Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM1829

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/976
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/976 19 februari 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B en C, te D, appellante,

gemachtigde: R. Scholten, werkzaam bij Stichting Achmea rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. drs. M.G. Fikken en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2007 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 december 2008, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 januari 2009 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 5 maart 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 8 januari 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar partijen hun standpunten hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 24 juni 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag voor het bedrijf van appellante voor het jaar 2007 vastgesteld op € 16.866,28 netto. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante heeft in haar aanvraag om uitbetaling van haar bedrijfstoeslag met het formulier Gecombineerde opgave 2007 op het Overzicht gewaspercelen aangegeven dat zij vier percelen maïs en één perceel grasland (in totaal 11.24 ha) wenst te benutten voor uitbetaling van toeslagrechten. Daarmee bevat de aanvraag een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Het is immers volstrekt onlogisch dat appellante die over ruim voldoende subsidiabele hectaren beschikt om al haar 14,77 toeslagrechten te kunnen laten uitbetalen slechts een gedeelte van haar toeslagrechten zou willen verzilveren. Appellante meent dat haar daarom ten onrechte geen gelegenheid is geboden de aanvraag alsnog aan te passen.

Daarenboven is er sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De nadelen voor appellante staan niet in verhouding tot het zonder opzet onjuist invullen van de aanvraag.

2.3 Volgens verweerder is er geen sprake van een kennelijke fout, omdat de aanvraag objectief gezien niet onlogisch of onbegrijpelijk is ingevuld. Het behoort niet tot de taak van verweerder om zich bij de beoordeling van de aanvraag te verdiepen in de motieven die een aanvrager kan hebben om bepaalde percelen niet op te geven voor uitbetaling van toeslagrechten.

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat er in dit geval, gelet op de dwingende Europese regelgeving die hier van toepassing is, geen ruimte is voor een toets aan artikel 3: 4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan dus niet slagen.

2.4 Het College overweegt, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

2.4.1 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld. In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens. Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in vaste jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

2.4.2 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.4.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellante, die over 14,77 gewone toeslagrechten met een waarde van € 1595,49 per recht beschikt en die ruim voldoende hectaren heeft om al deze toeslagrechten te laten uitbetalen, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als zij slechts voor 11,24 van deze toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen. Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, in elk geval naar het recht zoals dat in 2007 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven, omdat een perceel gedurende een periode van tien maanden voor de landbouw ter beschikking moet staan. Ook kunnen er zich misschien incidenteel nog wel andere gronden voordoen om percelen niet op te geven. Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.4.4 Het College is van oordeel dat er in dit geval geen reden is een kennelijke fout aan te nemen en overweegt hiertoe het volgende.

Appellante beschikt met ruim 35 subsidiabele hectaren over veel meer hectaren dan nodig is om haar 14,77 toeslagrechten te kunnen benutten. Tegen die achtergrond kan niet volgehouden worden dat het verweerder bij een summier onderzoek onmiddellijk als onlogisch en opmerkelijk had moeten opvallen dat appellante niet al haar percelen heeft opgegeven voor uitbetaling van toeslagrechten.

Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2007 zonder voorbehoud opgegeven haar toeslagrechten te willen laten uitbetalen, maar heeft daarbij niet voor de volle 100 procent van de haar ter beschikking staande toeslagrechten (11.24 van de 14,77) gebruik gemaakt. Hierdoor heeft zij € 5.632,08 van totaal € 23.565,39 (op basis van 14.77 toeslagrechten zonder kortingen) aan toeslagrechten niet benut. Het verschil tussen hetgeen appellante heeft aangevraagd en hetgeen zij maximaal had kunnen aanvragen is niet zo groot dat het verweerder bij een summier onderzoek van de aanvraag direct in het oog had moeten vallen. Gelet op het gegeven dat voor ruim drie kwart van hetgeen maximaal mogelijk was uitbetaling van toeslagrechten werd gevraagd kon het door verweerder niet op voorhand uitgesloten worden geacht dat er voor appellante een reden bestond om niet meer percelen voor uitbetaling van toeslagrechten in aanmerking te brengen. Onder deze omstandigheden was er voor verweerder geen aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het Werkdocument als niet samenhangend aan te merken.

Slechts bij een kennelijke fout als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 – en ook overmacht waarvan hier niet is gebleken – is het mogelijk om na het verstrijken van de indieningstermijn en de daarop volgende kortingsperiode de aanvraag te wijzigen. Nu daarvan geen sprake is heeft verweerder op goede gronden appellante geen gelegenheid geboden om, na ommekomst van de indieningstermijn voor de Gecombineerde opgave 2007 en na het verstrijken van de daarop volgende kortingstermijn, de aanvraag te wijzigen.

2.4.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. F.W. du Marchie Sarvaas