Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM1684

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/190
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/190 16 februari 2010

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 14 januari 2008.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 15 januari 2008, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing met kenmerk 1263/07.11, gegeven op een klacht, op 9 februari 2007 door B (hierna: klager) ingediend tegen appellant.

Bij een op 12 maart 2008 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld en wegens gezondheidsredenen om uitstel verzocht voor het indienen van de gronden van het beroep.

Bij griffiersbrief van 12 maart 2008 is appellant meegedeeld dat op grond van artikel 52, tweede lid, van de Wet op de Registeraccountants bij de indiening van het beroepschrift gronden dienen te worden vermeld en dat voor het indienen van aanvullende gronden uitstel kan worden verleend.

Bij faxbericht van 14 maart 2008 heeft appellant het beroep nader toegelicht en om uitstel voor het indienen van aanvullende gronden verzocht.

Bij brief van 18 maart 2008 heeft het College appellant uitstel verleend voor het indienen van een nadere motivering van de bij faxbericht van 14 maart 2008 ingediende gronden tot en met 15 april 2008. Bij brief van 16 april 2008 is deze termijn verlengd tot en met 13 mei 2008.

De raad van tucht heeft bij brief van 1 april 2008 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 15 mei 2008 heeft het College appellant meegedeeld dat zijn verzoek van 13 mei 2008 om nader uitstel niet wordt gehonoreerd en appellant verzocht vóór 28 mei 2008 mee te delen welke van de door hem op 14 maart 2008 ingediende stukken niet bekend mogen worden aan de andere partij en dat hij die stukken dient terug te vragen.

Bij brief van 28 mei 2008 heeft de door appellant gemachtigde advocaat om uitstel verzocht. Hierop heeft het College bij brief van 30 mei 2008 uitstel verleend tot 6 juni 2008.

Bij brief van 5 juni 2008 heeft de gemachtigde van appellant de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief van 6 juni 2008 heeft de gemachtigde van appellant verzocht om alle vóór 5 juni 2008 ingediende stukken als ingetrokken te beschouwen.

Bij brief van 18 juni 2008 heeft de gemachtigde van appellant het faxbericht van 14 maart 2008 opnieuw toegezonden in een versie waarbij de naam van een derde is geanoniemiseerd.

Bij brief van 10 augustus 2008 heeft klager gereageerd op het beroepschrift. Bij brief van 18 december 2008 heeft hij op verzoek van het College ook gereageerd op de aanvullende gronden van 5 juni 2008.

Op 13 oktober 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en klager zijn verschenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard en appellant ter zake als maatregel doorhaling van de inschrijving in het Accountantsregister opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College wijst er allereerst op dat het voorschrift van artikel 52, tweede lid, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) inhoudende dat het beroepschrift met redenen is omkleed, naar vaste jurisprudentie van het College zo opgevat dient te worden dat beroepsgronden die zijn ingediend na ommekomst van de in die bepaling opgenomen beroepstermijn van 2 maanden niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het beroep. Uit deze jurisprudentie van het College volgt voorts dat artikel 52 van de Wet RA wel de mogelijkheid open laat om in de beoordeling van het beroep te betrekken een na het verstrijken van de beroepstermijn aangedragen nadere onderbouwing van tijdig ingediende beroepsgronden, mits verweerder in beroep voldoende gelegenheid heeft hierop te reageren (zie onder meer de uitspraak van het College van 7 juli 2009, AWB 08/40, <www.rechtspraak.nl>, LJN: BJ2426).

Het College stelt vast dat appellant het beroepschrift op 12 maart 2008, aangevuld bij faxbericht van 14 maart 2008, tijdig heeft ingediend. De brief van 5 juni 2008 is door appellant ingebracht na ommekomst van de beroepstermijn.

Appellant heeft in zijn brief van 14 maart 2008 uitsluitend aangevoerd dat de raad van tucht bij de behandeling van de onderhavige klacht tegen hem niet objectief en zonder vooringenomenheid is geweest. De bij brief van 5 juni 2008 ingediende gronden tegen de beslissing van de raad van tucht zien daarentegen op de inhoud van de beslissing van de raad van tucht en kunnen daarom niet worden beschouwd als een nadere onderbouwing van de op 14 maart 2008 tijdig ingediende beroepsgronden. Naar het oordeel van het College kunnen die in de brief van 5 juni 2008 ingediende inhoudelijke gronden, gelet op artikel 52, tweede lid, Wet RA, dan ook niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

3.2 Ter beoordeling van het College staat de grief van appellant dat de raad van tucht bij de behandeling van de onderhavige klacht tegen hem niet objectief en zonder vooringenomenheid is geweest.

