Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BM0108

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Bloemkwekerijheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/250 met annotatie van I. Sewandono
NJB 2010, 1179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/264 25 maart 2010

4240 Heffing

Bloemkwekerijheffing

Uitspraak in de zaak van:

A&P Flowers B.V., gevestigd te Andijk, appellante,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij Bakkerberaad M&P te Utrecht,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J.E. Wilms van Kersbergen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 11 april 2008, bij het College binnengekomen op 15 april 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 april 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appelante tegen alle aanslagen (nota’s) die in de zes weken voorafgaand aan dit bezwaar door of namens verweerder aan haar zijn opgelegd dan wel zijn geïnd.

Bij brief van 21 mei 2008 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 30 september 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden het standpunt van partijen hebben toegelicht.

Voor appellante is voorts verschenen A.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uitsluitend tegen besluiten staan de in de Awb voorziene rechtsmiddelen open.

De Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten 2007/2 (hierna: Verordening) van het Productschap Tuinbouw bepaalt, voor zover hier van belang:

"Artikel 2

1. De kweker, onderscheidenlijk de importeur, is over de door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, bloemkwekerijproducten of teeltmateriaal, onderscheidenlijk door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten of geïmporteerd teeltmateriaal, een heffing verschuldigd.

2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het jaar 2007 (…)

3. De heffing als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt opgelegd bij wege van aanslag, met inachtneming van het in de volgende artikelen bepaalde.

Artikel 3

1. Ter uitvoering van artikel 2 doet de kweker of importeur bij het productschap aangifte van de door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, onderscheidenlijk door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten of geïmporteerd teeltmateriaal.

2. De opgave als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan op een door het productschap te verstrekken aangifteformulier, met inachtneming van de daarop gestelde vragen en gegeven aanwijzingen.

Artikel 5

1. De oplegging van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing vindt plaats na afloop van het jaar waarover de heffing verschuldigd is en geschiedt door toezending of uitreiking aan de heffingsplichtige van een heffingsnota.

2. In afwijking van het eerste lid kan de heffingsplichtige een voorlopige heffing worden opgelegd tot het bedrag waarop de heffing vermoedelijk zal worden vastgesteld. De voorlopige heffing wordt verrekend met de krachtens deze verordening verschuldigde heffing.

Artikel 7

Een kweker, onderscheidenlijk een importeur van bloemkwekerijproducten wordt geacht, indien hij door hem gekweekte, onderscheidenlijk geïmporteerde bloemkwekerijproducten of teeltmateriaal door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 19 juni 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen alle aanslagen (nota’s) die in de zes weken voorafgaand aan het bezwaar door of namens verweerder zijn opgelegd dan wel zijn geïnd.

- Op 17 december 2007 is appellante gehoord over haar bezwaar, waarna verweerder het bestreden besluit heeft genomen.

- In beroep heeft appellante met betrekking tot de periode waarop het bezwaar betrekking heeft vijf weekafrekeningen van 11, 18 en 25 mei en 8 en 15 juni 2007 overgelegd, waarin de coöperatieve vereniging Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer B.A. (hierna: de veiling) onder de omschrijving "Heffing P.T." aan appellante bedragen in rekening heeft gebracht.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat zijns inziens de door de veiling bij appellante ingehouden bedragen als een voorschot op de te betalen PT-heffing zijn aan te merken, zodat er geen sprake is van definitieve aan hem toe te rekenen besluiten. De bepalingen van de Awb zijn niet van toepassing op de inhouding van voorschotten door de veiling.

Bezwaar en beroep staan eerst open tegen de definitieve nota die in 2008 zal worden vastgesteld.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep aangevoerd, dat de betalingsdocumenten waarop de door de veiling namens verweerder ingehouden PT-heffing staat vermeld, moeten worden aangemerkt als voor bezwaar en beroep vatbare besluiten in de zin van de Awb. Ook een voorlopig besluit is een besluit. Het is immers een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De veiling houdt de heffing – in mandaat – in voor verweerder. Dat volgt ook uit het besluit PT verlening mandaat veilingen en in- en verkoopbureaus 2008. Dit besluit is weliswaar pas op 25 november 2007 in werking getreden, maar ook voor deze datum was er al sprake van het door de veiling in mandaat inhouden van heffingen. Dat de inhouding door verweerder wordt gekwalificeerd als ‘voorschot’ doet niet af aan het feit dat het gaat om een besluit als bedoeld in de Awb.

Het besluit om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren is ingegeven door motieven van tactische aard. De inhoudingen door de veilingen stoelden namelijk niet op een verbindende heffingsverordening, nu de relevante verordening eerst op 8 februari 2008 is gepubliceerd. Heffingsaanslagen die zijn opgelegd voordat de daaraan ten grondslag gelegde verordening is afgekondigd, moeten volgens vaste jurisprudentie van het College worden vernietigd.

Ter zitting heeft appellante het College verzocht om, gelet op het feit dat na vernietiging tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat de inhoudingen via de veiling niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden nu de verordening waarin zij hun grond vinden eerst in 2008 in werking is getreden, op grond van artikel 8:72 Awb zelf in de zaak te voorzien en de heffingsaanslagen te vernietigen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Gelet op het bestreden besluit en het daartegen gerichte beroep staat in dit geding voor het College ter beoordeling of verweerder het bezwaar van appellante tegen de in de periode van 8 mei 2007 tot en met 18 juni 2007 verstuurde nota's – blijkens de overgelegde stukken gaat het om de weekafrekeningen van 11, 18 en 25 mei en 8 en 15 juni 2007 – terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat de bedoelde weekafrekeningen niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb.

5.2. Uit de in rubriek 2.1 geciteerde bepalingen kan naar het oordeel van het College niet begrepen worden, dat de veiling optreedt als een gemachtigde van verweerder, die namens hem de inning van de verschuldigde heffing verzorgt.

De heffing kan immers pas geïnd worden, nadat de verschuldigdheid daarvan is vastgesteld en dat geschiedt ná het heffingsjaar door toezending of uitreiking van een heffingsnota, of eventueel een voorlopige heffingsnota als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Verordening.

Daarop vooruitlopend houdt de veiling, op basis van een haar daartoe door de kweker of importeur verleende machtiging, op de afrekening van een door haar tussenkomst tot stand gekomen transactie een bedrag in.

Dit bedrag, dat rechtens niet anders kan worden geduid dan als een vrijwillig te verrichten aanbetaling op, dan wel vervroegde betaling van, de heffing, betaalt zij door aan verweerder.

De veiling handelt aldus, zoals ook in artikel 7 verwoord, namens de kweker of importeur en niet namens verweerder.

5.3 Gelet daarop kan het feit dat blijkens de publicatie in het Mededelingenblad en Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie van 23 november 2007, nr. 73, van het Besluit PT verlening mandaat veilingen en in- en verkoopbureaus 2008 van 19 november 2007, aan de veiling mandaat verleend is om namens verweerder heffingen op te leggen en te innen voor de duiding van de hier aan de orde zijnde weekafrekeningen niet van belang zijn.

Bovendien is dit besluit genomen na de in dit geding van belang zijnde data.

Daarenboven wijst het College erop, dat verweerder niet meer bevoegdheden aan een derde kan mandateren, dan waarover hij zelf beschikt.

Het eerste noch het tweede lid van artikel 5 van de Verordening verleent verweerder de bevoegdheid de kweker of importeur per transactie, dan wel per week, een voorlopige heffing op te leggen. Over die bevoegdheid kan de veiling op grond van het verleende mandaat derhalve evenmin beschikken.

5.4 Uit het voorgaande volgt, dat de onderhavige inhoudingen door de veiling van een bedrag op iedere door haar tussenkomst tot stand gebrachte transactie, niet beschouwd kunnen worden als de uitoefening van enige door het publiekrecht verleende bevoegdheid, zodat ook de weekafrekeningen, die van die inhouding de registratie vormen, geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhouden.

De afrekeningen zijn slechts stukken, opgemaakt om als bewijs te dienen van het plaatsgehad hebben van de daarin genoemde inhoudingen, waaraan bij de oplegging van de heffing bepaalde rechtsgevolgen verbonden moeten worden.

5.5 Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld, dat de met het bezwaarschrift aangevochten weekafrekeningen geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb inhouden, zodat daartegen geen bezwaar ingevolge de Awb gemaakt kan worden.

Het beroep moet dan ook ongegrond verklaard worden.

5.6 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

W.E. Doolaard De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen