Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ9445

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/963
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/963 2 oktober 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. A. Tymersma, werkzaam bij Accon AVM, Accountants en Adviseurs te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en drs. M. Star, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 1 december 2008, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 november 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 2 april 2008, waarbij verweerder de aan appellant voor het jaar 2007 toe te kennen bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 18 december 2008 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 5 maart 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 3 juni 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreeerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in waarin, voorzover van toepassing, worden vermeld:

- alle percelen landbouwgrond van het bedrijf,

(…)

- het aantal en het bedrag van de toeslagrechten,

- alle andere bij deze verordening of door de betrokken lidstaat voorgeschreven gegevens.

(…)

Artikel 40

Gevallen van onbillijkheid

(…)

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)

Artikel 44

Gebruik van de toeslagrechten

(…)

4. De lidstaten kunnen, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer machtigen om zijn aangifte te wijzigen, mits de aangifte beperkt blijft tot het totale aantal hectaren waarvoor hem toeslagrechten zijn toegekend en de aangifte beantwoordt aan de voorwaarden voor de verlening van de bedrijfstoeslag voor het betrokken areaal.”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

11. „verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen (…);

Artikel 12

Inhoud van de verzamelaanvraag

1. De verzamelaanvraag moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

(…)

c. ten behoeve van de bedrijfstoeslagregeling, de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 bedoelde identificatie- en registratiesysteem, uitgesplitst in braakleggingstoeslagrechten en andere toeslagrechten;

(…)

2. Ten behoeve van de identificatie van de toeslagrechten als bedoeld in lid 1, onder c), van het onderhavige artikel wordt op de overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 van de onderhavige verordening bedoelde identificatie- en registratiesysteem, zulks met een uitsplitsing in braakleggingstoeslagrechten en andere toeslagrechten.

Artikel 19

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.

Artikel 21

Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.

(…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)”

Artikel 55 van de Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen, maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 27 april 2007 het digitaal ingevulde formulier Gecombineerde opgave 2007 (hierna: de Gecombineerde opgave) bij verweerder ingediend.

Op het formulier heeft hij aangegeven dat hij zijn toeslagrechten wenst te laten uitbetalen. Op het bij de Gecombineerde opgave behorende overzicht gewaspercelen heeft hij 18 percelen blijvend grasland en één perceel tijdelijk grasland, met een totale oppervlakte van 28.42 ha opgegeven. Bij de percelen 7 van 0.96 ha en 17 van 1.47 ha heeft hij aangegeven dat hij deze voor uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst te benutten.

- Bij brief van 20 december 2007 heeft verweerder, onder de vermelding dat een definitief besluit nog zal volgen, meegedeeld dat hij appellant een bedrijfstoeslag van € 3671,53 zal uitbetalen.

- Bij een op 31 december 2007 gedateerd overzicht geregistreerde toeslagrechten heeft verweerder appellant meegedeeld dat hij per 15 mei 2007 beschikt over 10,34 toeslagrechten met een totale waarde van € 16445,15.

- Bij brief van 3 januari 2008, door verweerder ontvangen op 7 januari 2008, heeft appellant naar aanleiding van beide genoemde brieven verweerder medegedeeld bezwaar te maken tegen de uitbetaling van de toeslagrechten en gevraagd hem alsnog het verschil tussen de genoemde € 16.445,15 en € 3.671,53 uit te betalen.

- Bij besluit van 2 april 2008 heeft verweerder vervolgens appellants bedrijfstoeslag vastgesteld op € 3.671,53. Daarbij is hij uitgegaan van een aangevraagde en goedgekeurde oppervlakte van 2.43 ha.

- Bij besluit van 15 april 2008 heeft verweerder het bezwaar van 7 januari 2008 van appellant aangemerkt als prematuur bezwaar tegen het besluit van 2 april 2008 en dit bezwaar ongegrond verklaard.

- Namens appellant is bij brief van 6 mei 2008, door verweerder ontvangen op 7 mei 2008, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 april 2008.

- Bij brief van 9 juni 2008 heeft appellant de gronden van het bezwaar ingediend.

- Bij besluit van 19 november 2008 heeft verweerder, na een op 1 augustus 2008 gehouden hoorzitting, dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Verweerder heeft appellant bij brief van 20 december 2007 medegedeeld, dat hij een bedrag van € 3.671,53 aan bedrijfstoeslag zou ontvangen. Kort daarna heeft verweerder dit geld ook aan appellant overgemaakt. Bij de genoemde brief van 20 december 2007 is echter aan appellant medegedeeld, dat hij nog de definitieve beschikking met de berekening van het bedrag zou ontvangen.

Bij brief van 31 december 2007 heeft verweerder appellant ervan op de hoogte gesteld dat hij beschikte over 10,34 toeslagrechten met een totale waarde van € 16.445,15.

In reactie op beide brieven heeft appellant, naar hij in zijn brief van 3 januari 2008 uiteengezet heeft, telefonisch nagevraagd, waarom hem dan niet laatstgenoemd bedrag werd uitbetaald.

Naar aanleiding van de hem daarop gedane mededeling dat hij in de Gecombineerde opgave slechts voor 2.43 ha om verzilvering van zijn toeslagrechten heeft gevraagd, heeft hij verweerder verzocht zijn verzamelaanvraag alsnog te mogen wijzigen.

Verweerder heeft appellant, zoals bij de brief van 20 december 2007 reeds was aangekondigd, bij besluit van 2 april 2008 medegedeeld, dat hij voor uitbetaling van een bedrag aan toeslagrechten van € 3.671,53 in aanmerking kwam. Vervolgens heeft verweerder zonder met appellant contact op te nemen de brief van 3 januari 2008 als een prematuur bezwaarschrift tegen het besluit van 2 april 2008 aangemerkt en dit bij besluit van 15 april 2008 kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij baseerde hij zich er kort gezegd op, dat bij het besluit van 2 april 2008 de aanvraag van 27 april 2007 geheel gehonoreerd was en dat een wijziging van de verzamelaanvraag zoals gevraagd bij de brief van 3 januari 2008 niet mogelijk was.

3.2 Appellants gemachtigde, die van het besluit van 15 april 2008 geen afschrift ontvangen had, heeft op 7 mei 2008 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 2 april 2008. Vervolgens heeft hij op 10 juni 2008 een aanvullend bezwaarschrift ingediend, waarin de gronden van het bezwaar waren opgenomen.

Van de zijde van verweerder is op 4 juli 2008 telefonisch met de gemachtigde contact opgenomen. Bij dit gesprek hebben partijen hun standpunten over appellants recht op uitbetaling van toeslagrechten over het jaar 2007 uitgewisseld, maar is niet gesproken over de verhouding tussen het door verweerder op 15 april 2008 reeds ongegrond verklaarde bezwaarschrift en het nu voorliggende bezwaarschrift.

Ook in de hoorzitting, die op 1 augustus 2008 ter verdere behandeling van het bezwaar gehouden is, is aan die kwestie geen aandacht besteed.

Bij het bestreden besluit van 19 november 2008 heeft verweerder appellants bezwaar van 7 mei 2008 ongegrond verklaard.

3.3 Bij zijn verweer in beroep heeft verweerder het standpunt ingenomen dat zijn besluit op bezwaar van 15 april 2008 tussen partijen rechtens is komen vast te staan, nu daartegen geen beroep bij het College was ingesteld. Derhalve zou aan het bestreden besluit van 19 november 2008 geen rechtsgevolg kunnen toekomen, zodat het daartegen gerichte beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het College zal verweerder in deze benadering niet volgen.

In dit verband stelt het College allereerst vast, dat appellant op 7 mei 2008 bij verweerder bezwaar gemaakt heeft tegen de hoogte van de hem toegekende toeslag.

Uitgaande van het door verweerder in het verweerschrift ingenomen standpunt, dat appellant reeds op 3 januari 2008 bezwaar gemaakt had tegen het besluit van 2 april 2008 en dat daarop op 15 april 2008 reeds beslist was, had verweerder het tegen het besluit van 2 april 2008 wederom ingediende bezwaar, gelet op artikel 6:15 Awb, ter behandeling als beroep aan het College dienen door te zenden. Het College zal het op 7 mei 2008 ingediende bezwaar daarom nu alsnog als zodanig in behandeling nemen.

