Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BK6817

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006, aanvraag bedrijfstoeslag 2007, geen kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/518 14 december 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. M. Star, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 9 juli 2008, bij het College binnengekomen op 15 juli 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 2 april 2008, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2007 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 4 augustus 2008 heeft appellante aanvullende stukken ter ondersteuning van haar beroep overgelegd.

Bij brief van 12 augustus 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 20 augustus 2008 heeft verweerder een aanvulling gegeven op zijn verweerschrift.

Op 25 september 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante A, bijgestaan door J.Bouwes, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreeerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in waarin, voorzover van toepassing, worden vermeld:

- alle percelen landbouwgrond van het bedrijf,

(…)

- het aantal en het bedrag van de toeslagrechten,

- alle andere bij deze verordening of door de betrokken lidstaat voorgeschreven gegevens.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

11. „verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen (…)

Artikel 19

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.

Artikel 21

Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.

(…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)”

Artikel 55 van de Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen, maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 9 mei 2007 het door haar digitaal ingevulde formulier Gecombineerde opgave 2007 (hierna: de Gecombineerde opgave) bij verweerder ingediend. Op het formulier heeft zij aangegeven dat zij haar toeslagrechten wenst te gebruiken. Op het bij de Gecombineerde opgave behorende overzicht gewaspercelen heeft zij drie percelen maïs en 16 percelen grasland met een totale oppervlakte van 50.29 ha opgegeven. Achter alle percelen, met uitzondering van het grasperceel 17 van 7.50 ha, heeft zij aangegeven dat zij deze voor uitbetaling van haar gewone toeslagrechten wenst te gebruiken.

- Bij besluit van 2 april 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante vastgesteld op € 25.688,12 exclusief de modulatiekorting. Daarbij is uitgegaan van een goedgekeurde oppervlakte van 42.79 ha.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 april 2008 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft zij vermeld het perceel 17 van 7.50 ha per abuis niet te hebben opgegeven voor uitbetaling van haar rechten. Zij heeft verzocht dit perceel daarvoor alsnog in aanmerking te brengen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante (kennelijk) ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Appellante heeft in haar bezwaarschrift van 4 april 2008 verzocht perceel 17 van 7.50 ha alsnog voor uitbetaling van haar toeslagrechten in aanmerking te brengen.

Dit verzoek tot wijziging van de Gecombineerde opgave is ingediend na het verstrijken van de indieningstermijn voor de Gecombineerde opgave op 15 mei 2007 en ook na ommekomst van de kortingsperiode die op 11 juni 2007 eindigde. Na sluiting van de aanvraagperiode is het niet meer mogelijk de aanvraag te wijzigen, tenzij sprake is van een kennelijke fout of overmacht. Van een kennelijke fout is hier echter geen sprake.

De aanvraag is immers objectief bezien niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld. Het staat de landbouwer vrij om percelen al dan niet op te geven voor benutting van toeslagrechten. Het is niet de taak van verweerder om te treden in de motieven die een aanvrager kan hebben om percelen al dan niet op te geven en te beoordelen of, door de aanvraag anders in te vullen, meer bedrijfstoeslag zou kunnen worden verkregen.

Omtrent de aanwezigheid van overmacht of bijzondere omstandigheden is niets gesteld. Daarvan is evenmin gebleken.

4. Het standpunt van appellante

Appellante meent dat het niet opgeven van perceel 17 berust op een kennelijke fout. Het is immers niet logisch om uitgerekend het grootste perceel niet op te geven en zo rond €1764,94 aan toeslag mis te lopen.

In eerste instantie heeft appellante een papieren versie van de Gecombineerde opgave ingevuld. Daarin was wel een “G” geplaatst achter perceel 17. Slechts omdat verweerder de landbouwers verzoekt het formulier digitaal in te vullen heeft appellante besloten de Gecombineerde opgave digitaal te versturen. In die digitale versie is dus per ongeluk vergeten bij perceel 17 een “G” te plaatsen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellante heeft op 9 mei 2007 bij verweerder een verzamelaanvraag ingediend. Op het daarbij behorende Overzicht gewaspercelen heeft zij 19 percelen met een totale oppervlakte van 50.29 ha opgegeven. Op de verzamelaanvraag heeft appellante opgegeven dat zij haar gewone toeslagrechten wil laten uitbetalen. Op het Overzicht Gewaspercelen heeft zij bij één perceel, nr. 17, niet opgegeven dat zij dat wil gebruiken voor dit doel en bij de andere 18 percelen wel. Deze 18 percelen beslaan een oppervlakte van 42.79 hectare, zodat daarop 42,79 toeslagrechten kunnen worden uitbetaald. Voor appellante is naar aanleiding van de verzamelaanvraag een bedrag van € 25.688,12 (exclusief modulatiekorting) aan bedrijfstoeslag vastgesteld. Appellante beschikte per 15 mei 2007 over 45,73 gewone toeslagrechten met een gezamenlijke waarde van € 27.453,09, zijnde € 600,33 per recht.

5.2 Het College stelt voorop, dat toeslagrechten niet kunnen worden uitbetaald als niet met gebruikmaking van de verzamelaanvraag duidelijk gemaakt wordt op welke percelen ze gerealiseerd moeten worden.

Toen appellante in haar bezwaarschrift het verzoek deed de aangifte te mogen wijzigen, zou, gelet op het moment waarop dit verzoek gedaan werd, alleen de mogelijkheid bestaan om het te honoreren als in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 sprake was van een kennelijke fout, die door de bevoegde autoriteit werd erkend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes verzoek om zodanige erkenning afgewezen.

5.3 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerder jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

5.4 Ter beantwoording ligt de vraag voor of de aanvraag van appellante, die over 45,73 toeslagrechten beschikt, geacht kan worden een kennelijke fout te bevatten als zij voor 42,79 toeslagrechten om uitbetaling vraagt en in haar aanvraag verzuimt het steunwaardig perceel 17 van 7.5 ha voor uitbetaling op te geven.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven, omdat een perceel gedurende een periode van tien maanden voor de landbouw ter beschikking moet staan. Ook kunnen er zich misschien incidenteel nog wel andere gronden voordoen om percelen niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

5.5 In de situatie van appellante is er naar het oordeel van het College geen reden een kennelijke fout aan te nemen.

Appellante heeft voor een groot deel van de ter beschikking staande toeslagrechten (42,79 van de 45,73) en hectaren (42.79 van 50.29) gebruik gemaakt. Hiermee heeft zij € 25.688,12 van de totaalwaarde van de toeslagrechten van € 27.453,09 benut. Het verschil tussen hetgeen appellante aanvraagt en hetgeen zij maximaal kan aanvragen is daarmee niet zo groot dat het bij een summier onderzoek direct in het oog moet vallen.

Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag, in de zin van het werkdocument als niet samenhangend aan te merken. Er is dus onvoldoende grond om aan te nemen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave bevat van hetgeen appellante beoogde aan te vragen.

5.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2009.

w.g. M. Munsterman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas