Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BL5936

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
AWB 04/1007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuw besluit hangende beroep komt geheel toe aan beroep. Beroep wordt niet geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit. Ingevolge 6:19, derde lid, Awb staat intrekking van bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/1007 19 januari 2010

5125 - Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Het verloop van de procedure

Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 27 november 2003 en 4 juni 2004 op grond van de Regeling dierlijke

EG-premies over het jaar 2002 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben bij beroepschrift van 28 november 2004 beroep ingesteld tegen het besluit van 22 oktober 2004.

Verweerder heeft op 1 februari 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op 4 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft partijen bij brief van 19 oktober 2006 meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van de door het College gestelde prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 en van de uitspraak van het College in die zaak.

Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 28 februari 2008 (C-446/06, Winkel, Jur.

blz. I-1167) de prejudiciële vragen in zaak AWB 04/1080 beantwoord. Het College heeft op 31 oktober 2008 (www.rechtspraak.nl, LJN: BG4638) uitspraak in die zaak gedaan.

Bij brieven van respectievelijk 16 november 2008 en 18 november 2008 hebben appellanten en verweerder desgevraagd op het arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 31 oktober 2008 gereageerd.

Bij besluit van 23 september 2009 heeft verweerder het besluit van 22 oktober 2004 ingetrokken, de bezwaren gegrond verklaard, het primaire besluit van 4 juni 2004 herroepen en een aanvullend bedrag aan zoogkoeienpremie toegekend van € 700,77.

Bij brief van 5 oktober 2009 hebben appellanten desgevraagd meegedeeld het beroep te handhaven, omdat zij de kosten in de bezwaar- en beroepsfase en de wettelijke rente vergoed willen zien en in verband met de gevolgen voor de bedrijfstoeslag.

Op 30 oktober 2009 heeft verweerder op dit verzoek gereageerd.

Op respectievelijk 16 en 17 december 2009 hebben verweerder en appellanten toestemming verleend zonder zitting uitspraak te doen in deze zaak. Vervolgens heeft het College bij brief van 7 januari 2010 meegedeeld dat het onderzoek in deze zaak is gesloten.

2. De beoordeling

2.1 Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 Awb, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Aangezien het herziene besluit van 23 september 2009 aan het beroep van appellanten geheel tegemoet komt in de zin van artikel 6:19, eerste lid, Awb, wordt het beroep niet geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

2.2 Ingevolge artikel 6:19, derde lid, Awb staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Het College is van oordeel dat appellanten nog belang hebben bij vernietiging van het besluit van 22 oktober 2004, aangezien appellanten bij brief van 5 oktober 2009 hebben verzocht om vergoeding van de wettelijke rente. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en wordt het besluit van 22 oktober 2004 vernietigd.

Uit het overzicht bij het besluit van 23 september 2009 blijkt dat appellanten de bij besluit van 4 juni 2004 teruggevorderde zoogkoeienpremie ten bedrage van € 700,77 in twee termijnen op 13 januari 2005 (€ 480,--) en 15 februari 2005 (€ 220,77) aan verweerder hebben betaald. Verweerder zal over deze bedragen de wettelijke rente moeten vergoeden vanaf de dagen van betaling aan verweerder tot aan de dag der algehele voldoening.

Hiertoe zal verweerder worden veroordeeld.

2.3 Appellanten hebben bij brief van 5 oktober 2009 voorts verzocht om een veroordeling van verweerder in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure.

Voor een veroordeling van verweerder in de kosten in de bezwaarfase is reeds geen grond, omdat niet is voldaan aan het in artikel 7:15, tweede lid, Awb gestelde vereiste dat het verzoek wordt gedaan voordat op het bezwaar is beslist.

Er is evenmin aanleiding om verweerder in de kosten van de beroepsfase te veroordelen, aangezien niet is gebleken van kosten die op grond van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4 Het College overweegt ten slotte nog dat verweerder in zijn brief van 30 oktober 2009 terecht heeft overwogen dat, anders dan appellanten kennelijk willen, de gevolgen voor de bedrijfstoeslag voor de jaren 2006 en daarna in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen. De besluiten tot vaststelling van de toeslagrechten en de uitbetaling van de bedrijfstoeslag zullen door verweerder, zoals in de brief van 30 oktober 2009 te kennen is gegeven, ambtshalve worden herbeoordeeld.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 oktober 2004;

- veroordeelt verweerder aan appellanten de wettelijke rente te vergoeden vanaf de dagen dat appellanten de

teruggevorderde premiebedragen hebben betaald tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat verweerder het door appellanten betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 273,-- (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) aan hen vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2010.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. B.J.E. Lodder