Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ9949

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-09-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
AWB 09/1101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet op het financieel toezicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2009/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 09/1101 25 september 2009

22310 Wet op het financieel toezicht

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:

Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam, (hierna: AFM),

gemachtigden: mr. H.J. Sachse en mr. B. Vos, advocaten te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 24 maart 2009, kenmerk AWB 08/1477 BC-T2, in het geding tussen

A, te Maastricht, verweerder,

en

AFM.

1. De procedure

AFM heeft bij brief van 1 mei 2009 hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 24 maart 2009.

Bij brief van 18 augustus 2009 heeft AFM zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de verplichting om hangende het hoger beroep opnieuw op het bezwaar van verweerder te beslissen, wordt opgeschort.

Bij brief van 9 september 2009 heeft verweerder een reactie ingediend op het verzoek om voorlopige voorziening.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij uitspraak van 24 maart 2009 heeft de rechtbank te Rotterdam, voor zover hier van belang, het besluit van AFM van 22 februari 2008 vernietigd en bepaald dat AFM met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Bij het besluit van 22 februari 2008 heeft AFM ongegrond verklaard het bezwaar van verweerder tegen het besluit van 17 december 2007 strekkende tot gedeeltelijke intrekking van de aan verweerder verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht, omdat – kort gezegd – verweerder zelf niet aantoonbaar over de vereiste vakbekwaamheid beschikt om in consumptief en hypothecair krediet te bemiddelen.

2.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening geen verdere strekking heeft dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat AFM in afwachting van de uitspraak op het door haar ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak.

AFM heeft, samengevat, aangevoerd dat zij als gevolg van de uitspraak van de rechtbank gehouden is te beslissen op 1. het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning, 2. het verzoek om ontheffing, en 3. het verzoek om schadevergoeding. Dit alles vergt volgens AFM onevenredig veel tijd en capaciteit, terwijl zij in hoger beroep het op principiële gronden oneens is met de bestreden uitspraak. Bij opschorting van de verplichting te beslissen wordt verweerder niet in zijn belangen geschaad nu hij inmiddels in het bezit is van een volledige vergunning. Evenals AFM is verweerder gebaat bij opschorting, omdat voor hem pas duidelijkheid zal bestaan nadat het College op het hoger beroep heeft beslist, aldus AFM.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld wel degelijk een gerechtvaardigd belang te hebben om zich te verzetten tegen opschorting. Iedere dag dat hij langer moet wachten is voor verweerder een dag te veel. Deze zaak levert voor hem en zijn gezin spanningen op. Het is niet aan AFM te stellen dat ook verweerder baat zou hebben aan duidelijkheid, aangezien AFM zelf verantwoordelijk is voor de gecreëerde situatie. Met de stelling dat verweerder vanwege de volledige vergunning geen schade ondervindt ziet AFM kennelijk niet in dat door haar toedoen verweerder zijn eigenwaarde heeft verloren.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder centraal stelt dat zo spoedig mogelijk een einde komt aan de onzekerheid en de spanning en frustratie die hij ondervindt als gevolg van onderhavig geding. Dat is een serieus belang, maar daarbij moet worden aangetekend dat, indien AFM opnieuw beslist op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, niet bij voorbaat vaststaat dat dit zal leiden tot het door verweerder gewenste resultaat. Zo is – zoals de rechtbank ter voorlichting van verweerder heeft overwogen – het niet zeker dat AFM positief zal beslissen op het verzoek om ontheffing. Ten aanzien van zijn ondernemingsbelang wordt vastgesteld dat verweerder thans beschikt over een volledige vergunning op grond waarvan hij in consumptief en hypothecair krediet kan bemiddelen. Voor AFM geldt dat zij bij het opnieuw beslissen op het bezwaar inspanningen moet verrichten die bij gegrondverklaring van het hoger beroep door het College nutteloos zouden kunnen blijken. Een en ander volgt uit het wettelijk systeem, zodat hierin op zich geen zwaarwegend belang kan worden gezien. Het is echter duidelijk dat het belang van beide partijen het meest is gediend met een spoedige uitspraak op het hoger beroep. In aanmerking nemende dat het College nog in 2009 het hoger beroep zal kunnen behandelen dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van AFM bij afweging tegen het door verweerder gestelde belang doorslaggevende betekenis te worden toegekend.

2.3 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond is en dat er aanleiding is om met toepassing van artikel 19 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, in samenhang met artikel 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht, uitspraak te doen.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht zijn geen termen aanwezig.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat AFM geen nieuwe beslissing op het bezwaar van verweerder hoeft te nemen voordat het College op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2009.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. S.D.M. Michael