Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BK1202

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
AWB 07/655
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/655 3 september 2009

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. N.J.H. Klomp en R. Weltevreden, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 30 augustus 2007, bij het College binnengekomen op 31 augustus 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 augustus 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder, als gevolg van de uitspraak van het College van 22 december 2006 (AWB 04/1051, www.rechtspraak.nl, LJN AZ5865) en voor zover thans van belang, opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag om het extensiveringsbedrag op grond van de Regeling dierlijke EG premies (hierna: de Regeling) over het jaar 2002.

Bij brief van 2 november 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 20 augustus 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Voor appellante zijn A en B verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 13

1. Producenten die de speciale premie en/of de zoogkoeienpremie ontvangen, komen in aanmerking voor een extensiveringsbedrag.

2. Het extensiveringsbedrag bedraagt 100 EUR per toegekende speciale premie of zoogkoeienpremie, mits de verbetering van het betrokken bedrijf voor het kalenderjaar in kwestie minder bedraagt dan of gelijk is aan 1,4 GVE per hectare.

De lidstaten kunnen echter besluiten het extensiveringsbedrag als volgt toe te kennen:

(…)

b) voor het kalenderjaar 2002 en de daaropvolgende kalenderjaren: 40 EUR voor een veebezetting van 1,4 GVE/ha of meer en gelijk aan of minder dan 1,8 GVE/ha, en 80 EUR voor een veebezetting van minder dan 1,4 GVE/ha.

3. Voor de toepassing van lid 2:

(…)

c) het voederareaal dat gebruikt wordt voor de berekening van het veebezettingsgetal, bestaat ten minste voor 50 % uit grasland. "Grasland" wordt gedefinieerd door de lidstaten. (…) ”

De Regeling luidde, voor zover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

cc. grasland: weidegrond welke voor ten minste 50% uit grassen bestaat en welke bestemd is voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren;

(…)

Artikel 4.2a

1. Om voor het extensiveringsbedrag in aanmerking te komen, vraagt de producent zulks aan in zijn aanvraag oppervlakten.

(…)

3. Met ingang van het kalenderjaar 2002 komt slechts in aanmerking voor het extensiveringsbedrag de producent die op zijn bedrijf blijkens het I&R-systeem rund een veebezetting aanhoudt die:

a. kleiner is dan 1,4 GVE per hectare, dan wel

b. gelijk is of groter is dan 1,4 GVE per hectare, doch niet meer dan 1,8 GVE per hectare. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voor zover thans van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij de Gecombineerde opgave 2002 heeft appellante een oppervlakte van 130.67 ha aan voederareaal opgegeven, waarvan 25.28 ha onder de gewascode 266 (tijdelijk grasland) en 105.39 ha onder de gewascode 866 (natuurterrein, overige). Voorts heeft appellante op dit formulier aangegeven dat zij in aanmerking wenst te komen voor het extensiveringsbedrag.

- Bij besluit van 11 juni 2003, verzonden op 2 juli 2003, heeft verweerder de aanvraag om het extensiveringsbedrag afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 augustus 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 22 december 2006 heeft het College appellantes beroep, voor zover dit betrekking had op het extensiveringsbedrag, gegrond verklaard en het besluit van 28 oktober 2004 ter zake wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het thans bestreden besluit van 1 augustus 2007 heeft verweerder appellantes bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om het extensiveringsbedrag opnieuw ongegrond verklaard. Hierbij is, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Uit de gegevens uit het I&R-systeem rund blijkt dat in 2002 in totaal 270 runderen op appellantes bedrijf zijn gehouden. Het totaal aantal GVE is berekend op 201,6.

De op het bedrijf aangevraagde en geconstateerde oppervlakte extensiveringsareaal (op basis van 50% grasland) bedraagt in 2002 50.56 ha en is als volgt berekend. Appellante heeft als grasland 25.28 ha opgegeven. Gezien het feit dat het extensiveringsareaal, gelet op artikel 13, derde lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 1254/1999, voor 50% uit grasland dient te bestaan, is het extensiveringsareaal 50.56 ha. De conclusie is dat de gemiddelde veebezetting van appellantes bedrijf op basis van het geconstateerde extensiveringsareaal groter is dan 1,8 GVE per hectare, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 13, tweede lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 om voor het extensiveringsbedrag in aanmerking te komen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende aan.

Zij heeft in 2002 25.28 ha grasland en 105.39 ha natuurterrein opgegeven als voederareaal ten behoeve van het extensiveringsbedrag. Volgens de Europese definitie van voederareaal moet dit areaal voor ten minste 50% bedekt zijn met grassen. Het grasland en het natuurterrein voldoen aan dit criterium, zodat het totale voederareaal 130.67 ha bedraagt en zij in aanmerking komt voor het extensiveringsbedrag. Bovendien zijn de 105.39 ha in andere jaren wel meegeteld door verweerder.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder in het bestreden besluit terecht en op goede gronden zijn besluit tot afwijzing van appellantes aanvraag om het extensiveringsbedrag voor 2002 heeft gehandhaafd.

5.2 In artikel 13, derde lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het voederareaal dat gebruikt wordt voor de berekening van het veebezettingsgetal ten minste voor 50 % uit grasland bestaat en dat "grasland" wordt gedefinieerd door de lidstaten.

In artikel 1.1, eerste lid, onder cc, van de Regeling is grasland door de lidstaat Nederland gedefinieerd als weidegrond welke voor ten minste 50% uit grassen bestaat en welke bestemd is voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren.

In de brochure Aanvraag oppervlakten 2002, die ter informatie aan elke landbouwer wordt toegestuurd, is bij de voorwaarden voor het verkrijgen van het extensiveringsbedrag de definitie van grasland herhaald. Voorts is vermeld dat natuurterrein voor minder dan 50% uit grassen bestaat en dat natuurterrein (gewascode 866) geen grasland is.

5.3 Vast staat dat appellante in haar Gecombineerde opgave 2002 een oppervlakte van 130.67 ha aan voederareaal heeft opgegeven, waarvan 25.28 ha als grasland (gewascode 266) en 105.39 ha als natuurterrein (gewascode 866).

Omdat natuurterrein (gewascode 866) voor minder dan 50% uit grassen bestaat, is de door appellante opgegeven 105.39 ha natuurterrein terecht niet aangemerkt als grasland in de zin van artikel 1.1, eerste lid, onder cc, van de Regeling.

5.4 Appellantes stelling dat dit natuurterrein in werkelijkheid wel voor ten minste 50 % met grassen was bedekt, kan haar niet baten. Zij heeft de 105.39 ha zelf als natuurterrein opgegeven en heeft niet tijdig om wijziging van haar aanvraag verzocht. Van een kennelijke fout in de aanvraag is evenmin sprake.

Dat de 105.39 ha door verweerder in andere jaren wel als extensiveringsareaal is meegeteld, zoals appellante voorts heeft aangevoerd, kan haar evenmin baten. Verweerder heeft dienaangaande immers onweersproken gesteld dat appellante voor de jaren na 2002 waarin voor deze oppervlakte wel een extensiveringsbedrag is toegekend, gewascode 1564 (natuurlijk grasland, voor 50 – 75 % bedekt met grassen) heeft opgegeven.

5.5 Aangezien het voederareaal dat gebruikt wordt voor de berekening van het veebezettingsgetal ingevolge artikel 13, derde lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 ten minste voor 50 % uit grasland moet bestaan en appellante slechts 25.28 ha heeft opgegeven, kon slechts 50.56 ha van de opgegeven totale oppervlakte voederareaal gebruikt worden voor de berekening van het veebezettingsgetal. Deze oppervlakte resulteert in een veebezettingsgetal van 3,98 GVE per hectare (201,6/50.56). Aldus bestond voor appellante, gelet op artikel 13, tweede lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 juncto artikel 4.2a, derde lid, van de Regeling, geen recht op het extensiveringsbedrag.

5.6 De conclusie is dat verweerder in het bestreden besluit terecht en op goede gronden zijn besluit tot afwijzing van appellantes aanvraag om het extensiveringsbedrag voor 2002 heeft gehandhaafd. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5.7 Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld