11018 van 27 mei 2008 blijkt dat van drie partijen eieren één partij is afgekeurd en twee partijen van een nieuwe datum, 14-06-2008, mochten worden voorzien.

Evenals het Tuchtgerecht is het College van oordeel dat het in dit geval gaat om een ernstige overtreding, namelijk het, in strijd met de voorschriften, verlengen van de datumaanduiding inzake de minimale houdbaarheid van de eieren. De consument moet erop kunnen vertrouwen dat de vermelde datum juist is. Gezien de ernst en de omvang van de overtreding acht het College de geldboete zoals het tuchtgerecht die voor de geconstateerde overtreding heeft vastgesteld, passend en geboden.

5.4 Het betoog van appellante over haar aanvaring met één van de leden van het Tuchtgerecht komt er op neer dat het Tuchtgerecht vanwege de betrokkenheid van het bewuste lid geen onbevooroordeeld oordeel heeft gegeven. Het College stelt vast dat het bezwaar van appellante ziet op feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. In artikel 23 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, is, zoals gebruikelijk bij met rechtspraak belaste instanties, voorzien in een afzonderlijke procedure ter vaststelling van de al dan niet gegrondheid van bezwaren van de hiervoor bedoelde aard, welke kan leiden tot een wijziging van de samenstelling van de kamer van het Tuchtgerecht, dat de zaak behandelt. In aanmerking genomen de mogelijkheid van deze wrakingsprocedure ter waarborging van een onpartijdige behandeling van de zaak, kan het instellen van beroep bij het College tegen een tuchtbeschikking in beginsel niet ertoe leiden dat in beroep een onderzoek wordt gedaan naar de gegrondheid van het door appellante in dit verband aangevoerde bezwaar. Voor dit laatste is te minder reden, nu in beroep geldt dat de tuchtbeschikking in volle omvang ter toetsing is voorgelegd aan het College. Aldus is gewaarborgd dat de zaak opnieuw aan rechterlijke toetsing is onderworpen. Hierdoor ontvalt aan dit bezwaar van appellante in feite zelfstandige betekenis voor het al dan niet in stand laten van de bestreden tuchtbeschikking. Het College verwijst met betrekking tot het voorgaande naar zijn uitspraak van 15 juni 2004, AWB 03/747 en 03/748, LJN: AQ5382.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd over haar aanvaring met één van de leden van het Tuchtgerecht kan dus niet leiden tot een andere uitkomst van dit geschil.

5.5 Het beroep van appellante tegen de tuchtbeschikking dient ongegrond te worden verklaard.

5.6 Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M. van Duuren en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Graefe