3.2.1 Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat door toedoen van de secretarissen van de raad van tucht in een eerdere tuchtrechtelijke kwestie een ernstig conflict is ontstaan tussen hem, de destijds klagende partij en de raad van tucht. Appellant heeft over deze partij bij het meldpunt ongebruikelijke transacties een melding op grond van de Wet ongebruikelijke transacties gedaan en de raad van tucht hiervan in vertrouwen in kennis gesteld. De secretaris van de raad van tucht heeft de melding echter doorgestuurd aan de andere partij. Appellant heeft, naar hij heeft gesteld, van deze fout melding gemaakt bij verschillende instanties en een klachtenprocedure ingeleid tegen de secretaris bij de raad van toezicht voor de Orde van Advocaten. Volgens appellant heeft de raad van tucht ernstig gefaald waardoor appellant het vertrouwen in een objectieve behandeling zonder vooringenomenheid door de raad van tucht heeft verloren. De raad van tucht heeft niet de nodige maatregelen genomen die een objectieve behandeling van de onderhavige klacht door de leden van deze raad kunnen waarborgen, aldus appellant.

3.2.2 Het College stelt vast dat deze bezwaren zien op feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. In artikel 41, eerste lid, Wet RA, is, zoals gebruikelijk bij met rechtspraak belaste instanties, voorzien in een afzonderlijke procedure ter vaststelling van de al dan niet gegrondheid van bezwaren van de hiervoor bedoelde aard, welke kan leiden tot een wijziging van de samenstelling van de kamer van de raad van tucht, die de klacht behandelt van de klager die genoemde bezwaren heeft aangevoerd. Uit de jurisprudentie van het College volgt dat, in aanmerking genomen de mogelijkheid van deze wrakingsprocedure ter waarborging van een onpartijdige behandeling van de zaak, het instellen van beroep bij het College tegen een tuchtbeslissing in beginsel niet ertoe kan leiden dat in beroep een onderzoek wordt gedaan naar de gegrondheid van door appellant in dit verband aangevoerde grieven (zie de uitspraak van het College van 15 juni 2004, AWB 03/747 en 03/748, LJN: AQ5382).

Naar het oordeel van het College is in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het voorgenoemde uitgangspunt rechtvaardigen. Het College neemt hiertoe allereerst in aanmerking dat appellant bij de raad van tucht, om hem moverende redenen, geen verweer heeft gevoerd. Het College acht daarnaast van belang dat de klacht heeft geleid tot het opleggen van de zwaarste maatregel, namelijk doorhaling van de inschrijving in het Accountantsregister. Bij het voorgaande komt dat de bij brief van 5 juni 2008 – te laat – ingediende gronden tegen de gegrondverklaring van de klacht niet bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken met het gevolg dat de klacht in beroep niet opnieuw in volle omvang aan rechterlijke toetsing is onderworpen. Het College zal de door appellant aangevoerde grief dat de raad van tucht de bij de behandeling van de onderhavige klacht tegen hem niet objectief en zonder vooringenomenheid is geweest daarom beoordelen.

3.2.3 Het College stelt allereerst vast, gelet op hetgeen uit de ondertekening van de beslissing van de raad van tucht en de notulen met betrekking tot onderhavige tuchtbeslissing blijkt, dat de bewuste secretaris van de raad van tucht niet als secretaris betrokken is geweest bij de behandeling van de onderhavige klacht. Dit in aanmerking nemend ziet het College geen grond voor het oordeel dat de door appellant bedoelde secretaris inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met de zaak. Het College voegt aan het voorgaande toe dat appellant in beroep geen concrete omstandigheden (feitelijke gebeurtenissen) heeft aangevoerd die grond zouden kunnen zijn voor het oordeel dat de leden van de kamer van de raad van tucht, die de klacht hebben behandeld, niet objectief en zonder vooringenomenheid zijn geweest. Het enkele gegeven dat appellant, naar hij heeft gesteld, een klacht heeft ingediend tegen de bewuste secretaris van de raad van tucht, acht het College onvoldoende om een professionele organisatie als de raad van tucht in het geheel als vooringenomen te beschouwen.

3.2.4 Voorts ziet het College ook in de tuchtbeslissing van 14 januari 2008 geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad van tucht bij de behandeling van de klacht tegen appellant niet objectief en zonder vooringenomenheid is geweest. Het College overweegt daartoe als volgt.

De raad van tucht heeft in zijn beslissing van 14 januari 2008 overwogen dat de kern van alle klachtonderdelen erop neer komt dat appellant de belangen van klager onvoldoende behartigt door hem sinds omstreeks medio 2006 niet te informeren over door hem verrichte werkzaamheden, de voortgang en resultaten daarvan en meer in het algemeen betrokkene niet informeert over de stand van zijn administratie, aangiften en bezwaar- of beroepschriften die voor betrokkene zijn of zouden zijn ingediend. Gezien hetgeen klager in dit verband heeft gesteld en aan bewijsstukken heeft overgelegd en het niet gebleken zijn van een aanvaardbare reden hiervoor, is naar het oordeel van de raad van tucht aannemelijk dat appellant de belangen van klager gedurende langere tijd in vele opzichten heeft verwaarloosd en dat deze gang van zaken tot schade van klager heeft geleid. Meewegend dat appellant ook bij andere opdrachtgevers nalatig is geweest in hun belangenbehartiging, naar uit eerdere uitspraken van de raad van tucht jegens betrokkene bekend, heeft de raad van tucht geoordeeld dat appellant niet kan worden gehandhaafd in de beroepsgroep en dat hierom de zwaarste maatregel geboden is.

Naar het oordeel van het College heeft appellant ter zitting van het College geen afdoende verklaring kunnen geven voor dit niet reageren op de herhaaldelijke en schriftelijke verzoeken van klager vanaf medio 2006 om hem te informeren over de verrichte werkzaamheden en de stand van zijn administratie en fiscale aangelegenheden. Appellant heeft ter zitting van het College het beeld bevestigd dat hij, om wat voor redenen dan ook, op een gegeven moment de werkzaamheden die zijn opdrachtgevers van hem mochten verwachten niet meer adequaat heeft uitgevoerd, omdat de situatie hem duurzaam te veel geworden was en dat hij zijn opdrachtgevers hierover niet heeft ingelicht. Met de raad van tucht is het College van oordeel dat appellant door aldus langdurig nalatig te zijn in het informeren van klager en het reageren op diens verzoeken schade heeft toegebracht aan de eer van de stand der registeraccountants.

Uit het beroep bij het College met het procedurenummer AWB 07/598 naar aanleiding van de beslissing van de raad van tucht van 11 juni 2007 is het College bekend dat appellant ook in een ander geval ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens zijn opdrachtgever waardoor deze cliënt problemen heeft ondervonden van de kant van de belastingdienst. Ook is appellant op 17 februari 2003 al eerder tuchtrechtelijk veroordeeld (beslissing van de raad van tucht met kenmerk 1327/08.22) omdat hij, onder meer, nalatig is gebleven met de beantwoording van brieven en vragen van zijn cliënt en het indienen van aangiften bij de belastingdienst. Het ingeschreven zijn als RA in het Accountantsregister wekt bepaalde verwachtingen. Gezien de eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen van appellant, is het College van oordeel dat de feiten en omstandigheden in deze zaak, gelet op het beeld dat van appellant is ontstaan, zodanig ernstig zijn dat zij de ingrijpende maatregel doorhaling van de inschrijving in het Accountantsregister rechtvaardigen.

Slotsom van het voorgaande is dat het College inhoudelijk tot hetzelfde oordeel komt als de raad van tucht. Gelet hierop slaagt de grief van appellant dat de raad van tucht bij de behandeling van de onderhavige klacht tegen hem niet objectief en zonder vooringenomenheid is geweest niet.

3.3 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van appellant dient te worden verworpen. De hierna te melden beslissing berust op Titel II van de Wet op de Registeraccountants zoals deze gold vóór 1 mei 2009.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.H.W. de Planque in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Graefe

1263/07.11

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager;

contra:

C RA,

kantoorhoudende te D,

verweerder.

