Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BL9687

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
AWB 07/1016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/1016 25 februari 2010

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te Oirschot, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 30 oktober 2007 onder nummer R590.

1. De procedure

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn beslissing van dezelfde datum, gegeven op een klacht, op 21 december 2006 ingediend door appellanten tegen C RA en D RA RI (hierna betrokkenen).

Bij een op 27 december 2007 ingediend beroepschrift hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 8 januari 2008 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 25 februari 2008 hebben betrokkenen hun reactie op het beroepschrift gegeven.

Op 12 februari 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen appellant A, betrokkenen en hun gemachtigde mr. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 In beroep richten appellanten zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de raad van tucht dat betrokkenen niet als accountants zijn opgetreden.

In dit verband voeren appellanten allereerst aan dat slechts betrokkene C is benoemd tot arbiter en betrokkene D door C is ingeschakeld. De raad van tucht suggereert volgens appellanten ten onrechte dat betrokkene D arbiter is en zijn handelen binnen de reikwijdte van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering valt. Voorts stellen appellanten dat de raad van tucht niet in zijn overwegingen heeft betrokken dat er in de opdracht aan C sprake is van particuliere arbitrage, wat een civielrechtelijke overeenkomst is, zodat daarop – mede – het civiele recht van toepassing is. Een en ander blijkt ook uit de opdrachtbevestiging van C, waarop de algemene voorwaarden van Deloitte van toepassing zijn verklaard. Ten slotte wijzen appellanten erop dat de raad van tucht met geen enkel woord rept over de toepasselijkheid van artikel 2, eerste lid, van de GBR-1994, welke bepaling helder, duidelijk en slechts voor één uitleg vatbaar is.

Het College overweegt dat juist is het uitgangspunt van de raad van tucht dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor tuchtrechtelijk ingrijpen, indien een registeraccountant die niet optreedt als accountant, de functie van arbiter vervult. De hieraan voorafgaande vraag of een registeraccountant in de functie van arbiter, al dan niet (mede) optreedt als accountant, kan evenwel niet in algemene zin bevestigend of ontkennend worden beantwoord, maar slechts op grond van de feiten en omstandigheden van het concrete geval (zie in dit verband de uitspraak van het College van 10 juli 2007, AWB 06/247, <www.rechtspraak.nl>, LJN: BB0128).

Blijkens de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht bij zijn oordeel aangaande de hoedanigheid waarin betrokkenen hier zijn opgetreden slechts acht geslagen op de omstandigheid dat zij het vonnis hebben (opgesteld en) ondertekend met gebruikmaking van hun RA-titel. Dat deze omstandigheid, zoals de raad van tucht concludeert, op zichzelf onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat betrokkenen zijn opgetreden als accountants, acht het College juist (zie ook de uitspraak van het College van 5 februari 2004, AWB 02/1838, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AO3797). Uit de jurisprudentie van het College – zie onder meer voornoemde uitspraak van 10 juli 2007 en de uitspraak van 9 december 2003, AWB 03/92, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AO1596 – volgt evenwel dat bij de beoordeling of een registeraccountant als accountant is opgetreden ook andere feiten en omstandigheden van belang kunnen zijn. In de voorliggende zaak hecht het College in dit verband, naast de omstandigheid dat betrokkenen gebruik hebben gemaakt van hun RA-titel, betekenis aan de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene C is bij akte van compromis van 9 maart 2005 door enerzijds appellanten en anderzijds Hello, Hello-de Witte en Intereffiency B.V. (hierna tezamen: partijen), vanwege zijn deskundigheid benoemd tot arbiter ter beslechting van de geschillen tussen hen terzake van de ontbinding en vereffening van de vennootschap onder firma (hierna: VOF), die van 1 maart 1999 tot 14 mei 2001 tussen deze partijen heeft bestaan. Bij brief van 1 juni 2005 zijn, onder meer, op de arbitrage de algemene voorwaarden van Deloitte van toepassing verklaard. Het resultaat van de arbitrage is vervolgens neergelegd in een arbitraal vonnis van 24 maart 2006. Dit vonnis is ondertekend door betrokkenen met gebruikmaking van hun RA-titel en gesteld op briefpapier van Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V. Dit is – blijkens de Nederlandse website van Deloitte (<www.Deloitte.nl>) – een onderdeel van Deloitte dat diensten aanbiedt die aan het publiek worden gepresenteerd als behorend bij de accountancy-dienstverlening van Deloitte. In het inleidende hoofdstuk van het vonnis is opgenomen “De opdracht is uitgevoerd en over de uitkomsten wordt gerapporteerd in overeenstemming met de algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden (RAC 4400)”. Desgevraagd heeft betrokkene D ter zitting van het College verklaard dat deze passage is opgenomen met het doel te verzekeren dat gehandeld is conform deze richtlijnen.

Het College is van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van het in artikel 2, eerste lid, onder a en c, GBR-1994 bepaalde bezien, volgt dat betrokkene C bij de vervulling van zijn taak als arbiter en betrokkene D bij zijn werkzaamheden in het kader van de totstandkoming van het arbitraal vonnis, voor de toepassing van de GBR-1994 geacht moeten worden te zijn opgetreden als (openbaar) accountants. De door betrokkenen naar voren gebrachte omstandigheid dat betrokkene D het arbitraal vonnis slechts heeft medeondertekend op grond van bedrijfsinterne kwaliteitsoverwegingen, doet daar niet aan af. Met de medeondertekening van het arbitraal vonnis heeft betrokkene D zich als medeverantwoordelijke gepresenteerd voor de resultaten van de werkzaamheden van betrokkene C. Welk motief daaraan ten grondslag heeft gelegen, komt naar het oordeel van het College, gezien de bewoordingen van artikel 2 (en 7) GBR-1994, geen betekenis toe bij de bepaling van de hoedanigheid waarin betrokkene D extern is opgetreden.

3.2 Gelet op het vorenstaande slaagt de eerste beroepsgrond van appellanten. Nu dit met zich brengt dat de raad van tucht een onjuist toetsingskader heeft aangelegd en in aanmerking genomen dat dit, gezien de inhoud van de klacht, van invloed kan zijn geweest op de uitkomst van de beoordeling daarvan, zal het College het beroep gegrond verklaren en de bestreden tuchtbeslissing vernietigen. Het College acht termen aanwezig de zaak zelf af te doen en op de klacht te beslissen. Hiertoe wordt verwezen naar de onderstaande rechtsoverwegingen.

De overige beroepsgronden van appellanten zien op de inhoudelijke afdoening van de klacht door de raad van tucht en zullen hierna bij de beoordeling van de verschillende klachtonderdelen worden betrokken. Voor zover appellanten met hun beroep hebben beoogd van het College een oordeel te krijgen over de huns inziens buitensporige declaraties van betrokkenen, overweegt het College dat hieromtrent in het klaagschrift geen bezwaar is geformuleerd en ook in het verdere verloop van de procedure bij de raad van tucht hierover niet is geklaagd. Weliswaar hebben appellanten in een zeer laat stadium van die procedure, namelijk ter zitting van de raad van tucht, aan de orde gesteld dat betrokkenen voor hun werkzaamheden als arbiters ongeremd en buitensporig zouden hebben gedeclareerd, maar daaraan is blijkens het verslag van de zitting op vragen van de voorzitter van de raad van tucht toegevoegd dat dit slechts is bedoeld als zijdelingse opmerking en niet als uitbreiding van de klacht. Nu aanvulling of uitbreiding van de klacht in beroep bij het College niet mogelijk is, komt het College niet toe aan inhoudelijke beoordeling van dit punt.

3.3 In het kader van de beoordeling van de klacht stelt het College voorop dat ter toetsing staat of het handelen van betrokkenen in het kader van de totstandkoming van het arbitraal vonnis in overeenstemming is met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels.

Uit hetgeen onder 3.1 is overwogen, volgt dat het handelen van betrokkenen niet alleen dient te worden getoetst aan het voor alle registeraccountants geldende hoofdstuk II van de GBR-1994, maar ook aan de in de hoofdstukken III en IV GBR-1994 opgenomen gedragregels voor registeraccountants die optreden als (openbaar) accountant.

Het College overweegt dienaangaande dat, gezien het feit dat het in dezen te toetsen handelen het voorbereiden en opstellen van een arbitraal vonnis betreft en gelet op de bijzondere regeling van arbitrage als methode van geschillenbeslechting in het civiele recht en de status van het arbitraal vonnis, de toetsing door de tuchtrechter op onderdelen en onder omstandigheden meer ruimte kan laten aan de als arbiter optredende accountant. In het bijzonder is, daar waar het gaat om de vaststelling of het arbitraal vonnis een deugdelijke grondslag heeft (artikel 11 GBR-1994), van belang dat het vonnis wordt gegeven in een tussen de betrokken partijen bestaand geschil, dat gedeeltelijk kan zijn ingeperkt door reeds bereikte onderhandelingsresultaten en vooraf door de betrokken partijen gekozen uitgangspunten. De rol van de arbiter is hier dan ook een andere dan die van een accountant die handelt in de meer reguliere uitoefening van zijn beroep.

3.4 In verband met de inhoudelijke behandeling van de klacht, heeft het College de door appellanten in het klaagschrift naar voren gebrachte punten gegroepeerd in zes klachtonderdelen, hierna aangeduid als klachtonderdeel 1 tot en met 6. Ten aanzien van de klachtonderdelen overweegt het College als volgt.

3.5 In klachtonderdeel 1 (punten 1, 28, 30 en 31 van het klaagschrift) verwijten appellanten betrokkenen dat zij niet hebben vastgesteld wat de oorzaak van het zakelijk conflict tussen appellanten en Hello e.a. was, terwijl dat van belang is voor de beantwoording van de schuldvraag en daarmee voor het al dan niet toepassen van de inverdienregeling alsmede de veroordeling in de proceskosten in de procedure voor de rechtbank ‘s Hertogenbosch en de arbitrage. Op grond van het arbitraal vonnis dienen appellanten een deel van deze kosten te dragen, terwijl in artikel 7 van de arbitrageovereenkomst is bepaald dat de overwegend in het ongelijk gestelde partij die kosten draagt en Hello e.a. in het arbitraal vonnis zijn aangewezen als de betreffende partij. Niet is gemotiveerd wat de verwijtbaarheid aan het adres van appellanten is.

Het College overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting geen gehoudenheid van betrokkenen kan worden afgeleid om de oorzaak van het zakelijk conflict vast te stellen. Wel dient in het kader van de arbitrage te worden geoordeeld in welke mate partijen het conflict te verwijten valt, aangezien is overeengekomen dat aan de hand daarvan een verdeling van de procedurele kosten zal plaatsvinden. Uit onderdeel 2.5.3 van het arbitraal vonnis blijkt dat betrokkenen ter bepaling van de verdeling van de proceskosten en de kosten van arbitrage de mate van verwijtbaarheid hebben vastgesteld met de overweging dat arbitragekosten die samenhangen met de uitgebreide informatievraag van betrokkenen aan partij Hello e.a. niet voor rekening van partij A dienen te worden gebracht en dat sprake is van een geëscaleerd zakelijk geschil waarin een mate van verwijtbaarheid is toe te kennen aan beide partijen. Deze laatste overweging is ook opgenomen in onderdeel 2.5.4 van het arbitraal vonnis, waarin is geoordeeld over de verdeling van de proceskosten.

Het College is gelet hierop van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat betrokkenen in het arbitraal vonnis de mate van verwijtbaarheid in verband met de kostenverdeling niet hebben vastgesteld of gemotiveerd. Voor zover dit klachtonderdeel de verenigbaarheid van het arbitraal vonnis met het ten aanzien van kostenverdeling bepaalde in de arbitrageovereenkomst aan de orde stelt, overweegt het College met inachtneming van het in paragraaf 3.2 overwogene dat – wat hier ook van zij – niet valt in te zien dat betrokkenen daarmee zouden hebben gehandeld in strijd met enig voor hen geldende gedrags- of beroepsregel.

3.6 Het tweede klachtonderdeel (punten 2-12 van het klaagschrift) laat zich samenvatten met de stelling dat betrokkenen ten onrechte de administratie van Hello en de bankrekening met nummer 11.88.857.90 van de VOF als uitgangspunt in de arbitrage hebben genomen, omdat: 1) Hello slechts de facturering verzorgde en een accountant de administratie deed, 2) op de bankrekening met nummer 11.88.51.543 werd gefactureerd, welke geen VOF-rekening is en 3) de boekhouding van Hello niet op orde was en de projectadministratie van appellanten wel, terwijl die buiten beschouwing is gelaten.

Het College overweegt dat betrokkenen bij brief van 20 juni 2006 hebben bericht dat sprake is van een schrijffout in het arbitraal vonnis daar waar wordt verwezen naar bankrekeningnummer 11.88.857.90. Voor het bepalen van de omzetverdeling is uitgegaan van bankrekeningnummer 11.88.51.543, waarop de facturering werd gedaan. Niet is vast komen te staan dat deze onjuiste vermelding van het bankrekeningnummer in het arbitraal vonnis materiële gevolgen heeft gehad voor de afrekening van de VOF en meer dan een verschrijving is geweest. Mede gelet op de overige, niet nader onderbouwde stellingen van appellanten in dit verband, ziet het College geen aanleiding om te concluderen dat betrokkenen tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 In het derde klachtonderdeel (punten 13-15 en 45 van het klaagschrift) klagen appellanten over het ontbreken in het arbitraal vonnis van: 1) een onderliggende berekening van de twee eindbedragen van het vonnis, 2) aanwijzingen aan partijen ten aanzien van de omgang met de verrekening van de wettelijke rente over het in het vonnis genoemde eindbedrag van € 69.580 alsmede de opheffing van het door Hello gelegde beslag van Hfl 250.000, 3) een afrekening, zoals overeengekomen in artikel 3 van de akte van compromis en 4) inzicht in de door betrokkenen gemaakte keuzes ten aanzien van een aantal, door appellanten nader aangeduide, uitgangspunten voor de berekening van de eindbedragen. Appellanten hebben erop gewezen dat zij betrokkenen herhaaldelijk om de bedoelde gegevens hebben verzocht.

Het College stelt vast dat in het arbitraal vonnis een afrekening is opgenomen (tabel op pagina 21) en de principes op grond waarvan de opdrachten en projecten zijn gewaardeerd en toegerekend, zijn beschreven. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting valt niet in te zien dat op betrokkenen de verplichting rustte om een ander of verdergaand inzicht in de afrekening te verschaffen, noch om aanwijzingen te geven omtrent de wijze van afhandeling van het vonnis. Het College overweegt dat het wellicht zorgvuldiger was geweest de bevindingen uitgebreider te onderbouwen en zo mogelijk naderhand desgevraagd toe te lichten, maar vindt hierin, gelet op het karakter van een arbitrageprocedure, onvoldoende aanleiding om te oordelen dat betrokkenen enige tuchtrechtelijke norm hebben geschonden door de gevraagde mate van inzicht niet te bieden. Het College is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

3.8 In klachtonderdeel 4 (punten 16-27 van het klaagschrift) stellen appellanten dat betrokkenen ten onrechte geen uitspraak hebben gedaan over de door appellant A aangedragen, in het klaagschrift gedetailleerd beschreven, specifieke geschilpunten.

In de arbitrageovereenkomst is opgenomen dat de arbiter alle geschillen tussen partijen dient te beslechten. Het College overweegt dat niet is vast komen te staan dat betrokkenen een tuchtrechtelijk verwijt treft ten aanzien van hetgeen zij in dit kader hebben ondernomen. Voor zover appellanten hebben beoogd aan de orde te stellen dat betrokkenen hun uit de arbitrage-overeenkomst voortvloeiende contractuele verplichtingen ten aanzien van de beslechting van geschillen niet zijn nagekomen, wijst het College erop dat de beoordeling van een dergelijk verwijt niet tot de bevoegdheid van de tuchtrechter behoort. Dit klachtonderdeel treft derhalve geen doel.

3.9 In klachtonderdeel 5 (punten 32-44 van het klaagschrift) betwisten appellanten specifieke posten van de afrekening, met name de uitgangspunten die betrokkenen hebben gehanteerd bij de bepaling van de omvang van die posten.

Het College overweegt dat de arbitrageovereenkomst niet bepaalt welke specifieke uitgangspunten betrokkenen ten aanzien van de vaststelling van de omvang van de betreffende posten dienen te hanteren. Het stond betrokkenen in het kader van de arbitrage vrij de wijze van onderzoek en vaststelling van kosten te kiezen die hen, binnen de grenzen van de aan hen toekomende beoordelingsgrondslagen (zijnde – blijkens artikel 2 van de arbitrageovereenkomst – redelijkheid en billijkheid), als de meest gerede voorkomt. De enkele omstandigheid dat een andere benadering dan door betrokkenen is gehanteerd, denkbaar is, kan niet tot de conclusie leiden dat de door betrokkenen gevolgde handelwijze onjuist en tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dit zou anders liggen indien de door betrokkenen gehanteerde benadering niet verenigbaar zou zijn met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels, zoals artikel 11 GBR-1994, waarin – kort gezegd – het vereiste van een deugdelijke grondslag is neergelegd.

Appellanten verwijten betrokkenen dat zij ten onrechte tot uitgangspunt hebben genomen hetgeen de rechtbank

’s Hertogenbosch (hierna: rechtbank) bij vonnis van 14 juli 2004 heeft geoordeeld omtrent het betrekken van de winst van

B & L Kunststof in de verdeling (punten 32-35 van het klaagschrift). Het vonnis is volgens appellanten op dit punt onjuist, althans houdt onvoldoende rekening met hetgeen in de VOF-akte is bepaald omtrent het werkgebied van de VOF.

Het College overweegt dat betrokkene C in de procedure bij de rechtbank als door die rechtbank aangewezen deskundige heeft onderzocht welk uitgangspunt voor de benadering van de winst van B & L Kunststof dient te worden gehanteerd. Zijn conclusie is door de rechtbank gevolgd en in het (gerechtelijk) vonnis vastgelegd. Tegen dit vonnis zijn appellanten niet in hoger beroep gegaan. Het overnemen van dit uitgangspunt in het arbitraal vonnis levert naar het oordeel van het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van betrokkenen op.

Appellanten verwijten betrokkenen voorts dat de verdeling van de opbrengst van de interne auditopleiding (punten 36-39 van het klaagschrift) volstrekt onbegrijpelijk is, omdat tweederde van de totale opbrengst van de interne auditopleiding aan Hello is toebedeeld terwijl uit twee van de drie deelnemerslijsten blijkt dat 17 deelnemers afkomstig waren uit projecten van A en 11 uit projecten van Hello.

Het College overweegt dat ter onderbouwing van de verdeling van de opbrengst in het arbitraal vonnis is overwogen dat partijen de VOF-akte op het punt van de verdeling van de projecten tussen de vennoten verschillend interpreteren en dat uit de beschikbare informatie niet eenduidig het aantal door partijen aangemelde cursisten blijkt. Dit in aanmerking genomen, oordeelt het College dat uit het door appellanten gestelde niet kan worden afgeleid dat betrokkenen tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door de opbrengst van de interne auditopleiding te verdelen zoals zij in het arbitraal vonnis hebben gedaan.

Appellanten verwijten betrokkenen voorts dat zij niet zijn bevraagd over de matching van de kosten van “inhuur derden” met projectenopbrengsten, terwijl betrokkenen die matching niet in alle gevallen hebben kunnen maken en ter zake toch een conclusie hebben geformuleerd die appellanten onbegrijpelijk vinden (punten 40-41 van het klaagschrift). Het College is van oordeel dat uit het enkele feit dat betrokkenen appellanten terzake niet hebben bevraagd en uit de niet nader gemotiveerde stelling van appellanten dat een voor hen onbegrijpelijke conclusie is getrokken, niet kan volgen dat betrokkenen tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

Uit de omstandigheid dat wat betrokkenen onder “interim-managementopdracht” verstaan, naar de stelling van appellanten, niet overeenkomt met de feitelijke inhoud die daaraan door partijen in de praktijk (en de administratie) werd gegeven, (punten 42-44 van het klaagschrift), volgt niet dat betrokkenen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Tegen de achtergrond van het gegeven dat partijen er in verband met de verdeling belang bij hadden zoveel mogelijk opdrachten als eigen interim-managementopdrachten te kwalificeren, is bovendien niet onbegrijpelijk dat betrokkenen hierin een eigen weg hebben gekozen.

Gelet op het vorenstaande is klachtonderdeel 5 ongegrond.

3.10 Naar aanleiding van klachtonderdeel 6, inhoudende de stelling van appellanten dat betrokkenen onvoldoende hebben gereageerd op de door appellanten geplaatste kanttekeningen bij en gesignaleerde onjuistheden in het arbitraal vonnis en dat appellanten onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun kant van de zaak naar voren te brengen (punt 46 van het klaagschrift), overweegt het College als volgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat appellanten bij tenminste zeven gelegenheden opmerkingen naar voren hebben gebracht (bij brieven van 14 juni 2005 en 28 juni 2005, tijdens een bijeenkomst van 22 juli 2005, bij brief van 23 juli 2005, tijdens een bijeenkomst van 18 oktober 2005, alsmede bij fax van 27 maart 2006 en brief van 14 april 2006). Betrokkenen hebben gesteld de opmerkingen deels te hebben verwerkt in het arbitraal vonnis. Voorts hebben betrokkenen bij brief van 20 juni 2006 gereageerd op de brief van appellanten van 14 april 2006. Het verwijt dat betrokkenen niet op alle klachten, suggesties en verzoeken tot informatieverschaffing van de zijde van appellanten zijn ingegaan, zou tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn voor zover daarmee het arbitraal vonnis een deugdelijke grondslag zou ontberen. Uit hetgeen appellanten in dit verband hebben aangevoerd, is zulks evenwel niet gebleken. Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens ongegrond.

3.11 Gelet op het hiervoor overwogene zal het College, na gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing zelf de zaak afdoend, de klacht ongegrond verklaren.

Deze beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants, zoals deze gold tot 1 mei 2009 en de GBR-1994.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellanten gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2010.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. S.D.M. Michael