Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM1691

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
AWB 07/598
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/598 16 februari 2010

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 11 juni 2007, met kenmerk 1225/06.41,

gemachtigde: mr. R.A. Jong, advocaat te Tilburg.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 12 juni 2007, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van bovenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 30 augustus 2006 door appellante ingediend tegen B RA (hierna: betrokkene).

Bij een op 10 augustus 2007 ingediend beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. De raad van tucht heeft bij brief van 2 oktober 2007 op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 3 januari 2008 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brief van 1 oktober 2009 heeft appellante een nader stuk overgelegd.

Op 13 oktober 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van appellante en B zijn verschenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de onderdelen 5, 6 (in de in de uitspraak vermelde zin) en 7 van de klacht gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Ter zake van de gegrond verklaarde klachtonderdelen heeft de raad van tucht aan appellant de maatregel van een schorsing als registeraccountant voor de duur van één maand opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellante komt in beroep op tegen het oordeel van de raad van tucht dat haar klacht op een aantal onderdelen ongegrond is. Daarnaast kan zij zich niet verenigen met de opgelegde sanctie die zij te licht vindt en niet in overeenstemming met de mate van onzorgvuldigheid waarmee betrokkene haar belangen heeft behartigd.

3.2 Ter onderbouwing van haar grief dat de raad van tucht ten onrechte klachtonderdeel 1, inhoudende dat betrokkene heeft nagelaten om de administratie van appellante naar behoren bij te houden, ongegrond heeft verklaard, heeft appellante in beroep aangevoerd dat uit de verklaring van 4 januari 2007 van de heer C (hierna: C), boekhouder van appellante tot in de loop van 1999 en opnieuw vanaf eind 2005, blijkt dat over het jaar 2005 in de administratie van appellante geen boekingen voorkwamen van ontvangen en/of betaalde omzetbelasting, loonbelasting en lonen en dat ook uit de moeite die de opvolgende accountant heeft (gehad) met het reconstrueren van haar administratie blijkt dat de administratie niet naar behoren is bijgehouden.

Het College stelt vast dat betrokkene in zijn reactie op het beroepschrift niet specifiek heeft gereageerd op het punt in de verklaring van C dat over het jaar 2005 in de administratie geen boekingen voorkwamen van ontvangen en/of betaalde omzetbelasting, loonbelasting en lonen. Ter zitting heeft betrokkene de inhoud van de verklaring van C op dit punt niet bestreden. Wel heeft betrokkene gesteld dat de loonadministratie éénmaal per jaar wordt ingeboekt en dat dit misschien ten tijde van het afleggen van de verklaring nog niet gebeurd was.

Het College overweegt hierover dat uit de zich in het dossier bevindende kopieën van de aangiftebiljetten omzetbelasting van maart 2004 tot en met december 2004 blijkt dat appellante haar omzetbelasting maandelijks moest aangeven. Gesteld noch gebleken is dat het aangiftetijdvak in 2005 anders is geweest dan in 2004. Gezien de verplichting tot maandelijkse aangifte omzetbelasting ligt in het ontbreken van boekingen in de administratie van ontvangen en of betaalde omzetbelasting over een boekjaar een sterke aanwijzing dat de administratie niet naar behoren is bijgehouden. Dit geldt eveneens voor het ontbreken van boekingen in de administratie over betaalde loonbelastingen en lonen. Dit in aanmerking nemend is het College van oordeel dat de stelling van betrokkene dat de loonadministratie slechts éénmaal per jaar werd ingeboekt, wat daar verder ook van zij, geen afdoende verklaring vormt voor het ontbreken van boekingen in de administratie zoals in de verklaring van C vermeld. Het College is dan ook van oordeel dat de – door betrokkene onvoldoende gemotiveerd betwiste – verklaring van C, mede gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, voldoende steun biedt voor het oordeel dat betrokkene heeft nagelaten om de administratie van appellante naar behoren bij te houden.

Gelet op het voorgaande slaagt de grief van appellante tegen de beoordeling van klachtonderdeel 1 door de raad van tucht. Het College zal dit klachtonderdeel gegrond verklaren.

3.3 Met betrekking tot de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 2, inhoudende dat betrokkene heeft nagelaten de administratie deugdelijk te bewaren, heeft appellante aangevoerd dat bij de beslaglegging bij betrokkene veel, doch niet alle stukken uit de administratie van appellante zijn teruggevonden. Appellante verbindt hieraan de conclusie dat betrokkene de door hem bewaarde stukken onvoldoende zorgvuldig heeft bewaard.

Gezien het proces-verbaal van de conservatoire beslaglegging op 22 november 2005 bij betrokkene staat vast dat delen van de administratieve bescheiden van appellante bij betrokkene zijn aangetroffen. Deze stukken zijn ter beschikking gesteld aan mr. D FB (hierna: D) die bij brief 30 november 2005 een overzicht heeft verstrekt van de aanwezige administratieve stukken van appellante waarover hij de beschikking heeft gekregen en die ten dele afkomstig zijn van de beslaglegging en ten dele door appellante zelf aan hem zijn verstrekt. In zijn brief heeft hij hierover vermeld: “Samenvattend lijkt het erop dat de bronbescheiden (grotendeels?) aanwezig zijn. Documenten inzake de administratieve verwerking (saldibalansen, boekingsverslagen, specificaties etc.) ontbreken evenwel geheel”. Het College stelt vast dat appellante haar stelling dat bij de beslaglegging niet alle stukken uit haar administratie zijn teruggevonden niet nader heeft onderbouwd en niet concreet heeft benoemd welke (soort) stukken thans nog gemist worden. Dit in aanmerking nemende en mede gelet op het feit dat uit het voorgaande blijkt dat ook delen van de administratie zich bij appellante zelf bevonden, is het College van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene de administratie van appellante onzorgvuldig heeft bewaard. De desbetreffende grief van appellante faalt dus.

3.4 Ten aanzien van klachtonderdeel 3 heeft de raad van tucht overwogen dat appellante geen stukken heeft aangedragen waaruit blijkt dat betrokkene zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft verricht en dat de enkele omstandigheid dat de belastingdienst op zeker moment ambtshalve aanslagen heeft opgelegd onvoldoende is om aan te nemen dat betrokkene de fiscale afwikkeling niet naar behoren heeft verricht. Appellante meent dat de motivering van de raad van tucht tekort schiet en niet opweegt tegen hetgeen zij op het betreffende punt heeft aangevoerd. Voorts heeft appellante erop gewezen (in haar grief ten aanzien van klachtonderdeel 4) dat uit het feit dat ambtshalve aanslagen zijn opgelegd reeds volgt dat in ieder geval geen aangiften zijn gedaan.

Het College overweegt dat door betrokkene onvoldoende is weerlegd dat het niet tijdig doen van de aangifte vennootschapsbelasting 2003 niet aan hem kan worden toegerekend. Dat betrokkene niet over voldoende gegevens beschikte om aangifte te kunnen doen, is hiervoor onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat betrokkene aan de Belastingdienst heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte dan wel op enigerlei wijze hierover overleg heeft gevoerd met de Belastingdienst. Uit een brief van de Belastingdienst van 3 november 2005, betreffende “tweede herinnering inleveren aangiftebiljet” blijkt dat, ondanks een aanmaning daartoe waarbij de gevolgen van het niet doen van aangifte zijn vermeld, de aangifte nog steeds niet is gedaan.

Voorts blijkt uit een brief van de Belastingdienst van 14 november 2005 waarin een boekenonderzoek wordt aangekondigd, dat de adviseur van appellante de Belastingdienst had toegezegd de relevante gegevens voor een bepaalde datum toe te zenden doch dat de Belastingdienst niets heeft ontvangen. Het College gaat er vanuit dat met “adviseur” wordt gedoeld op betrokkene, aangezien door betrokkene niet is betwist dat hij op dat moment de (enige) fiscale adviseur was van appellante. Verder blijkt uit de in rubriek 3.3 genoemde brief van D van 30 november 2005 dat hij contact heeft gehad met mr. E (hierna: E) van de Belastingdienst te ’s-Hertogenbosch, die aldaar het dossier van appellante behandelt. Daarbij heeft E aan D medegedeeld dat hij niet meer bereid is tot nader overleg, onder meer omdat de Belastingdienst diverse malen aan betrokkene om stukken heeft gevraagd, dat deze stukken steeds opnieuw werden toegezegd, maar niet werden toegestuurd.

Het College overweegt dat betrokkene geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij meerdere malen toezeggingen aan de Belastingdienst heeft gedaan, zonder zich ervan te vergewissen of hij die toezeggingen gestalte zou kunnen doen, zodat betrokkene is tekortgeschoten in de communicatie met de Belastingdienst.

Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat betrokkene de fiscale afwikkeling niet naar behoren heeft verricht. Dit betekent dat de grief van appellante tegen de beoordeling van klachtonderdeel 3 door de raad van tucht slaagt. Het College zal dit klachtonderdeel gegrond verklaren.

3.5 Met haar vierde grief komt appellante op tegen de beoordeling van de raad dat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene heeft nagelaten om (tijdig) bezwaar en/of beroep in te stellen tegen ambtshalve aanslagen dan wel verrekenbesluiten van de Belastingdienst, en dat van opdrachten tot het maken van bezwaar en/of instellen van beroep niet is gebleken. Appellante voert aan dat de raad van tucht aan het verweer van betrokkene, inhoudende dat hij de verzoeken van de belastingdienst om informatie steeds mondeling aan haar heeft meegedeeld, voorbij had moeten gaan omdat appellante dit heeft betwist en betrokkene zijn stelling niet met stukken heeft onderbouwd.

Naar het oordeel van het College vormt hetgeen appellante heeft aangevoerd een onvoldoende onderbouwing voor haar stelling dat betrokkene ten onrechte heeft nagelaten om bezwaar te maken tegen de aanslagen en beroep in te stellen. Het College neemt hiertoe in aanmerking dat betrokkene dit klachtonderdeel heeft betwist. Gezien het verweer van betrokkene had het op de weg van appellante gelegen om de aanslagen, waartegen volgens haar ten onrechte geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingediend, te noemen alsmede haar verwijt dat dit betrokkene is aan te rekenen met nadere gegevens te onderbouwen, hetgeen appellante heeft nagelaten. Het College is dan ook van oordeel dat appellante haar klacht op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Appellantes grief, gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4 door de raad van tucht, faalt.

3.6 Ten aanzien van klachtonderdeel 6, inhoudende dat betrokkene heeft geweigerd om appellante, de belastingdienst en de opvolgende accountant op hun uitdrukkelijke verzoek inzage te verschaffen in en afschriften te verstrekken van (delen van) de administratie, heeft de raad van tucht overwogen dat betrokkene heeft verklaard dat hij de stukken waarop op 22 november 2005 conservatoir beslag is gelegd, onder zich had ter voorbereiding van de BTW-controle die op 24 november 2005 door de belastingdienst zou plaatsvinden en dat gelet hierop het verwijt dat betrokkene geen stukken heeft afgegeven onvoldoende is onderbouwd.

Appellante heeft tegen de ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel aangevoerd dat de BTW-controle zou plaatsvinden ten kantoor van appellante en gewezen op de schriftelijke verzoeken tot afgifte van haar administratie waarop betrokkene niet heeft gereageerd.

Gelet op de door appellante overgelegde brieven van mr. F (hierna: F) aan betrokkene van 20 september 2005, 28 september 2005, 26 oktober 2005, 3 november 2005 en 4 november 2005 stelt het College vast dat F meerdere keren om afgifte respectievelijk overdracht van de administratie heeft verzocht. Bij brieven van 20 en 28 september 2005 heeft appellante verzocht om afgifte van stukken met betrekking tot de vier onderwerpen die tot problemen met de belastingdienst hebben geleid. Bij brief van 26 oktober 2005 is betrokkene meegedeeld dat besloten is de complete administratie over te dragen aan D en is hij verzocht de administratie vóór 1 november 2005 over te dragen aan D. Bij brief van 3 november 2005 is dit verzoek herhaald. Uit de brief van 4 november 2005 van F aan betrokkene blijkt dat betrokkene telefonisch heeft meegedeeld dat hij niet in het bezit was van enige administratie van appellante, waarop F zijn verzoek tot overdracht van de administratie heeft herhaald en geconcretiseerd. Bij brief van 22 november 2005 heeft F namens appellante de samenwerking met betrokkene met onmiddellijke ingang beëindigd.

Gezien de hiervoor genoemde brieven, waarvan de inhoud niet door betrokkene is weersproken, is het College van oordeel dat de stelling van betrokkene dat hij de op 22 november 2005 bij hem in beslag genomen stukken onder zich had ter voorbereiding op een boekenonderzoek op 24 november 2005, niet kan worden gevolgd. Dat de heer G (hierna: G) , zoals betrokkene ter zitting heeft verklaard, hem één of twee weken voor het boekenonderzoek toestemming heeft gegeven om de stukken ter voorbereiding op het onderzoek mee te nemen, acht het College niet aannemelijk. Betrokkene is immers al bij brief van 26 oktober 2005 verzocht de gehele administratie over te dragen aan D en appellante heeft de stelling van betrokkene over de toestemming van G uitdrukkelijk betwist.

Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat klachtonderdeel 6, inhoudende dat betrokkene heeft geweigerd op verzoek inzage te verschaffen in de administratie en deze te verstrekken, gegrond is. De desbetreffende grief van appellante tegen de beslissing van de raad van tucht slaagt.

3.7 Appellante heeft in beroep voorts naar voren gebracht dat zij het indienen van de melding op grond van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties door betrokkene als grondslag wenst toe te voegen aan de jegens betrokkene ingediende klacht. Het College stelt vast dat appellante dit verwijt eerst in beroep heeft gemaakt. Aangezien een uitbreiding van de klacht in beroep bij het College niet toelaatbaar is in verband met de beginselen van een goede procesorde, met name het verdedigingsbeginsel, zal het College bedoeld verwijt niet bij de beoordeling van het beroep betrekken.

3.8 Aangezien betrokkene geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van raad van tucht en aangezien appellante geen grieven heeft aangevoerd tegen de ongegrondverklaring van het achtste klachtonderdeel door de raad van tucht, stelt het College vast dat de beoordeling van de klachtonderdelen 7 en 8 door de raad van tucht in beroep niet aan de orde is.

3.9 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden tuchtbeslissing, voor zover in beroep aan de orde, moet worden vernietigd. Het College ziet aanleiding de zaak zelf af te doen. Gezien het hiervoor is overwogen zal het College de klachtonderdelen 1, 3, en 6 gegrond verklaren en de overige klachtonderdelen, voor zover in beroep aan de orde, ongegrond verklaren.

3.10 Alles overziende is het College van oordeel dat betrokkene zich door zijn handelen dat aan de gegrond geachte klachtonderdelen ten grondslag ligt, niet heeft onthouden van al hetgeen schadelijk is voor de eer van stand van de registeraccountants. Daarmee heeft hij de beroepsregel, neergelegd in artikel 5 Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (GBR-1994) overtreden. Op grond hiervan is de oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel aangewezen.

Met de raad van tucht is het College van oordeel dat de feiten en omstandigheden in deze zaak voldoende ernstig zijn om een zware maatregel als een schorsing te rechtvaardigen. Het College is, gelet op de gegrond verklaarde klachtonderdelen (1, 3, 5, 6 en 7), van oordeel dat betrokkene ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld en onvoldoende acht heeft geslagen op de belangen van appellante. Mede gelet op de eerdere tuchtrechtelijke beslissing tegen betrokkene van 17 februari 2003, waarbij betrokkene de maatregel van een schriftelijke berisping werd opgelegd en gezien de omstandigheid dat het verwijt dat betrokkene in deze zaak wordt gemaakt op één lijn kan worden gesteld met het verwijt dat betrokkene in de eerdere tuchtrechtelijke beslissing van 17 februari 2003 werd gemaakt, is het College van oordeel dat in dit geval de oplegging van een schorsing voor de duur van twee maanden passend en geboden is.

3.11 Het hiervoor overwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep van appellante gegrond moet worden verklaard. De hierna te vermelden beslissing op het beroep berust op titel II van de Wet RA zoals deze gold vóór 1 mei 2009 en op artikel 5 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep van appellante gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht, voor zover in dit beroep aan de orde;

- verklaart de klachtonderdelen 1, 3 en 6 gegrond;

- verklaart de overige klachtonderdelen, voor zover in dit beroep aan de orde, ongegrond;

- legt betrokkene de maatregel op van schorsing als registeraccount, voor de duur van twee maanden.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.H.W. de Planque in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Graefe