Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BK9795

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
AWB 10/30
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; Besluit verdachte dieren; Bestrijding van Q-koorts; maatregel tot doding van alle drachtige geiten en mannelijke geiten op besmet verklaard bedrijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2010/10 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 10/30 8 januari 2010

11230 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Besluit verdachte dieren

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:84 juncto 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaak van:

A, te B, verzoekster,

gemachtigde: mr. M.Ph.A. Senders, advocaat te Waalre,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.

Zitting hebben:

mr. E.R. Eggeraat, voorzieningenrechter,

mr. O.C. Bos, waarnemend griffier.

Ter zitting zijn verschenen verzoekster, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en

C, enig aandeelhouder van verzoekster. Verzoekster heeft zich voorts doen vergezellen van D, werkzaam bij verzoekster, en heeft als deskundige meegebracht E, dierenarts. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is voor verweerder verschenen F, werkzaam als Chief Veterinary Officer bij verweerders ministerie.

Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening, bij het College binnengekomen op 7 januari 2010, dat strekt tot schorsing van de besluiten van verweerder van 27 november 2009 en 16 december 2009.

Bij het besluit van 27 november 2009 heeft verweerder ter bestrijding van de Q-koorts op grond van artikel 22, eerste lid, onder d, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de Wet), het bedrijf van verzoekster, gevestigd aan G te H, met ingang van 12 november 2009 besmet verklaard.

Bij het besluit van 16 december 2009 heeft verweerder verzoekster op grond van artikel 24 van de Wet medegedeeld dat alle geiten op haar bedrijf op grond van artikel 2, onderdelen b en c, van het Besluit verdachte dieren met ingang van 16 december 2009 als verdacht van Q koorts worden aangemerkt. Tevens heeft hij op grond van artikel 22, eerste lid, onderdelen b, d, en f, van de Wet aanvullende maatregelen getroffen, waaronder het doden van alle verdachte drachtige geiten en mannelijke geiten op het bedrijf van verzoekster.

Verzoekster heeft tegen genoemde besluiten bezwaar gemaakt.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten heeft de voorzieningenrechter aan partijen de beslissing en de gronden van de beslissing medegedeeld.

Beslissing:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Gronden:

De voorzieningenrechter beschouwt het als een hard gegeven dat monsters van de tankmelk op het bedrijf van verzoekster bij twee onderzoeken positief zijn bevonden op de aanwezigheid van Coxiella burnetii, de bacterie die Q koorts veroorzaakt. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat deze positieve testresultaten zijn beïnvloed door het feit dat de geiten op het bedrijf van verzoekster kort voor de monstername voor die onderzoeken zijn gevaccineerd. Daarvoor bestaat geen, althans onvoldoende, wetenschappelijk aanknopingspunt.

Dat bij twee andere onderzoeken van monsters van de tankmelk op het bedrijf van verzoekster de aanwezigheid van de Q koorts veroorzakende bacterie niet is aangetoond, zoals door verzoekster naar voren is gebracht, doet aan dit gegeven niet af. De voorzieningenrechter acht het, zoals verweerder heeft gesteld, mogelijk, en dus zeker niet uitgesloten, dat de geiten op het bedrijf van verzoekster, hoewel besmet, ten tijde van de monstername niet de Q koorts veroorzakende bacterie hebben uitgescheiden, waardoor de aanwezigheid van die bacterie in die onderzoeken ook niet kon worden aangetoond. Hieruit volgt evenwel niet dat zich op het bedrijf van verzoekster geen besmetting met de Q koorts veroorzakende bacterie voordoet.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter beschikte verweerder derhalve over voldoende basis voor de besmetverklaring van het bedrijf van verzoekster, alsmede voor het als verdacht aanmerken van de dieren die hier in geding zijn (alle drachtige geiten en mannelijke geiten op het bedrijf van verzoekster).

Gelet op het voorgaande bestaat ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het treffen van de maatregel tot doding van deze dieren. Allereerst bestaat geen aanleiding om, in lijn met het subsidiaire betoog van verzoeker, uitvoering van deze maatregel uit te stellen in afwachting van nader onderzoek. In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat, zoals volgt uit het hiervoor overwogene, van dergelijk nader onderzoek geen nuttig en zinvol effect is te verwachten.

Evenmin is er reden om de uitvoering van de maatregel niet rechtmatig te achten op de meer subsidiair aangevoerde gronden, met name op de grond dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van bedrijven die in het verleden besmet zijn geweest met de Q koorts veroorzakende bacterie. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder de vrijheid heeft om op basis van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht nieuw beleid in te zetten en uit te voeren. Dat in dit nieuwe beleid, dat zich overigens nog steeds ontwikkelt, kleinere veehouderijen – en bijvoorbeeld ook kinderboerderijen – vooralsnog worden ontzien, leidt, mede gezien de omvang van het bedrijf van verzoekster, naar voorlopig oordeel niet tot een zodanige mate van rechtsongelijkheid dat op grond daarvan het verzoek zou moeten worden ingewilligd.

De voorzieningenrechter realiseert zich dat de maatregel tot doding van alle drachtige geiten en mannelijke geiten op haar bedrijf voor verzoekster buitengewoon ingrijpend is, maar overweegt dat deze omstandigheid niet afdoet aan de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. O.C. Bos