Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BK3469

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/552
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/552 4 november 2009

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de burgemeester van B, verweerder,

gemachtigde: C, werkzaam bij de gemeente B.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 9 april 2009, bij de rechtbank Rotterdam binnengekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 februari 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering appellant een vergunning op grond van de Wet op de Kansspelen (hierna: de Wet) te verlenen voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in zijn grillroom.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroepschrift bij brief van 14 april 2009 doorgestuurd naar het College.

Bij brief van 27 mei 2009 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 20 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 21 oktober 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet is onder meer bepaald:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

(…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…).

Artikel 30e

1. De vergunning wordt geweigerd indien:

a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde. (…)."

In de Drank- en Horecawet is onder meer bepaald:

" Artikel 1

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…).

Artikel 3

Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert een horeca-inrichting onder de naam "D" aan de E te F.

- Op 3 oktober 2006 heeft appellant bij verweerder een aanvraagformulier ingediend voor een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in zijn inrichting (hierna: aanwezigheidsvergunning).

- Bij brief van 28 december 2006 heeft verweerder appellant verzocht om zijn aanvraag nader toe te lichten.

- Op 22 januari 2008 heeft verweerder met appellant een gesprek gevoerd over de verlening van een exploitatievergunning voor de horeca-inrichting. In het verslag van dit gesprek staat dat daarin tevens aan de orde is geweest het voornemen van verweerder om de door appellant aangevraagde aanwezigheidsvergunning te weigeren.

- Bij besluit van 28 mei 2008 heeft verweerder de aanwezigheidsvergunning geweigerd.

- Bij brief van 8 juli 2008 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 27 november 2008 heeft in het kader van de behandeling van het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden voor de bezwaarschriftencommissie van de gemeente B (hierna: de commissie).

- Op 29 januari 2009 heeft de commissie aan verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard. In het advies wordt, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.

De inrichting van appellant dient te worden aangemerkt als een laagdrempelige inrichting, zodat daarvoor, gelet op het bepaalde in artikel 30c, tweede lid, onder a van de Wet, geen aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten kan worden verleend.

Voor de horeca-inrichting is geen vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet, zodat deze valt onder de definitie van laagdrempelige inrichting. Daarnaast kan de horeca-inrichting niet worden aangemerkt als een restaurant, omdat deze merendeels is gericht op het verstrekken van afzonderlijke gerechten die niet als driecomponenten¬maaltijden kunnen worden aangemerkt, zoals broodjes en (kleine) gerechten en schotels.

De stelling dat in 2001 een toezegging is gedaan dat een aanwezigheidsvergunning zou worden verleend als bouwkundig het een en ander zou worden aangepast, blijkt niet uit de stukken en is door appellant niet onderbouwd.

De commissie kent geen betekenis toe aan de bewering dat horecabedrijf F ook niet aan de eisen voldoet, maar wel kansspelautomaten aanwezig heeft. De burgemeester is niet bevoegd om een met de wet strijdige vergunning te verlenen. Daarnaast vertrouwt de commissie erop dat, mocht de zojuist genoemde bewering juist zijn, verweerder corrigerend zal optreden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

In het bestreden besluit is ten onrechte gesteld dat sprake is van een laagdrempelige inrichting, omdat appellant hoofdzakelijk afzonderlijke gerechten serveert. Dit geeft een onjuiste voorstelling van zaken. De grillroom van appellant is in feite een petit restaurant, waar driecomponentenmaaltijden, bestaande uit vis, vlees, koude groenten en salades worden geserveerd. Appellant is ook bezig met het opstellen van een nieuwe menukaart. De grillroom is derhalve hoogdrempelig.

Appellant is in verband met de wijziging van de Wet in 2000 met verweerder in overleg getreden over de vraag wat hij moest doen om de in zijn grillroom aanwezige kansspelautomaten te behouden. In 2001 is door een medewerker van de gemeente B de toezegging gedaan dat als appellant bepaalde wijzigingen zou aanbrengen met betrekking tot een afhaalgedeelte, gescheiden sanitaire voorzieningen en een nooduitgang, hij voor een aanwezigheidsvergunning in aanmerking zou komen. In het gerechtvaardigd vertrouwen dat deze toezegging zou worden nagekomen, heeft appellant de wijzigingen uitgevoerd. Dit gerechtvaardigd vertrouwen dient te worden gehonoreerd. De kansspelautomaten zijn echter niet geplaatst.

Het bestreden besluit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de commissie geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat horecagelegenheid F wel kansspelautomaten heeft, en daarnaar ook geen nader onderzoek heeft verricht.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vast staat dat appellant, zoals hij ter zitting heeft erkend, niet over een Drank- en Horecawetvergunning beschikt.

Nu het bezit van een Drank- en Horecawetvergunning een eerste vereiste is om in aanmerking te komen voor een vergunning voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten, dient de opvatting van appellant dat sprake is van een hoogdrempelige inrichting reeds hierom te worden verworpen.

5.2 Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen, nu verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de voor restaurant/grillroom F aangevraagde aanwezigheidsvergunning inmiddels is geweigerd en in die horecagelegenheid thans geen kansspelautomaten (meer) staan. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is derhalve geen sprake.

5.3 Het College ziet evenmin grond voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van appellant in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Niet is komen vast te staan dat door een daartoe bevoegde ambtenaar namens verweerder een concrete toezegging is gedaan waaraan appellant het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de door hem aangevraagde aanwezigheidsvergunning zou worden verleend.

5.4 Voor de volledigheid merkt het College op dat in deze procedure niet ter discussie staat of de aanvraag van appellant om een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet zou moeten worden ingewilligd. De beslissing daarover wordt genomen door het college van burgemeester en wethouders van B in een afzonderlijke procedure.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. O.C. Bos