Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BL6084

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
AWB 07/729 en 07/973
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. voederareaal. Niet gebleken is dat appellant voor percelen over geldige gebruiktitel beschikte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/729 en 07/973 19 januari 2010

5101 - Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaken van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 2 oktober 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 augustus 2007. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/729.

Appellant heeft bij brief van 13 december 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 november 2007. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/973.

Bij de genoemde besluiten van 24 augustus 2007 en 8 november 2007 heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen besluiten op aanvragen om runderpremies voor het jaar 2005 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling).

Bij brief van 30 oktober 2007 heeft appellant de gronden van zijn beroep met nummer AWB 07/729 aangevuld.

Bij brieven van 7 november 2007 en 14 december 2007 heeft appellant nadere stukken overgelegd.

Op 19 december 2007 en 1 februari 2008 heeft verweerder verweerschriften ingediend en de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Tevens heeft verweerder bij brief van 9 januari 2008 op de brief van appellant van 14 december 2007 gereageerd.

Op 10 november 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de beroepen door de gemachtigden van partijen nader zijn toegelicht.

2. De beoordeling

2.1 Appellant heeft in 2005 bij verweerder een Gecombineerde opgave 2005 ingediend, waarbij hij onder meer op het Overzicht gewaspercelen diverse percelen als voederareaal heeft opgegeven. Tevens heeft appellant in 2005 aanvragen om stierenpremie, zoogkoeienpremie, slachtpremie en het extensiveringsbedrag ingediend.

Op 28 juni 2006 heeft verweerder aan appellant schriftelijk meegedeeld dat appellant 368.08 ha voederareaal heeft opgegeven, terwijl bij controle slechts 100.48 ha is geconstateerd.

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder de aanvragen om stierenpremie en zoogkoeienpremie afgewezen en is aan appellant € 10.537,90 aan slachtpremie toegekend.

Bij besluit van 27 augustus 2007 is de aanvraag om het extensiveringsbedrag afgewezen.

2.2 Bij het bestreden besluit van 24 augustus 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 oktober 2006 gegrond verklaard voor de slachtpremie, hetgeen heeft geresulteerd in een nabetaling van € 123,49 en een vergoeding van € 644,-- voor de kosten van door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij het bestreden besluit van 8 november 2007 is het bezwaar tegen het besluit van

27 augustus 2007 ongegrond verklaard.

De bij de bestreden besluiten gehandhaafde afwijzing van de aanvragen om stierenpremie, zoogkoeienpremie en het extensiveringsbedrag berust op de volgende motivering.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt het totale aantal dieren waarvoor stierenpremie en zoogkoeienpremie kan worden verkregen, begrensd door de toepassing van een veebezettingsgetal van 1,8 grootvee-eenheden (GVE) per hectare per kalenderjaar. Het veebezettingsgetal geeft de verhouding weer tussen het aantal GVE en het areaal van het bedrijf dat voor de voedering van de dieren van hetzelfde bedrijf wordt gebruikt (het voederareaal).

Ingevolge artikel 55, eerste lid, in verbinding met artikel 51, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt, indien het verschil tussen de opgegeven oppervlakte voederareaal en de geconstateerde oppervlakte voederareaal meer bedraagt dan 20% van de geconstateerde oppervlakte voederareaal, het voederareaal op 0 ha vastgesteld, zodat ingevolge artikel 131, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geen stierenpremie en zoogkoeienpremie kan worden verleend.

Aangezien bedoeld verschil hier meer bedraagt dan 20% van de geconstateerde oppervlakte – te weten (368.08-100.48) : 100.48 x 100% = 266,30% – zijn de aanvragen om stierenpremie en zoogkoeienpremie afgewezen.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 komen landbouwers die stierenpremie en/of zoogkoeienpremie ontvangen, in aanmerking voor een extensiveringsbedrag.

Aangezien appellant niet voor stierenpremie en zoogkoeienpremie in aanmerking komt, is ook de aanvraag om het extensiveringsbedrag afgewezen.

2.3 Appellant heeft – samengevat weergegeven – het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

De geconstateerde oppervlakte is ten onrechte vastgesteld op 100.48 ha.

Appellant heeft met C, D en E doorlopende gebruiksverklaringen. De op deze verklaringen betrekking hebbende percelen die appellant als voederareaal heeft opgegeven, zijn door verweerder ten onrechte als niet-geconstateerd aangemerkt. In dit verband heeft appellant ook gewezen op verweerders besluit van 22 november 2007, waarbij verweerder op grond van het door appellant overgelegde formulier 'Verzoek tot verwijdering einddatum grondgebruiksverklaring' voor het aan C in eigendom toebehorende maïsperceel 10 voor 2005 akkerbouwsteun heeft verleend. Aangezien dit formulier ook betrekking heeft op de eveneens aan C in eigendom toebehorende en door appellant als voederareaal opgegeven percelen 11, 14 en 15, had verweerder volgens appellant ook deze percelen als voederareaal moeten accepteren.

Dat de pachtovereenkomst met de Vereniging Natuurmonumenten (hierna: VNM) niet zou voldoen, zoals verweerder stelt, komt appellant raar voor, aangezien de VNM het weiden van de koeien van appellant in 2005, en ook nadien, heeft getolereerd. Volgens appellant is sprake van een doorlopende pachtovereenkomst. Dit betekent dat verweerder ook de met deze pachtovereenkomst corresponderende en opgegeven percelen ten onrechte als

niet-geconstateerd heeft aangemerkt.

Of de ten behoeve van appellant opgestelde grondgebruiksverklaring van het Brabants Landschap er al dan niet toe strekt enkel te dienen voor jongvee, is niet van belang, omdat het gewas bepalend is en niet de beweiding. Verweerder heeft de daarmee corresponderende en opgegeven percelen eveneens ten onrechte niet als voederareaal aangemerkt.

Ook voor de percelen die getypeerd zijn als [NAAM PERCEEL] beschikt appellant over een geldige grondgebruiksverklaring.

Ten slotte meent appellant dat tijdens de AID-meting de wijze van meting onvoldoende inzichtelijk is gemaakt.

2.4 Het College overweegt het volgende.

2.5 Appellant heeft zich ten aanzien van een aantal percelen die zij als voederareaal heeft opgegeven, beroepen op doorlopende grondgebruiksverklaringen van C, D en E. Appellant heeft hiertoe tijdens de hoorzitting van 3 mei 2007 drie formulieren 'Verzoek tot verwijdering einddatum grondgebruiksverklaring' van eind 2003 overgelegd, die mede zijn ondertekend door genoemde personen. Op die formulieren staat dat met dit formulier de einddatum van de geregistreerde grondgebruiksverklaringen kan worden verwijderd en de grondgebruiksverklaring hierdoor tot wederopzegging wordt verlengd.

In het bestreden besluit van 24 augustus 2007 heeft verweerder gesteld dat deze formulieren geen nadere aanduiding geven omtrent de specifieke percelen waarop zij betrekking hebben, zodat zij appellant niet kunnen baten. Appellant heeft echter gesteld dat met het kenmerknummer op deze formulieren eenvoudig kan worden vastgesteld op welke percelen zij betrekking hebben. Bovendien heeft appellant erop gewezen dat verweerder bij besluit van 22 november 2007 op grond van één van deze drie formulieren (het formulier met betrekking tot gronden van C) voor het door appellant opgegeven maïsperceel 10 akkerbouwsteun heeft verleend.

In het bestreden besluit van 24 augustus 2007 is voorts gesteld dat uit de verklaringen die ten overstaan van de AID zijn afgelegd over de percelen van C (10 t/m 15), D (82 t/m 84) en E (90 en 92) blijkt dat de percelen in 2005 feitelijk niet bij appellant in gebruik waren. Het is het College evenwel niet duidelijk waarom verweerder, gelet op deze verklaringen, perceel 10 wel heeft geaccepteerd, en de overige niet.

2.6 Het College is dan ook van oordeel dat het beroep met nummer AWB 07/729 gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit van 24 augustus 2007 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden vernietigd.

2.7 Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door appellant als voederareaal opgegeven percelen 121 t/m 124 en 143 t/m 146 betrekking hebben op het natuurgebied de [NAAM GEBIED] van de VNM. Het College is met verweerder van oordeel dat deze percelen niet als voederareaal kunnen worden aangemerkt. Niet gebleken is immers dat appellant voor deze percelen ten tijde van belang over een geldige gebruikstitel beschikte, zodat deze percelen niet tot het areaal van het bedrijf als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kunnen worden gerekend. In de tussen appellant en de VNM op

14 februari 2002 gesloten pachtovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de overeenkomst ingaat op 1 januari 2002 en eindigt op 2 januari 2003. Tevens heeft F van de VNM bij brief van 26 oktober 2005 aan de AID verklaard dat de pacht is beëindigd op

2 januari 2003 en dat de VNM sinds 21 november 2002 het beheer weer zelf ter hand heeft genomen met de inzet van Schotse Hooglanders. Het enkele feit dat in de pachtovereenkomst van 14 februari 2002 is bepaald dat verpachtster verklaart dat de termijn van 12 jaar zoals bedoeld in artikel 70f, vijfde lid, van de Pachtwet voor de eerste keer is ingegaan op 1 januari 2002, zodat die termijn afloopt op 31 december 2013, brengt niet mee dat er ook daadwerkelijk pachtovereenkomsten zijn gesloten voor de jaren 2003 en daarna. Appellant heeft ook geen stukken overgelegd (bijvoorbeeld bewijzen van betaling van de pachtsom) waaruit het tegendeel blijkt.

Aangezien de totale oppervlakte van de opgegeven percelen 121 t/m 124 en 143 t/m 146 206.48 ha bedraagt, is, gelet op artikel 55, eerste lid, in verbinding met artikel 51, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 796/2004, reeds op grond van deze percelen het voederareaal terecht op 0 ha vastgesteld, zodat er voor 2005 geen stierenpremie en zoogkoeienpremie kon worden toegekend.

2.8 Omdat appellant voor 2005 geen recht heeft op stierenpremie en zoogkoeienpremie, heeft hij voor dat jaar ingevolge artikel 132, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 evenmin recht op het extensiveringsbedrag. Het beroep met nummer AWB 07/973 tegen het bestreden besluit van 8 november 2007 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

2.9 Het College acht ten slotte termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten, bestaande uit de kosten van door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand, zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 644,-- (1 punt voor het beroepschrift van 2 oktober 2007 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en € 322,-- per punt).

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep met nummer AWB 07/729 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 augustus 2007;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- verklaart het beroep met nummer AWB 07/973 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht voor het beroep met nummer AWB 07/729

ten bedrage van € 143,-- (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. B.J.E. Lodder