Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BK0623

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/158 7 oktober 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: M.C. Haverkamp AA, werkzaam bij Haverkamp/Hendriksen, accountants en belastingadviseurs te Barneveld,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. D.L. Hoogenkamp en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 19 januari 2009, bij het College binnengekomen op 22 januari 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 december 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 22 augustus 2008, waarbij verweerder geweigerd heeft appellant bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) toe te kennen.

Bij brief van 23 januari 2009 heeft appellant aanvullende stukken toegezonden.

Bij brief van 27 maart 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 25 september 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellant, met voorafgaand bericht, niemand is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreeerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in waarin, voorzover van toepassing, worden vermeld:

- alle percelen landbouwgrond van het bedrijf,

(…)

- het aantal en het bedrag van de toeslagrechten,

- alle andere bij deze verordening of door de betrokken lidstaat voorgeschreven gegevens.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

11. „verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen (…);

12. “Oppervlaktegebonden steunregelingen”: de bedrijfstoeslagregeling (…)

Artikel 19

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.

Artikel 21

Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.

(…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)”

Artikel 55 van de Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen (…), maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 14 mei 2007 het formulier “Gecombineerde opgave 2007” (hierna: Gecombineerde opgave) bij verweerder ingediend. Blijkens het formulier kan met de Gecombineerde opgave onder meer de steunaanvraag voor het laten uitbetalen van toeslagrechten voor 2007 worden gedaan. Het formulier bevat in rubriek 3A, dat gaat over de toeslagrechten, na de vraag “Wilt u in 2007 uw toeslagrechten laten uitbetalen?” de zin “Let op: beantwoordt u deze vraag niet dan gaat Dienst Regelingen er vanuit dat uw antwoord op de vraag “Nee” is.” Vervolgens krijgt de landbouwer de mogelijkheid te kiezen tussen “Nee, ga verder met onderdeel 3B” en “Ja, ik wil mijn gewone toeslagrechten (…) laten uitbetalen (…).”.

- Appellant heeft op het formulier bij rubriek 3A “Toeslagrechten” niet het hokje “ja” aangekruist waarmee hij kon aangeven dat hij zijn gewone toeslagrechten wilde laten uitbetalen; evenmin heeft hij het hokje “nee” aangekruist.

- Ook op het Overzicht gewaspercelen 2007, behorend bij de Gecombineerde opgave, heeft appellant niet aangegeven dat hij percelen wenst te benutten voor de uitbetaling van toeslagrechten.

- Bij brief van 10 juni 2008 heeft appellant verweerder meegedeeld dat hem gebleken is dat hij vergeten is een kruisje te zetten bij de vraag of hij zijn toeslagrechten wenst te laten uitbetalen. Appellant heeft verweerder verzocht alsnog tot uitbetaling over te gaan.

- Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft verweerder de aanvraag bedrijfstoeslag 2007 van appellant afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 september 2008 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Appellant heeft met de op 14 mei 2007 ontvangen Gecombineerde opgave geen aanvraag om uitbetaling van toeslagrechten gedaan. Pas bij een op 12 juni 2008 ontvangen brief heeft hij alsnog daarom verzocht.

Ingevolge artikel 55 van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 kon appellant zijn aanvraag voor uitbetaling van de toeslagrechten uiterlijk tot 15 mei 2007 indienen. Het pas op 12 juni 2008 ontvangen verzoek om uitbetaling van de toeslagrechten is na deze datum ontvangen. Het is ook niet ontvangen binnen de kortingstermijn van drie weken genoemd in het hiervoor vermelde artikel 21.

Gelet hierop moest ingevolge artikel 21, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 796/2004 de aanvraag worden afgewezen. Dit zou slechts anders zijn geweest indien er sprake zou zijn geweest van een kennelijke fout in de Gecombineerde opgave. Daarvan is echter geen sprake. Het staat de landbouwer immers vrij al dan niet om uitbetaling van zijn toeslagrechten te vragen. Het behoort niet tot verweerders taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven die een landbouwer kan hebben voor het al dan niet indienen van een dergelijk verzoek om uitbetaling.

Het is de eigen verantwoordelijkheid van de landbouwer om zijn aanvraag juist en tijdig in te vullen. Van hem mag verwacht worden dat hij zich, alvorens de aanvraag in te dienen, op de hoogte stelt van de toepasselijke regelgeving.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan - onder verwijzing naar jurisprudentie van het College - toegevoegd dat met de Gecombineerde opgave, zoals ontvangen op 14 mei 2007, geen aanvraag voor uitbetaling van toeslagrechten is gedaan.

4. Het standpunt van appellant

Appellant meent dat verweerder bij het bestreden te weinig heeft gekeken naar sociale aspecten van de zaak. Appellant, die steeds correct en te goeder trouw heeft gehandeld, acht het onbegrijpelijk dat hij door het niet plaatsen van een kruisje een enorm bedrag aan bedrijfstoeslag misloopt.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat uit de Gecombineerde opgave, zoals ingediend op 14 mei 2007, niet blijkt dat appellant gebruik wil maken van zijn toeslagrechten. Appellant heeft derhalve met het indienen van deze opgave geen steunaanvraag gedaan. Pas met de door verweerder op 12 juni 2008 ontvangen brief, heeft appellant de steunaanvraag gedaan.

Nu ten tijde van de indiening van de aanvraag op 12 juni 2008 sprake was van een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen, dient de aanvraag op grond van artikel 21, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 796/2004 te worden afgewezen.

Het betoog van appellant dat verweerder geen oog heeft gehad voor sociale aspecten heeft het College opgevat als een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betoog slaagt niet.

De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voorzover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Zoals hiervoor is overwogen was verweerder op grond van de toepasselijke Europese regels gehouden de aanvraag af te wijzen nu deze te laat werd ingediend en niet gebleken is dat dit te wijten is aan overmacht.

Het betoog dat appellant in het verleden altijd correct aangifte heeft gedaan en zich aan alle wettelijke eisen inzake de landbouw heeft gehouden, doet hier niet aan af.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor toekenning van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

w.g. M. Munsterman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas