Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BK6809

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/961
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006, aanvraag bedrijfstoeslag 2007, uitbetaling gewone toeslagrechten wèl en die van speciale toeslagrechten niet gevraagd, geen kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/961 14 december 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Veehandel A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. E. Bootsma en mr. D. Ozdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 27 november 2008, bij het College binnengekomen op 28 november 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 november 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 28 juni 2008, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2007 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 5 februari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 22 april 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij A, vergezeld van C is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 25 april 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor 2007 vastgesteld op € 847,40. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij met het plaatsen van een kruisje ten teken dat hij uitbetaling van zijn gewone toeslagrechten wenste voor al zijn toeslagrechten uitbetaling zou krijgen. Hij heeft zich niet gerealiseerd dat hij ook nog over toeslagrechten met speciale voorwaarden (hierna: speciale toeslagrechten) beschikte. Dat dit blijkt uit het door verweerder toegezonden overzicht toeslagrechten van 5 december 2007 was hem ten tijde van het invullen van de Gecombineerde opgave in mei niet bekend.

Appellant acht het verder onbegrijpelijk dat verweerder hem niet tijdig heeft gewezen op het feit dat hij had nagelaten uitbetaling van zijn speciale toeslagrechten te vragen. Het is immers volstrekt onbegrijpelijk dat een landbouwer, die aan alle voorwaarden voor uitbetaling voldoet, voor het overgrote deel van zijn toeslagrechten geen uitbetaling zou wensen. Het ontgaat appellant dat hem verweten wordt zijn aanvraag niet tijdig te hebben gewijzigd. Hoe kan hij immers weten dat zijn aanvraag een fout bevat als niemand hem daarop wijst?

2.3 Volgens verweerder heeft appellant slecht om uitbetaling van zijn gewone toeslagrechten gevraagd en niet om uitbetaling van zijn speciale toeslagrechten. Pas in bezwaar heeft appellant verzocht zijn aanvraag te wijzigen, in die zin dat ook de uitbetaling van speciale toeslagrechten wordt gevraagd. Dat is na 11 juni 2007 en dus te laat. Van een kennelijke fout is geen sprake, omdat bij de beoordeling van de aanvraag geen tegenstrijdigheid is gebleken. Naar de mening van verweerder behoort het niet tot zijn taak om zich bij de beoordeling van de aanvraag te verdiepen in de motieven van de aanvrager om zijn toeslagrechten al dan niet geheel uit te laten betalen.

2.4 Het College stelt vast dat appellant met de Gecombineerde opgave, zoals die door verweerder op 14 mei 2007 is ontvangen, heeft verzocht om uitbetaling van zijn gewone toeslagrechten.

Voorzover appellant zich beroept op het bestaan van een kennelijke fout in de aanvraag om uitbetaling – in die zin dat duidelijk moet zijn geweest dat hij wel de uitbetaling van zijn speciale toeslagrechten wilde vragen – overweegt het College het volgende.

2.4.1 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerder jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

2.4.2 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.4.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellante, die over 5 gewone toeslagrechten met een waarde van € 892,= en over 2 speciale toeslagrechten met een waarde van € 6932,52 beschikt, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als hij slechts voor de gewone toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, in elk geval naar het recht zoals dat in 2007 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven, omdat een perceel gedurende een periode van tien maanden voor de landbouw ter beschikking moet staan. Ook kunnen er zich misschien incidenteel nog wel andere gronden voordoen om percelen niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.4.4 Het College is van oordeel dat er in het geval van appellant geen reden is een kennelijke fout aan te nemen en overweegt hiertoe het volgende.

Appellant heeft in de Gecombineerde opgave 2007 opgegeven zijn gewone toeslagrechten te willen laten uitbetalen. Appellant heeft in de Gecombineerde opgave niet verzocht om ook zijn speciale toeslagrechten te laten uitbetalen; bij de vragen in de Gecombineerde opgave die zien op de uitbetaling van toeslagrechten onder speciale voorwaarden heeft appellant immers niets aangekruist.

Het enkele feit dat appellant in het Overzicht Gewaspercelen meer percelen heeft aangekruist dan nodig zijn voor het laten uitbetalen van de aan hem toegekende gewone toeslagrechten, leidt naar het oordeel van het College niet tot de conclusie dat de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het Werkdocument als niet samenhangend moeten worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat de Gecombineerde opgave geen enkele aanwijzing bevat dat appellant zijn speciale toeslagrechten (onder grond) heeft willen laten uitbetalen.

Er is dus onvoldoende grond om aan te nemen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave bevat van hetgeen appellant beoogde aan te vragen.

2.5 Dat appellant zich niet heeft gerealiseerd dat het totale aantal toeslagrechten dat hij bezit bestond uit gewone én speciale toeslagrechten en hij dus de uitbetaling van de speciale toeslagrechten apart had moeten verzoeken, komt voor zijn risico en kan niet worden afgewenteld op verweerder.

Dat appellant met de uitbetaling van alleen zijn gewone toeslagrechten een groot bedrag aan inkomsten mis zou lopen, kan appellant evenmin baten. Naar vaste jurisprudentie is het niet aan verweerder om in de motieven te treden van een aanvrager om een perceel wel of niet voor subsidie in aanmerking te brengen.

Voorzover appellant wenst te betogen dat het verweerder moet zijn opgevallen dat hij mogelijk meer steun had kunnen aanvragen dan hij deed en dat verweerder appellant hierop had moeten wijzen, merkt het College op dat er geen verplichting voor verweerder bestaat om een aanvrager hierop te attenderen.

2.6 Ook de stelling dat appellant meende dat het plaatsen van een kruisje bij de vraag of hij zijn gewone toeslagrechten uitbetaald wenste te krijgen voldoende was voor uitbetaling van alle toeslagrechten, dient voor zijn risico te komen. Uit de vraagstelling op het formulier volgt naar het oordeel van het College voldoende duidelijk dat naast de uitbetaling van gewone toeslagrechten - indien gewenst - de uitbetaling van speciale toeslagrechten apart moet worden aangevraagd in het formulier.

2.7 Het College komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2009.

w.g. M. Munsterman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas