Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM2405

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/953
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/953 9 maart 2010

20330 Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X,

gemachtigde: ing. H. Wolters, werkzaam bij Bergs Advies B.V., te Baexem,

appellante van een tuchtuitspraak van 3 juni 2009 van het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij uitspraak van 3 juni 2009, met zaaknummers KC08-11, KC08-12 en KC08-13, aan appellante toegezonden bij brief van 3 juni 2009, heeft het tuchtgerecht aan appellante een geldboete opgelegd.

Bij faxbericht van 15 juli 2009, heeft appellante tegen die uitspraak hoger beroep bij het College ingesteld.

Bij brief van 23 juli 2009 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 15 december 2009, waar appellante haar standpunt door haar gemachtigde heeft doen toelichten. Ter zitting zijn voorts inlichtingen verstrekt door mr. B en ir. ing. C, beiden werkzaam bij het Productschap Akkerbouw (hierna: PA).

2. Het wettelijk kader

In de Verordening HPA bestrijding knolcyperus 2004 (hierna: Verordening) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. Het is de ondernemer verboden planten te telen op een perceel, waarop de aanwezigheid van knolcyperus is aangetoond vanaf de datum zoals opgenomen in de in het tweede lid bedoelde bekendmaking tot de datum als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2. Bekendmaking van het in het eerste lid bedoelde teeltverbod geschiedt door de secretaris, namens het bestuur, bij aangetekend schrijven aan de ondernemer. In dit schrijven wordt aangegeven op welke percelen het verbod betrekking heeft en vanaf welke datum het verbod van kracht wordt.

Artikel 3

1. Een teeltverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid kan door de secretaris namens het bestuur bij aangetekend schrijven worden opgeheven na een periode van minimaal drie opeenvolgende jaren na bekendmaking van het teeltverbod, indien het perceel gedurende deze periode vrij is bevonden van knolcyperus. De ondernemer dient hiertoe een verklaring te overleggen, waaruit blijkt dat het perceel gedurende de hiervoor genoemde periode jaarlijks vrij is bevonden van knolcyperus.

(…).

Artikel 4

1. Door de ondernemer, aan wie een teeltverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid is opgelegd dan wel de gebruiker van een met een teeltverbod belast perceel, dienen maatregelen te worden genomen ter voorkoming van de verspreiding van knolcyperus. Deze maatregelen betreffen:

(…)

d. de verplichting de op de in gebruik zijnde grond voorkomende knolcyperus te verwijderen en te vernietigen.

2. Bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde maatregelen geschiedt door de secretaris, namens het bestuur, bij aangetekend schrijven aan de ondernemer.

Artikel 6

De ondernemer aan wie een teeltverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid is opgelegd, is verplicht de maatregelen als bedoeld in de artikelen 4 en 5 uit te voeren en toe te passen, zodanig dat de knolcyperus zich niet verder op het perceel verspreid, dan wel dat omringende percelen besmet worden.

Artikel 9

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.”

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(…)

b. geldboete;

(…)

Artikel 4

1. De geldboete bedraagt tenminste € 3,- en ten hoogste een bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan een kwart van de geldboete van de derde categorie, kan een geldboete worden opgelegd van ten hoogste de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

(…).”

3. De tuchtuitspraak

Aan appellante is met betrekking tot drie afzonderlijke percelen ten laste gelegd overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Verordening (overtreding teeltverbod) en overtreding van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening (niet naleven van verplichting tot het bestrijden van knolcyperus).

In de uitspraak van 3 juni 2009, waartegen appellante beroep heeft ingesteld, heeft het tuchtgerecht als volgt overwogen. Het tuchtgerecht heeft vastgesteld dat op 21 juni 2007, de datum waarop de toezichthouder knolcyperus en de teelt van maïs aantrof op de percelen 190939-5, 190939-6 en 190939-7, appellante eigenaar en/of gebruiker was van de percelen. Het tuchtgerecht heeft aan de stelling van appellante, dat de teeltverboden niet bekend waren bij de B.V. omdat D als bedrijfsvoerder daarvan niet op de hoogte was, geen betekenis toegekend, op grond van de overweging dat D vanaf 18 februari 1998 directeur van appellante is en daarmee verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering.

Het tuchtgerecht heeft voorts vastgesteld dat op de percelen van appellante maïs is aangetroffen terwijl er een teeltverbod van kracht was en dat voorts appellante geen ontheffing heeft van het teeltverbod. Het tuchtgerecht heeft op dit punt het ten laste gelegde bewezen verklaard en daarmee in alle drie de zaken de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Verordening vastgesteld.

Het tuchtgerecht heeft met betrekking tot de ten laste gelegde overtreding van artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de Verordening het volgende overwogen. In de zaken KC08-11 en KC08-12 betreft het een zware besmetting. Het betreft twee langdurige besmettingen van respectievelijk 9 en 12 jaar oud. Het tuchtgerecht stelt op grond hiervan vast dat er onvoldoende bestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd om aan de inspanningsverplichting zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid onderdeel d, van de Verordening HPA knolcyperus 2004 te voldoen. Met het bovenstaande acht het tuchtgerecht in de zaken KC08-11 en KC08-12 het ten laste gelegde bewezen en stelt daarmee de overtreding van artikel 4, eerste lid onderdeel d, van de Verordening vast. Het tuchtgerecht legt, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden van de zaak, aan betrokkene in de zaken KC-08-11 en KC-08-12 een boete op van € 500,-- per zaak wegens de twee overtredingen. In de zaak KC08-13 stelt het tuchtgerecht vast dat het een lichte besmetting betreft. Het tuchtgerecht overweegt dat het niet kan vaststellen dat appellante onvoldoende bestrijdingsmaatregelen heeft uitgevoerd om te voldoen aan de inspanningverplichting ter zake van de verwijdering en vernietiging van knolcyperus zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid onderdeel d, van de Verordening HPA knolcyperus 2004. Het tuchtgerecht acht het op dit punt ten laste gelegde niet bewezen. In deze zaak volstaat het tuchtgerecht met de oplegging van een geldboete van € 250,-- in verband met de overtreding van het teeltverbod.

Voorts is het tuchtgerecht van mening dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, zijnde de opbrengst van de maïs, welk voordeel in de boete dient te worden verdisconteerd. Het tuchtgerecht stelt ter bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel op grond van de door appellante overgelegde afrekeningen van de maïs vast dat het korrelmaïs betreft die tegen een prijs van gemiddeld € 0,22 per kg is afgezet, welke opbrengst het tuchtgerecht bij de berekening van de netto opbrengst als uitgangspunt neemt. Daarnaast maakt het tuchtgerecht gebruik van de KWIN-gegevens van Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 2006 voor de toegerekende kosten en arbeidskosten per ha, te weten € 909,-- per ha voor toegerekende kosten en € 438,-- per ha voor arbeidskosten. Op basis hiervan komt het tuchtgerecht uit op een werkelijke opbrengst per ha van € 1951,-- welke - minus arbeidskosten en toegerekende kosten - resulteert in een berekende netto-opbrengst van € 604,-- per ha.

Het wederrechtelijk genoten voordeel heeft het tuchtgerecht aan de hand hiervan bepaald op een bedrag van € 5.798,40 in de zaak KC 08-11, (uitgaande van 9,60 ha perceelsoppervlakte), van € 1842,20 in zaak KC 08-12 (uitgaande van 3,05 ha) en van € 3.503,20 in de zaak KC 08-13 ( uitgaande van 5,80 ha). Een en ander levert voor de drie zaken gezamenlijk een geldboete op van € 1250,-- vermeerderd met het veronderstelde wederrechtelijk genoten voordeel van het, in strijd met het teeltverbod, telen van maïs op de desbetreffende percelen van € 11.143,80, zodat de totale boete €12.393,80 bedraagt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante bestrijdt in haar hoger beroep de door het tuchtgerecht gemaakte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Appellante voert daartoe aan dat het tuchtgerecht op grond van de overgelegde afrekeningen van de maïs stelt dat de desbetreffende korrelmaïs tegen een gemiddelde prijs van € 0,223 per kg is afgezet. Appellante kan zich daarmee verenigen, maar acht niet juist dat het tuchtgerecht vervolgens uitgaat van de opbrengstgegevens conform de KWIN-gegevens van Praktijkonderzoek Plant & Omgeving. De opbrengst volgens die gegevens bedraagt 8.750 kg per hectare hetgeen, volgens de berekening van het tuchtgerecht, resulteert in een opbrengst van € 1951,-- per hectare. Naar haar mening dient feitelijk van een lagere opbrengst per hectare te worden uitgegaan dan het tuchtgerecht, met toepassing van de KWIN-gegevens, heeft gedaan. Daartoe voert zij aan dat zij in het jaar 2007 volgens de meitelling 55,70 ha maïs heeft geteeld, dat blijkens door haar overgelegde afrekeningen 53,15 ha maïs is gedorst en dat de opbrengst van deze hectares 408.988 kg droge korrelmaïs bedraagt. Dit resulteert in een opbrengst van 7.695 kg per ha. Naar de mening van appellante dient voor de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel per hectare dan ook te worden uitgegaan van een werkelijke opbrengst van (7.695 kg x € 0,223= ) €1.716,-, hetgeen na aftrek van de toegerekende kosten van € 909,- en de arbeidskosten van € 438,- resulteert in een netto opbrengst per hectare van € 369,- . Bij toepassing van laatstgenoemd bedrag komt appellante uit op een totaal bedrag aan wederrechtelijk genoten voordeel van € 6.808,05, in plaats van het door het tuchtgerecht berekende voordeel van € 11.143,80. Zij verzoekt de opgelegde geldboete in verband daarmee te verlagen tot een bedrag van € 8.058,05.

5. De beoordeling

Aan de orde in dit beroep is slechts de vraag of het tuchtgerecht voor de berekening van het onrechtmatig genoten voordeel is uitgegaan van juiste uitgangspunten en feitelijke aannames. Het College stelt voorop dat, om tot een bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel van appellante te komen, uitgegaan moet worden van een realistische aanname van feitelijke gegevens met betrekking tot de diverse opbrengst-factoren. Het College acht in dit verband de toepassing van KWIN-gegevens voor toegerekende kosten en arbeidskosten, zoals het tuchtgerecht heeft gedaan bij de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel, op zichzelf juist en stelt vast dat appellante die toepassing ook niet bestrijdt.

Derhalve is slechts in discussie de berekening van de bruto-opbrengst per ha. Appellante heeft zich aanvankelijk ter zitting van het tuchtgerecht op het standpunt gesteld dat de KWIN-gegevens over 2006 voor korrelmaïs per saldo een negatieve opbrengst van € 384, - te zien geven. Derhalve zou, zo heeft zij toen aangevoerd, het in de schriftelijke verklaring van het PA aan het tuchtgerecht van 19 februari 2009 door PA berekende onrechtmatig genoten voordeel van € 8.752,-- ( op basis van een aangenomen opbrengst per hectare van € 1.680,-- per ha), fors naar beneden (namelijk naar € 0,--) bijgesteld moeten worden.

Dienaangaande stelt het College allereerst vast dat de toegepaste KWIN-gegevens betrekking hebben op 2006. Voor het jaar waar het hier om gaat (2007) zijn namelijk, blijkens de inlichtingen die ter zitting van de kant van PA zijn verschaft, geen KWIN-gegevens beschikbaar. Het tuchtgerecht heeft appellante dan ook op goede grond in de gelegenheid gesteld afrekeningen van de geoogste en verkochte korrelmaïs te overleggen. Vervolgens heeft appellante bij brief van 22 april 2009 een tiental maïs-afrekeningen over 2007 aan het tuchtgerecht toegestuurd. Op basis van de daarin genoemde prijzen per 100 kg, voor zover in aanmerking te nemen voor de oogst 2007, heeft het PA bij brief van 11 mei 2009 aan het tuchtgerecht meegedeeld dat de gemiddelde prijs neerkomt op de meergenoemde € 0,223/kg. Dit laatste bedrag is door het tuchtgerecht als uitgangspunt genomen voor de berekening van de opbrengst van appellante per ha.

Naar het oordeel van het College had het tuchtgerecht, nu wegens het ontbreken van representatieve KWIN-gegevens over de opbrengstprijs over 2007 in dit geval aangesloten is bij de werkelijke opbrengst naar prijs per kg korrelmaïs, zoals die blijken uit de door appellante overgelegde gegevens, ook ten aanzien van de andere factor die bepalend is voor de bruto-opbrengst, namelijk de hoeveelheid maïs per ha, moeten aansluiten bij de feitelijke gegevens van appellante. Dit te meer, nu het uitgaan van de bruto-opbrengst volgens de KWIN-gegevens van 2006 in combinatie met de feitelijke gegevens van appellante over de prijs per kg over 2007 leidt tot een substantieel hogere uitkomst van de berekening van het voordeel dan aanvankelijk door het PA in zijn schriftelijke verklaring was gegeven, namelijk van € 11.143,80 in plaats van € 8.752,--.

Het beroep is derhalve gegrond. De beslissing van het tuchtgerecht kan dan ook niet in stand blijven en het College zal deze beslissing vernietigen voor zover het betreft de daarin opgenomen berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel en de daaruit resulterende hoogte van de boete die aan appellante is opgelegd.

Mede gezien het feit dat door de ter zitting aanwezige deskundigen van het PA geen zwaarwegende argumenten zijn aangevoerd die tegen die conclusie pleiten, is het College van oordeel dat de feitelijke gegevens en argumenten die appellante in haar beroepschrift heeft aangevoerd over de werkelijke opbrengst in kg per ha voldoende deugdelijke grondslag bieden voor de door appellante ingenomen stelling dat haar werkelijke opbrengst in kg per ha 7.695 heeft bedragen. Het College kan gelet hierop de zaak zelf afdoen. Het College overweegt dienaangaande het volgende. Met betrekking tot de strafmaat is het College, met het tuchtgerecht, van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, een geldboete zoals het tuchtgerecht die voor de geconstateerde overtredingen heeft vastgesteld, passend en geboden is en dat daarbij tevens het wederrechtelijk genoten voordeel dient te worden betrokken. Voor de berekening van dit laatste gaat het College uit van de hiervoor genoemde opbrengst in kg per ha, zoals die appellante heeft aangevoerd. Met toepassing van de overige factoren die ook het tuchtgerecht heeft gehanteerd leidt het voorgaande tot een berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel van € 6.808,05. Het College bepaalt dat met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen aan appellante een totale boete van € 8.058,05 dient te worden opgelegd.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- legt appellante een geldboete op van € 8.058,05 (zegge: achtduizendenachtenvijftig euro en vijf eurocent).

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M. van Duuren en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.

w.g. Verwayen w.g. Graefe