1. PROCEDUREVERLOOP

1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de klachtbrief van 7 februari 2007, welke is aangevuld bij brief van 22 februari 2007. Verweerder heeft niet gereageerd op brieven van de secretaris van de Raad van 2 maart 2007 en 11 mei 2007, waarin hij in de gelegenheid is gesteld te reageren op de klacht.

1.2 De zaak is behandeld ter openbare zitting van 19 november 2007, alwaar klager is verschenen. Verweerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukken en het verhandelde ter zitting is, als door klager gesteld en door verweerder niet weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

2.1 Verweerder heeft gedurende een aantal jaren de belangen van klager behartigd.

2.2 Tot de opdracht aan verweerder behoorde het verzorgen van de administratie en de fiscale aangiften van de onderneming van klager. Daarnaast is advies gegeven.

2.3 Bij fax van 20 oktober 2006 heeft klager aangaande de jaren 1997 tot en met 2005 vragen aan verweerder voorgelegd.

2.4 Bij fax van 20 december 2006 heeft klager, onder verwijzing naar een begin december 2006 met verweerder gevoerd telefoongesprek, verzocht om alsnog antwoord op zijn vragen te krijgen, zulks voor 25 december 2006.

2.5 Bij fax van 15 januari 2007 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld voor alle schade die hij leed of zou lijden als gevolg van de gebrekkige dienstverlening c.q. de weigering opgave te doen van de status van de werkzaamheden ondanks herhaald schriftelijk verzoek.

2.6 Bij fax van 17 januari 2007 heeft verweerder op laatstgenoemde fax gereageerd zonder de nog open staande vragen te beantwoorden.

2.7 Bij fax van 17 januari 2007 heeft klager nogmaals verzocht om een volledig en schriftelijk antwoord op zijn fax van 20 oktober 2006 en om afgifte van de complete administratie.

3. KLACHT

3.1 De klacht omvat de volgende verwijten:

A. verweerder heeft zonder toestemming van klager nagelaten tegen de aanslagen op basis van door verweerder ingediende belastingaangiften (inkomstenbelasting, b.t.w. en WAZ) van klager over 2001 en 2002 tijdig bezwaar en/of beroep aan te tekenen;

B. ondanks herhaalde verzoeken en aanmaningen heeft verweerder niet voldaan aan het schriftelijke verzoek van 20 oktober 2006 om opgave te verstrekken over de status van de administratie, de aangiften en bezwaar/beroepschriften;

C. verweerder heeft klager om de tuin geleid door op 6 februari 2007 mee te delen dat hij een reactie alsnog per post verzonden had, terwijl klager niets heeft ontvangen.

D. verweerder heeft aangiften inkomstenbelasting aan derden, zoals klagers advocate, gestuurd zonder akkoord van klager;

E. verweerder heeft in drie voor klager cruciale zaken waarin verweerder was verzocht om financiële gegevens te verstrekken, met onaanvaardbare vertraging gereageerd;

3.2 Klager heeft tegen verweerder meer bezwaren aangevoerd, samen te vatten in het verwijt dat verweerder geen informatie verstrekt over zijn werkzaamheden en dat hij toezeggingen niet nakomt. Deze hangen samen met onderdelen van de ingediende klacht. Voorts klaagt klager dat verweerder bescheiden van klager vasthoudt en zich daarbij ten onrechte op een retentierecht beroept.

4. VERWEER

4.1 Verweerder heeft geen verweer gevoerd.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 In de kern komen alle klachtonderdelen erop neer dat verweerder de belangen van klager onvoldoende behartigt door klager sinds omstreeks medio 2006 niet te informeren over werkzaamheden die verweerder heeft verricht, over de voortgang en resultaten van die werkzaamheden en meer in het algemeen klager niet informeert over de stand van zijn administratie, aangiften en bezwaar- of beroepschriften die voor klager zijn of zouden zijn ingediend.

Klager heeft aan de hand van de stukken onderbouwd dat hij verweerder herhaaldelijk en schriftelijk om informatie heeft gevraagd.

Uit het dossier blijkt dat verweerder wel schriftelijk heeft gereageerd op de aansprakelijkstelling van klager van 15 januari 2007. In die reactie is verweerder evenwel niet ingegaan op de specifieke vragen van klager. Verweerder heeft in deze brief voornamelijk erop gewezen dat klager een restant, groot € 546,85, van een declaratie van 10 maart 2006 nog niet heeft betaald.

