Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BL0545

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
AWB 10/56
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 10/56 18 januari 2010

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B (Gld), appellant,

gemachtigde: mr. R.L.J.J. Vereijken, advocaat te Waalre

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur- en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag

1. De procedure

Op 10 december 2009 heeft verweerder alle herkauwers op het bedrijf van verzoeker als verdacht van Q-koorts aangemerkt. Voorts heeft verweerder een aantal maatregelen opgelegd om de verspreiding van de Q-koorts tegen te gaan.

Bij het besluit van 12 januari 2010 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat uit onderzoek is komen vast te staan dat een of meer geiten op zijn bedrijf besmet zijn met de Q-koortsbacterie. Dit heeft tot gevolg dat alle geiten (mannelijk en vrouwelijk) op verzoekers bedrijf als verdacht van besmetting met Q-koorts blijven aangemerkt en dat het bedrijf met ingang van 12 januari 2009 besmet wordt verklaard. Voorts heeft verweerder een aantal aanvullende maatregelen opgelegd. Eén van deze maatregelen betreft het doden van alle verdachte drachtige en geslachtsrijpe mannelijke geiten.

Tegen beide besluiten heeft verzoeker op respectievelijk 14 en 15 januari 2010 bezwaar gemaakt. Op 14 januari 2010 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend dat gericht is tegen beide besluiten. Verzoeker heeft zijn verzoek op 15 januari 2010 aangevuld.

Verweerder heeft op 14 en 15 januari 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek op 15 januari 2010 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is voor verweerder verschenen dr. C., bij verweerder werkzaam als eerste veterinair deskundige.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 15, 17, 21, 22, 24 en 109 van de Wet luiden, voor zover hier van belang:

" Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

a. vee;

(…)

2. Een besmettelijke dierziekte kan worden aangewezen, indien:

a. de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen;

(…)

c. de ziekte naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert.

3. In het geval bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vindt de aanwijzing plaats in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt.

Artikel 17

1. Bij ministeriële regeling kunnen hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, regels worden gesteld ter voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte, waaronder in ieder geval regels omtrent:

a. het voorbehoedend behandelen, merken, opsluiten, aanlijnen van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast of drager van smetstof kunnen zijn;

b. het behandelen of onschadelijk maken van producten van dierlijke oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen alsmede van andere producten of voorwerpen die drager van smetstof kunnen zijn;

c. het betreden van bedrijven of vestigingen waar dieren worden gehouden, waaronder het opleggen van de verplichting aan personen, die in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf bedrijven of vestigingen betreden, tot het houden van aantekeningen omtrent het betreden van desbetreffende bedrijven of vestigingen;

d. het insemineren of laten bevruchten van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast.

2. Onder de in het eerste lid bedoelde regels worden mede verstaan regels met betrekking tot:

a. het aanvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen alsmede van andere producten of voorwerpen aan bedrijven of vestigingen;

b. het ontvangen van dieren, producten van dierlijke oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen alsmede van andere producten of voorwerpen op bedrijven of vestigingen;

c. het afvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen, alsmede van andere producten of voorwerpen van bedrijven of vestigingen;

d. de aanwezigheid van dieren, producten van dierlijke oorsprong, diervoeder, vervoermiddelen alsmede andere producten of voorwerpen op bedrijven of vestigingen.

3. Indien een besmettelijke dierziekte is aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden de in het eerste lid bedoelde regels in overeenstemming met die minister gesteld.

Artikel 21

1. Onze Minister besluit zo spoedig mogelijk tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

(…)

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

b. opstallen, ophokken of op een plaats houden van zieke en verdachte dieren;

(…)

d. het door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen;

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(…)

Artikel 24

Onze Minister stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt en stelt daarbij tevens vast welke op het bedrijf aanwezige dieren op het tijdstip waarop de verdenking is ontstaan reeds ziek waren en welke dieren op dat tijdstip van de ziekte verdacht waren.

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. "

Artikel 2 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's (Stcrt. 2005, 120), zoals onder meer in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en gelet op, onder meer, artikel 15, tweede lid, onderdelen a en c en het derde lid, van de Wet, gewijzigd bij Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 december 2009, nr. 96744 (Stcrt. 2009, 19709), luidt voor zover hier van belang:

" Als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de wet bij vee worden aangewezen:

(…)

ac. Q-koorts. "

In de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten (Stcrt. 2007, 237), zoals onder meer gewijzigd bij Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 september 2009, nr. 40823 (Stcrt. 2009, 14669), voor zover van belang, is bepaald:

" Artikel 5.1.2

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. tankmelk: schapen- of geitenmelk die wordt bewaard in een melkkoeltank en die geen behandeling heeft ondergaan;

b. Coxiella burnetii: bacterie die Q-koorts veroorzaakt;

(…)

Artikel 5.1.2

1. Het is verboden meer dan 50 schapen of geiten te houden ten behoeve van de bedrijfsmatige melkproductie.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.1.3.

(…)

Artikel 5.1.3

1. De houder van de dieren, bedoeld in artikel 5.1.2, eerste lid, stuurt iedere veertien dagen een monster van de tankmelk van de dieren op zijn bedrijf voor onderzoek naar een daartoe aangewezen laboratorium.

(…)

Artikel 5.1.4

1. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste lid, onderzoekt de monsters door middel van een PCR-test op de aanwezigheid van Coxiella burnetii.

2. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste lid, stelt het bedrijf waarvan het monster afkomstig is op de hoogte van de uitslag van het onderzoek, wanneer de aanwezigheid van Coxiella burnetii geconstateerd is.

3. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste lid, voorziet het bedrijf waarvan de monsters afkomstig zijn jaarlijks van een overzicht waarin de uitslagen van het onderzoek zijn opgenomen.

4. Het laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3, eerste lid, rapporteert in ieder geval jaarlijks aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de uitslagen van het onderzoek. "

In artikel 20f van de Regeling erkenning en aanwijzing veterinaire laboratoria (Stcrt. 2006, 37), zoals onder meer gewijzigd bij Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 25 september 2009, nr. 40823 (Stcrt. 2009, 14669)

is bepaald:

" De Gezondheidsdienst voor Dieren wordt aangewezen als laboratorium, bedoeld in artikel 5.1.3 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten. "

Artikel 2 van het Besluit verdachte dieren luidt als volgt:

" Onze Minister besluit dieren als verdacht aan te merken, indien:

(…)

b. de dieren zich met zieke of verdachte dieren in dezelfde verblijfplaats bevinden of binnen de in artikel 3 genoemde termijn hebben bevonden dan wel binnen deze termijn daarmee in aanraking zijn geweest, of

c. Onze Minister redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de betreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is. "

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij een tankmelkonderzoek worden door de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna: GD) tankmelkmonsters afgenomen. Na onderzoek van het monster door de GD wordt het monster bij een positief resultaat, dat wil zeggen dat de Q-koorts veroorzakende bacterie is aangetroffen, ter verificatie naar het Centraal Veterinair Instituut (CVI) gezonden. Indien het positieve resultaat van het door de GD verrichte onderzoek door het CVI wordt geconfirmeerd, wordt de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) ingeschakeld. De VWA neemt vervolgens zelf op het bedrijf een nieuw tankmelkmonster, dat door het CVI wordt onderzocht.

- Verzoekers bedrijf is drie maal aan een tankmelkonderzoek onderworpen.

- Bij het eerste tankmelkonderzoek d.d. 9 september 2009 is de Q-koortsbacterie in de tankmelk van het bedrijf van verzoeker aangetroffen. Deze uitslag is niet door het CVI geconfirmeerd.

- Bij het tweede tankmelkonderzoek d.d. 1 oktober 2009 is de Q-koortsbacterie in de tankmelk van het bedrijf van verzoeker aangetroffen. Dit resultaat is door het CVI geconfirmeerd. Het daarop door de VWA genomen tankmelkmonster heeft het resultaat dubieus opgeleverd, hetgeen betekent dat de resultaten van het onderzoek rond de zogenoemde afkapwaarde lagen.

- Op 10 december 2009 heeft verweerder alle herkauwers op het bedrijf van verzoeker als verdacht van Q-koorts aangemerkt.

- Bij het derde tankmelkonderzoek is de Q-koortsbacterie in de tankmelk van het bedrijf van verzoeker aangetroffen. Dit resultaat is door het CVI geconfirmeerd. Het daarop volgende door de VWA op 4 januari 2010 genomen tankmelkmonster heeft eveneens tot een positief resultaat geleid, dat wil zeggen dat de Q-koortsbacterie in de tankmelk van verzoekers bedrijf is aangetroffen.

3. De besluiten ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd

Bij het besluit van 10 december 2009 heeft verweerder alle herkauwers op het bedrijf van verzoeker als verdacht van Q-koorts aangemerkt en daarbij een aantal maatregelen opgelegd.

Bij het besluit van 12 januari 2010 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat uit onderzoek is komen vast te staan dat een of meer geiten op zijn bedrijf besmet zijn met de Q-koortsbacterie. Dit heeft tot gevolg dat alle geiten (mannelijk en vrouwelijk) op verzoekers bedrijf als verdacht van besmetting met Q-koorts blijven aangemerkt en dat het bedrijf met ingang van 12 januari 2009 besmet wordt verklaard. Voorts heeft verweerder een aantal aanvullende maatregelen opgelegd. Eén van deze maatregelen betreft het doden van alle verdachte drachtige geiten en geslachtsrijpe mannelijke geiten.

4. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten ten onrechte aan verzoeker zijn gericht. De geiten behoren tot de economische en juridische eigendom van de maatschap D. De bestreden besluiten hadden dan ook tot die maatschap gericht moeten worden. Nu dat niet het geval is, kunnen de bestreden besluiten geen effect sorteren en dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden toegewezen.

Inhoudelijk heeft verzoeker – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de besluiten zijn gebaseerd op onderzoeken die niet zorgvuldig zijn verricht en waarbij geen sprake is van een gevalideerde werkwijze.

Ter illustratie daarvan heeft verzoeker aangevoerd dat de tankmelkmonsters door de GD met een paplepel worden genomen en dat het dezelfde paplepel betreft die bij andere bedrijven is gebruikt. De paplepel wordt enkel ontsmet door deze af te spoelen met koud water en vervolgens te bewerken met jodium. Door deze manier van ontsmetten kan niet worden uitgesloten dat de aangetroffen Q-koortsbacterie in verzoekers melktank afkomstig is van een ander bedrijf.

Ook bij de door de VWA genomen monsters is niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen: de dierenarts haalde pipetjes uit de binnenzak van zijn jas en stopte deze na het nemen van het monster daar ook weer terug. Daar komt nog bij dat de bij verzoeker genomen monsters onverzegeld zijn verzonden, hetgeen in strijd is met de van toepassing zijnde voorschriften.

Tot slot biedt ook het onderzoek in het laboratorium onvoldoende waarborgen voor een betrouwbaar resultaat, nu de gebruikte instrumenten enkel worden schoongemaakt met gedestilleerd water. Een toegelaten ontsmettingsmiddel tegen de Q-koortsbacterie bestaat nog niet.

Verzoeker heeft zich, gezien de onzorgvuldige en onbetrouwbare onderzoeksresultaten, op het standpunt gesteld dat niet kan worden gezegd dat verweerder de bestreden besluiten in redelijkheid heeft kunnen nemen.

Subsidiair heeft verzoeker aangevoerd dat het doden van alle drachtige en mannelijk geiten disproportioneel en onevenredig is, nu gebruik wordt gemaakt van een onbetrouwbare onderzoeksmethodiek. In dat geval had verweerder het belang van het respect voor het leven van de geiten zwaarder moeten laten wegen dan het belang van de volksgezondheid. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij de maatregel tot het doden van alle drachtige en geslachtsrijpe mannelijke dieren niet onredelijk acht in het geval besmetting met de Q-koortsbacterie zorgvuldig is vastgesteld.

5. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft voorop gesteld dat het besluit tot doding van drachtige en mannelijke geiten diep ingrijpt bij de betrokken geitenhouders, zo ook bij verzoeker. Daar staat tegenover dat dit besluit vanwege de ernstige risico’s voor de volksgezondheid noodzakelijk is.

Verweerder voert op basis van advies van deskundigen het beleid dat op een bedrijf waar aan de hand van tankmelkonderzoek de aanwezigheid van de Q-koortsbacterie wordt vastgesteld, alle drachtige en mannelijke geslachtsrijpe dieren worden geruimd. Niet omdat al die dieren dan besmet zijn, maar omdat er in ieder geval besmetting onder die dieren is en ieder van die dieren daarom besmet kan zijn.

