Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BK7290

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
AWB 09/799
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/799 19 november 2009

27652 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Uitspraak in de zaak van:

A Beheer B.V., te B, appellante,

gemachtigde: C, werkzaam bij Energie Management en Milieu Advies,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. C. Cromheecke en mr. M. Reuvekamp, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 juni 2009, bij het College binnengekomen op 3 juni 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 mei 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de weigering tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ongegrond verklaard.

Bij brief van 30 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 27 augustus 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en D, eveneens werkzaam bij Energie Management en Milieu Advies. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“ Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoeld verklaring en

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.

(…)”

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Stcrt 2000, 249, zoals gewijzigd per 25 december 2005, Stcrt. 2005, 250, hierna: Uitvoeringsregeling 2001) waarin onder meer is bepaald:

“ Artikel 2

1. Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits:

a. het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen;

(…).”

In bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling 2001, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, (hierna: Energielijst 2006) is onder andere het volgende bepaald:

“ Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door:

(…)

4. Efficiënte verlichting door:

4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

(…)

4.2.F. Energie-efficiënt verlichtingssysteem voor:

a. vervanging van bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: spiegeloptiekarmaturen in combinatie met hoogfrequent elektronisch voorschakelapparaat en fluorescentielampen, (eventueel) regelinstallatie voor het regelen van de verlichting afhankelijk van de daglichtintensiteit, (eventueel) automatische aanwezigheidsdetectie, (eventueel) reagerend op veegpulsen, of

b. vervanging van bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen (met uitzondering van tuinbouwkassen), en bestaande uit:

spiegeloptiekarmaturen die uitsluitend geschikt zijn voor compact fluorescentielampen of hogedruk gasontladingslampen, elektronisch voorschakelapparaat, bijbehorende lampen, (eventueel) automatische aanwezigheidsdetectie.

(…).

Artikel 2

1. a. Bij de investeringen voor de technische voorzieningen als omschreven in artikel 1 dient de energiebesparing voor de investeringen onder: (…) A.4.2.A. (…) ten minste 0,4 Nm³ aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen, maar niet meer dan 4 Nm³ aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro; (…).

2. Als referentie voor de berekening van de energiebesparing dient bij bestaande bouwwerken, bestaande processen en bestaande transportmiddelen het historisch energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bouwwerken en nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.

(…)

7. Voor investeringen, die naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader omschreven investering, zijn de eisen die worden gesteld aan zo’n nader omschreven investering eveneens van toepassing.

Dit geldt voor:

(…); A.4.2.B tot en met A.4.2.F;

(…).”

De door SenterNovem uitgegeven brochure Energielijst 2006 (hierna ook wel: brochure 2006) luidt, voor zover hier van belang:

“ Overzicht energie-investeringen 2006

(…)

410000 [W]

Technische voorzieningen voor energiebesparing in nieuwe bouwwerken (…)

210501 [W]

Energie-efficiënt verlichtingssysteem

a. Bestemd voor: vervanging van bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: (…), of

b. Bestemd voor: vervanging van bestaande binnenverlichting in bedrijfsgebouwen (…), en bestaande uit: (…).

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij hiertoe bestemd formulier, door de Belastingdienst ontvangen op 22 december 2006, heeft appellante in het kader van de Uitvoeringsregeling 2001 een investering in HF-verlichting (code 210501 volgens de brochure 2006) ten behoeve van te plegen nieuwbouw gemeld.

- Bij brief van 4 mei 2007 heeft verweerder appellante verzocht om nadere gegevens te verstrekken over het bedrijfsmiddel.

- Op 30 mei 2007 heeft appellante hierop gereageerd.

- Bij brief van 26 juni 2007 heeft appellante verweerder verzocht de gemelde investering te beoordelen onder code 410000 van de brochure 2006. Deze code heeft betrekking op technische voorzieningen voor energiebesparing in nieuwe gebouwen.

- Verweerder heeft appellante bij brief van 29 juni 2007 verzocht aan te tonen dat de investering voldoet aan de besparingsnorm en daartoe appellante verzocht de gestelde vragen te beantwoorden.

- Op 10 september 2007 heeft appellante hierop gereageerd.

- Bij brief van 6 maart 2008 heeft verweerder appellante verzocht om een onderbouwde berekening van het jaarlijkse energiegebruik van het bedrijfsmiddel dat zij als referentie hanteert te overleggen, alsmede een onderbouwde berekening van de jaarlijkse energiebesparing ten opzichte van de referentie-investering.

- Bij brief van 17 april 2008 heeft appellante hierop gereageerd.

- Bij brief van 18 juli 2008 heeft verweerder wederom om onderbouwde berekeningen verzocht.

- Appellante heeft hierop bij brief van 29 september 2008 gereageerd.

- Bij besluit van 11 maart 2009 heeft verweerder de gevraagde energieverklaring geweigerd, omdat met de investering niet is voldaan aan de generieke besparingsnorm van minimaal 0,4 Nm³ aardgas per jaar per geïnvesteerde euro. Verweerder is daarbij uitgegaan van de gerealiseerde installatie, omdat appellante niet heeft voldaan aan verweerders verzoek om de referentiesituatie te onderbouwen aan de hand van een oorspronkelijk bestek of ontwerp.

- Bij brief van 17 april 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 12 mei 2009 heeft een hoorzitting plaatsgehad.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering om aan appellante een verklaring ter verkrijging van Energie-investeringsaftrek (EIA) toe te kennen gehandhaafd omdat appellante de door haar gekozen referentie niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Om in aanmerking te komen voor EIA is het van belang dat de besparingsnorm wordt gehaald. Als referentie geldt daarbij het in de branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke technische voorzieningen voor vergelijkbare nieuwe bouwwerken. Appellante heeft naar de mening van verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door verweerder berekende energiebesparing van de investering dient te worden herzien op basis van de referentiewaarden als vastgelegd in het geldende Bouwbesluit.

4. Het standpunt van appellante

Appellante meent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat een investering in HF verlichting alleen kan worden gemeld onder code 210501 en stelt dat HF verlichting in een nieuwbouwsituatie niet anders kan worden gemeld dan onder code 410000.

Appellante stelt voorts dat verweerder in een nieuwbouwsituatie voor de term ‘bestaande situatie’ ook dient te verstaan ‘oorspronkelijk ontwerp’. Nu nieuwbouw dient te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit, zou dat Bouwbesluit volgens appellante als referentie moeten dienen om te bepalen of vernieuwende bouwmethodieken die energiezuinig zijn, voldoen aan de te berekenen besparingsnormen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Beoordeeld dient te worden of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn weigering appellante de door haar gevraagde energieverklaring te verlenen, heeft gehandhaafd. In dit verband overweegt het College het volgende.

5.2 Appellante heeft een investering in HF-verlichting voor een nieuwbouwpand gemeld onder code 410000 van de brochure 2006. Deze code is van toepassing voor technische voorzieningen voor energiebesparing in nieuwe bouwwerken. Een dergelijke investering kan in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek indien wordt voldaan aan een vastgestelde energiebesparingsnorm. Volgens het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Energielijst 2006 dient de energiebesparing voor investeringen als de onderhavige ten minste 0,4 Nm³, maar niet meer dan 4 Nm³ aardgasequivalent per jaar per geïnvesteerde euro te bedragen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel dient als referentie bij nieuwe bouwwerken het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij (soortgelijke) nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen.

5.3 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het Bouwbesluit als referentie gebruikt zou moeten worden, nu ten minste conform de in dat besluit gestelde eisen gebouwd dient te worden.

Naar het oordeel van het College valt niet in te zien dat verweerder gehouden was het Bouwbesluit als referentie te hanteren bij besparingsberekeningen als hier aan de orde. Hoewel appellante daartoe meermaals in de gelegenheid is gesteld, heeft zij immers niet inzichtelijk gemaakt dat de ter zake in het Bouwbesluit gestelde eisen leiden tot een energiegebruik dat gemiddeld gangbaar is in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Energielijst 2006. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat het Bouwbesluit eisen stelt ten aanzien van de energiezuinigheid van gebouwen, uitgedrukt in een zogenaamde energieprestatiecoëfficiënt. Dit betreft een algemene norm, terwijl het Bouwbesluit op het gebied van energiebesparing daarnaast geen specifieke normen kent voor bijvoorbeeld HF verlichting. De in het Bouwbesluit gestelde eisen kunnen derhalve niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, als referentie dienen bij de bepaling van de in het kader van de energie-investeringsaftrek te berekenen energiebesparing.

5.4 Eerst ter zitting heeft appellante aangevoerd dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt welk gebruik gemiddeld gangbaar is en er op gewezen dat dit nergens is gedefinieerd of omschreven. Nu appellante hieromtrent in bezwaar niets heeft aangevoerd, is het College van oordeel dat verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hieromtrent niets in het bestreden besluit is opgenomen. Het College ziet voorts niet in dat verweerder gehouden zou zijn ter zake algemene normen te formuleren, nog daargelaten of het niet geformuleerd zijn daarvan zou behoren te leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

5.5 Uit de stukken is duidelijk dat verweerder in zijn energiebesparingsberekening de besparing van conventionele verlichting als referentie heeft genomen. Het College is niet gebleken dat de toepassing van conventionele verlichting niet als gemiddeld gangbaar gebruik kan worden aangemerkt, terwijl bovendien -zoals verweerder ter zitting onbestreden uiteen heeft gezet- aannemelijk is dat appellante door het uitvoeren van een besparingsberekening niet is benadeeld.

Dat het gebruik van HF-verlichting in plaats van conventionele verlichting een besparing van 20% oplevert, zoals verweerder stelt, is door appellante niet beargumenteerd bestreden. De energiebesparingsberekening zoals verweerder die in het besluit in eerste aanleg heeft weergegeven en in bezwaar heeft gehandhaafd, kan derhalve in stand blijven. Nu uit deze berekening blijkt dat niet is voldaan aan de gestelde besparingsnorm is het College van oordeel dat verweerder de gevraagde energieverklaring terecht heeft geweigerd en deze weigering bij het bestreden besluit op goede gronden heeft gehandhaafd.

5.6 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

5.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. R. Hollestelle als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2009.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. R. Hollestelle