Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BL4485

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/743
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/743 24 december 2009

16000 - Meststoffenwet

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B. Raven, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 3 oktober 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 augustus 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellante tegen zijn brief van 27 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 28 oktober 2008 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld

Bij brief van 25 november 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 9 juli 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht. Tevens is verschenen B, directeur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 3 juni 2008 heeft appellante verweerder als volgt bericht :

“ Namens cliënte (…) heb ik eerder aangegeven dat cliënte graag wil bezien of er een mogelijkheid bestaat om de verschillende procedures die nog lopen over oude overtredingen (tot, grof gezegd, de eerste helft van 2007) in der minne met uw dienst geregeld kunnen worden. Cliënte doet dit bod overigens zonder aansprakelijkheid of de overtredingen of juistheid van de stellingen van de Minister van LNV te erkennen: cliënte doet dit onder voorbehoud van alle rechten en weren en slechts om de vele procedures, gelet op de tijdrovendheid en kostbaarheid ervan, te kunnen staken. Hiertoe bestaat ook, nu thans in alle opzichten wordt voldaan aan de wet- en regelgeving (en het dus inderdaad gaat om oud zeer), alle aanleiding.

Cliënte stelt voor om tegen betaling van haar kant van het bedrag ad € 10.000,- de procedures te staken. Het komt me voor dat dit een alleszins redelijk voorstel is. (…)”

- Bij brief van 27 juni 2008 heeft verweerder appellante bericht dat hij niet op het schikkingsvoorstel in gaat.

- Bij brief van 5 augustus 2008 heeft appellante tegen deze brief – met redenen omkleed – bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder een besluit wordt verstaan ‘een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling’. De brief waarin appellante is meegedeeld dat verweerder niet ingaat op haar schikkingsvoorstel is niet gericht op enig rechtsgevolg.

Bij het verweerschrift heeft verweerder – in reactie op de hierna genoemde beroepsgronden van appellante – het volgende toegevoegd. De brief van 27 juni 2008 kan niet worden aangemerkt als antwoord op een verzoek van appellante tot matiging van de dwangsommen als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, Awb. Voor vermindering van de hoogte van de opgelegde dwangsom kan aanleiding bestaan, indien de opgelegde last (gedeeltelijk) wordt opgeheven. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. De procedures die appellante voert naar aanleiding van het opleggen van de sancties zijn de rechtsingang voor het betwisten van de hoogte van de dwangsom. Het nadien en buiten de genoemde rechtsingang om verzoeken om verlaging levert geen afzonderlijk besluit op in de zin van de Awb. Er is geen sprake van afzonderlijk rechtsgevolg.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft met haar verzoek van 3 juni 2008 – hoewel dit mogelijk niet met zoveel woorden uit het verzoek blijkt – een matiging van de dwangsommen beoogd. Verweerder heeft dat geweigerd. Het rechtsgevolg is dat appellante in een civiele verzetprocedure geen beroep meer kan doen op matiging. Appellante verwijst in dit verband naar hetgeen in beroep in de procedure AWB 06/739, waarin het College op 27 maart 2007 uitspraak heeft gedaan (LJN: BA3499), werd aangevoerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in dit geschil de vraag te beantwoorden of het bezwaar van appellante tegen verweerders brief van 27 juni 2008 bij het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

5.2 Het College stelt voorop dat op 1 juli 2009 de wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Awb, Stb. 2009, 264) in werking is getreden waardoor hoofdstuk 5 (handhaving) van de Awb is gewijzigd. Ingevolge artikel IV, eerste lid, Vierde tranche Awb blijft echter het recht van toepassing zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, indien het een bestuurlijke sanctie betreft die is opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor dat tijdstip. Het College zal het geschil dan ook beoordelen naar de Awb zoals die gold tot 1 juli 2009.

5.3 Het College is van oordeel dat de brief van appellante van 3 juni 2008 niet kan worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, Awb. Op grond van deze bepaling kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, de last op verzoek van de overtreder opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. Van de in artikel 5:34, eerste lid, Awb geregelde bevoegdheid kan dus slechts gebruik gemaakt worden ingeval van onmogelijkheid voor de overtreder om aan de last te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat zodanig geval hier aan de orde is.

5.4 Naar het oordeel van het College strekt de brief van appellante van 3 juni 2008, gelet op de redactie daarvan, ertoe een schikkingsvoorstel te doen. Het voorstel heeft betrekking op reeds verbeurde dwangsommen. Appellante noemt in haar brief geen concrete last, maar spreekt over ‘verschillende procedures die nog lopen over oude overtredingen’, zij doet een ‘bod’ en noemt haar voorstel een ‘redelijk voorstel’.

Op grond van artikel 5:33 (oud) Awb komen verbeurde dwangsommen toe aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort dat de dwangsommen heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan kon het verschuldigde bedrag bij dwangbevel invorderen. Tegen de invordering van verbeurde dwangsommen bij dwangbevel stond geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open, doch kon slechts verzet worden ingesteld bij de civiele rechter. Naar het oordeel van het College dient het rechtskarakter van de beslissing van verweerder op het schikkingsvoorstel van appellante te worden gezien tegen de achtergrond van deze civielrechtelijke rechtsingang en kan daarin om die reden geen publiekrechtelijke rechtshandeling worden gezien.

Wat betreft de stelling van appellante dat de afwijzing van het voorstel van appellante publiekrechtelijk rechtsgevolg teweeg brengt omdat appellante in een verzetprocedure tegen de invordering geen beroep meer zou kunnen doen op matiging, overweegt het College dat – wat er van de juistheid van deze stelling zij – daarin geen grond kan worden gevonden van een rechtshandeling naar publiek recht te spreken.

5.5 Het College concludeert op grond van het vorenstaande dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat zijn brief van 27 juni 2008 geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, en hij het bezwaar van appellante daartegen terecht om die reden niet ontvankelijk heeft verklaard.

5.6 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling op basis van artikel 8:75 Awb bestaan geen termen.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. Van Duuren, mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. A. Graefe