5.2 Voor zover verweerder met zijn verwijzing naar het openstaande restant van de declaratie mocht hebben willen aanvoeren dat hij niet gehouden is klagers verzoeken te beantwoorden, verwerpt de Raad dat argument. Klager heeft onbetwist aangevoerd dat hij omtrent de bewuste declaratie een betalingsafspraak met verweerder heeft gemaakt, inhoudende dat hij eerst de helft van de declaratie zou betalen - hetgeen hij gedaan heeft - en de andere helft op een later tijdstip, waaromtrent tussen klager en verweerder nog geen nadere afspraak is gemaakt. Onder deze omstandigheden acht de Raad het niet reageren op klagers verzoeken met een beroep op de openstaande declaratie en het niet afgeven van bescheiden van klager niet aanvaardbaar.

5.3 Ook overigens is, gelet op het ontbreken van verweer, niet gebleken van een aanvaardbare reden om niet te reageren op klagers verzoeken.

5.4 De Raad stelt vast dat verweerder geen van de gespecificeerde en met bewijsstukken gestaafde onderdelen van de klacht in het kader van de onderhavige procedure heeft weersproken. Elk onderdeel refereert aan verplichtingen die verweerder als zorgvuldige opdrachtnemer jegens klager heeft en die hij blijkbaar niet is nagekomen.

5.5 Door aldus langdurig nalatig te zijn in het informeren van klager en het reageren op diens verzoeken heeft verweerder schade toegebracht aan de eer van de stand der registeraccountants. Door het nalaten beroep aan te tekenen tegen de aanslagen over 2001 en 2002 (klachtonderdeel A) heeft verweerder een misslag begaan. Door het verschaffen van gegevens aan derden zonder toestemming van klager (klachtonderdeel D) heeft verweerder gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsplicht.

De klacht is in alle onderdelen gegrond.

5.6 De hierna vermelde uitspraak berust op de artikelen 33 en 34 Wet op de Registeraccountants en artikel 5 GBR-1994.

6. MAATREGEL

6.1 Naar het oordeel van de Raad moet worden aangenomen dat verweerder de belangen van klager gedurende langere tijd in vele opzichten heeft verwaarloosd. Zo acht de Raad aannemelijk dat, zoals klager heeft aangevoerd, hij in problemen is geraakt met de belastingdienst omdat hij geen gegevens van verweerder heeft verkregen over een naheffingsaanslag. Voorts moet worden aangenomen dat verweerder op enig moment namens klager aangifte heeft gedaan zonder hem daarin te kennen.

Dat deze gang van zaken tot schade van klager uitwerkt, is aannemelijk.

Het is de Raad uit uitspraken die eerder jegens verweerder zijn gedaan bekend dat verweerder ook bij andere opdrachtgevers nalatig is geweest in hun belangenbehartiging. De Raad heeft sterk de indruk gekregen dat verweerder om welke reden dan ook al het werk voor zijn opdrachtgevers heeft gestaakt zonder in waarneming of opvolging te voorzien en zonder zijn opdrachtgevers hierover in te lichten. Meegewogen wordt dat de Raad in de zaak met nummer 1270/07.18 heeft geoordeeld dat verweerder ten onrechte de administratie van klager onder zich houdt. Ook op dat punt is aannemelijk dat klager daardoor in moeilijkheden komt bij het instrueren van een opvolgende accountant en schade lijdt.

De Raad is dan ook in de onderhavige zaak tot het oordeel gekomen dat verweerder niet kan worden gehandhaafd in de beroepsgroep en dat hierom de zwaarste maatregel geboden is.

7. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;

- legt ter zake als maatregel op doorhaling van de inschrijving het Accountantsregister.

Aldus gewezen door mr. S.C.H. Koning, voorzitter, C.Chr. Doolhoff RA en P.A.S. van der Putten RA, leden, in aanwezigheid van mr. P.Rijpstra, secretaris, en uitgesproken en ondertekend door mr. B.P.H.M. van den Wildenberg, plaatsvervangend voorzitter, ter openbare zitting van 14 januari 2008.

secretaris plv. voorzitter