Uit de resultaten van de op het bedrijf van verzoeker verrichte tankmelkonderzoeken is meerdere malen gebleken dat verzoekers bedrijf besmet is. Verder duidt ook de spontane abortus die op het bedrijf van verzoeker heeft plaatsgevonden op besmetting met de Q-koortsbacterie.

Verweerder heeft met klem betwist dat de tankmelkonderzoeken door de desbetreffende instanties niet zorgvuldig zijn verricht. Zowel de GD, het CVI en de VWA werken volgens werkinstructies, die nauwlettend worden gevolgd.

De monsters worden bij de GD afgenomen door chauffeurs die daartoe een opleiding hebben gevolgd en een examen hebben afgelegd. Verder worden de chauffeurs van de GD jaarlijks bijgeschoold en vinden er per jaar 4 controles per chauffeur plaats.

In de werkinstructie van de GD t.a.v. het gebruik van een monsterlepel staat onder meer vermeld dat de monsterlepel in een schone monsterlepelhouder moet worden bewaard. In de lepelhouder bevindt zich een RECA ML oplossing met een concentratie titreerbaar jodium van 30 tot 150 mg per liter. Deze oplossing is volgens verweerder zo zuur dat daarmee niet alleen de bacterie , maar ook het DNA wordt vernietigd.

De VWA werkt met werkinstructies ten aanzien van onder meer het nemen van monsters en identificatie, het verpakken van monsters voor verzending en het uitvoeren van een bedrijfsbezoek besmette bedrijven Q-koorts.

Ook bij het CVI wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht door bijvoorbeeld diverse controles uit te voeren om een foutieve uitslag uit te kunnen sluiten.

Voor zover er onverhoopt toch onzorgvuldig zou zijn gehandeld, hoewel daarvan niet is gebleken, doet dat volgens verweerder niet af aan het feit dat uit de tankmelkonderzoeken op het bedrijf van verzoeker meerdere malen een positief resultaat is behaald. Het is volgens verweerder onmogelijk dat verschillende onderzoeken positief resultaat geven als – incidenteel – een onzorgvuldige werkwijze zou zijn gehanteerd. Bovendien betekent het afnemen van monsters met een besmette lepel dat bij meer betrokken bedrijven besmetting zou zijn geconstateerd, hetgeen niet het geval is.

Verzoekers standpunt dat de bestreden besluiten ten onrechte aan hem zijn gericht en niet aan de maatschap dient volgens verweerder te worden verworpen, nu de UBN-nummers van de geiten op naam van verzoeker staan.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, in samenhang met artikel 8:81, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien verweerder van plan is alle drachtige en mannelijke geslachtsrijpe geiten op zeer korte termijn te doden, acht de voorzieningenrechter het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening spoedeisend.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel.

6.2 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder de bestreden besluiten ten onrechte aan verzoeker in persoon in plaats van aan de maatschap, aan welke de geiten in economische en juridische zin behoren, heeft gericht.

Die vraag dient naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ontkennend te worden beantwoord. De UBN-nummers van de geiten staan op naam van verzoeker. Verweerder mocht er dan ook vanuit gaan dat de bestreden besluiten aan verzoeker zelf konden worden gericht. Bovendien kan verweerder de maatschap zo nodig in bezwaar nog bij de beslissing op bezwaar betrekken.

6.3 De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat het bestreden besluit van 12 januari 2010 een kennelijke verschrijving bevat. In dat besluit wordt medegedeeld dat verzoekers bedrijf met ingang van 12 januari 2009 besmet is verklaard. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de genoemde datum 12 januari 2010 had moeten zijn. Nu dit gebrek door verweerder in bezwaar kan worden hersteld en verzoeker niet in zijn belangen is geschaad, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding te concluderen dat reeds om die reden sprake zou zijn van een onrechtmatig besluit.

6.4 Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het geschil ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of verweerder op goede gronden en terecht heeft besloten tot verdacht- en besmetverklaring van alle geiten op het bedrijf van verzoeker en tot het (doen) treffen van de maatregel tot doding van alle drachtige en mannelijke geslachtsrijpe geiten op dit bedrijf.

De voorzieningenrechter stelt vast dat bij het derde en laatste tankmelkonderzoek door de GD de Q-koortsbacterie in de tankmelk van verzoekers bedrijf is aangetoond. Dit positieve resultaat is door het CVI geconfirmeerd en vervolgens met een afzonderlijk door de VWA verricht onderzoek bevestigd.

Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat verzoekers bezwaren betrekking hebben op de wijze waarop de tankmelkonderzoeken in zijn algemeenheid worden verricht. Daarbij zijn verzoekers bezwaren niet gericht tegen de door de betrokken instanties opgestelde werkinstructies, maar tegen de manier waarop uitvoering wordt gegeven aan deze werkinstructies. Volgens verzoeker is zowel bij het afnemen van de monsters, de verpakking en verzending daarvan én bij het laboratoriumonderzoek onzorgvuldig gehandeld.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de tankmelkonderzoeken onzorgvuldig is gehandeld. Niet is gebleken dat de betrokken instanties zich niet aan de werkinstructies hebben gehouden. Verzoeker heeft zijn stellingen op eigen waarneming en wetenschap gebaseerd, maar heeft geen concrete bewijzen voor de juistheid daarvan ingebracht. Daar komt nog bij dat hetgeen verzoeker zegt te hebben waargenomen verenigbaar is met correcte uitvoering van de werkinstructies.

Verweerder heeft ter zitting uiteen gezet dat de lepel waarmee de chauffeur van de GD een monster uit de tankmelk neemt, conform de werkinstructie, na de monsterafname in een zuur wordt gelegd dat dermate sterk is dat niet alleen de bacterie maar ook het DNA wordt vernietigd. Besmetting van het ene bedrijf naar het andere is daardoor uitgesloten.

Verder is ter zitting gebleken dat een deel van de door de GD en de VWA te verrichten handelingen, zoals het verzegelen van het afgenomen monster, in de bedrijfsauto kan plaatsvinden. Dit betekent dat een deel van de te verrichten handelingen aan verzoekers waarneming zijn onttrokken. Het enkele feit dat verzoeker niet heeft gezien dat de monsters worden verzegeld, betekent niet dat de voorgeschreven verzegeling niet heeft plaatsgevonden. Verzoekers standpunt dat bij de monsterafname en de verpakking en verzending onzorgvuldig is gehandeld, kan dan ook niet worden gevolgd.

Verzoekers stelling dat in het laboratorium bij gebreke aan een toegelaten ontsmettingsmiddel onzorgvuldig is gewerkt, heeft verweerder ter zitting gemotiveerd weersproken. Verder heeft verweerder ter zitting uiteengezet dat een op het bedrijf genomen tankmelkmonster op het laboratorium wordt gesplitst. De zogenoemde pipetpunten die hiervoor worden gebruikt worden slechts éénmaal gebruikt en komen daardoor ook maar één keer in aanraking met de melk.

Nu er geen aanwijzingen zijn dat de resultaten van de tankmelkonderzoeken wegens de wijze van uitvoering van de onderzoeken onbetrouwbaar moeten worden geacht, kan als vaststaand worden aangenomen dat de Q-koortsbacterie – ook bij confirmatie - in de tankmelk van verzoekers bedrijf is aangetroffen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter beschikte verweerder over voldoende basis voor de besmetverklaring van verzoekers bedrijf en voor het als verdacht aanmerken van alle drachtige en mannelijke geslachtsrijpe dieren.

Dit betekent dat verweerder bevoegd was te besluiten tot het treffen van de maatregel tot het (laten) doden van drachtige en mannelijke geslachtsrijpe dieren op het bedrijf van verzoeker.

Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de maatregel tot het (laten) doden van de dieren hier in geding heeft kunnen opleggen.Verzoeker heeft ter zitting verklaard op zichzelf geen bezwaar te hebben tegen het opleggen van een dergelijke maatregel, mits deze gebaseerd is op betrouwbare onderzoeksresultaten.

6.5 De voorzieningenrechter komt tot de voorlopige conclusie dat de besluiten ten aanzien waarvan thans om een voorlopige voorziening wordt verzocht, in het licht van de grieven die verzoeker heeft aangevoerd, de toets der kritiek hebben kunnen doorstaan. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. N.W.A. Verrijt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. N.W.A. Verrijt