Ter zake overweegt het College dan, dat in verweerders brief van 20 december 2007 duidelijk is verklaard, dat deze brief niet als een definitief besluit tot vaststelling van de hoogte van de aan appellant toekomende toeslag beschouwd kan worden, aangezien een dergelijk besluit later nog zou volgen. Derhalve kan deze brief slechts opgevat worden als de aankondiging van de betaling van een voorschot, vooruitlopend op de officiële vaststelling van de hoogte van de toeslag. Appellants brief van 3 januari 2008 moet dan worden begrepen als een protest tegen de voor appellant onbegrijpelijk lage en door verweerder niet toegelichte hoogte van het uitbetaalde voorschot. Voor zover de brief bedoeld zou zijn als een bezwaar in de zin van artikel 7:1 Awb tegen een besluit tot vaststelling van de hoogte van de aan appellant toekomende toeslag, had verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren, aangezien appellant uit de brief van 20 december 2007 had kunnen en behoren op te maken dat het besluit dienaangaande nog niet tot stand was gekomen, zodat aan het in artikel 6:10 Awb gestelde vereiste voor acceptatie van een dergelijk prematuur bezwaar, niet voldaan werd.

De conclusie moet dan ook zijn dat het beroep tegen het besluit van 15 april 2008, waarbij het bezwaar ontvankelijk en ongegrond werd verklaard, gegrond is en dat dit besluit wegens strijd met laatstgenoemd artikel voor vernietiging in aanmerking komt. Het College zal alsnog het bezwaar tegen de brief van 20 december 2007 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb niet-ontvankelijk verklaren.

3.4 Het voorgaande brengt mee dat het besluit van 15 april 2008 derhalve niet in de weg kan staan aan behandeling van het nu door appellant ingediende beroep tegen verweerders besluit op bezwaar van 19 november 2008.

3.5 Appellant heeft op 27 april 2007 bij verweerder een verzamelaanvraag ingediend. Op het daarbij behorende Overzicht gewaspercelen heeft hij 28.42 ha bij hem in gebruik zijnde gewaspercelen opgegeven.

Bij vraag 3a van de verzamelaanvraag heeft hij ingevuld, dat hij zijn gewone en zijn braaktoeslagrechten wil laten uitbetalen. Hij heeft bij twee percelen aangegeven, dat hij deze voor dat doel wil inzetten. Deze percelen beslaan samen een oppervlakte van 2.43 ha, zodat daarop 2,43 toeslagrechten kunnen worden uitbetaald. Voor appellant waren op

15 mei 2007 10,34 toeslagrechten geregistreerd met een gezamenlijke waarde van € 16.445,15, zijnde € 1590,44 per recht.

3.6 Het College stelt voorop, dat toeslagrechten niet kunnen worden uitbetaald als niet met gebruikmaking van de verzamelaanvraag duidelijk gemaakt wordt op welke percelen ze gerealiseerd moeten worden.

Appellant heeft voor slechts een klein gedeelte van zijn toeslagrechten een dergelijke aangifte gedaan. Appellant stelt dat dit het gevolg is van een onduidelijke instructie voor het invullen van de elektronische aanvraag. Hij had daaruit begrepen dat hij slechts bij percelen, waarbij ten opzichte van de vorige aanvraag een wijziging werd aangebracht, nog eens uitdrukkelijk op moest geven dat hij deze voor de uitbetaling van toeslagrechten wenste te gebruiken. In andere gevallen zou de aangifte van het vorige jaar blijven staan. Als gevolg van dit misverstand is die vermelding dus slechts bij twee percelen opgenomen. Appellant had, aldus zijn verklaring, zonder meer de bedoeling om al zijn toeslagrechten te laten uitbetalen. Nu dat blijkbaar niet op correcte wijze in het aanvraagformulier is opgenomen, heeft hij, zodra hij daarvan op de hoogte kwam, bij brief van 3 januari 2008 toestemming gevraagd om het aanvraagformulier te mogen aanpassen.

Gelet op het moment waarop dit verzoek gedaan werd, zou alleen de mogelijkheid bestaan om het te honoreren als in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 sprake was van een kennelijke fout, die door de bevoegde autoriteit werd erkend. Bij het besluit van 2 april 2008 heeft verweerder appellants verzoek om zodanige erkenning afgewezen; bij het bestreden besluit heeft verweerder aan dat besluit vastgehouden.

3.7 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerder jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld.

Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden.

3.8 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

3.9 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellant, die over 10,34 toeslagrechten beschikt met een waarde van € 1590,44 per recht, en die over 28.42 ha beschikt om al deze toeslagrechten te laten uitbetalen, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als hij slechts voor 2,43 van deze toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, in elk geval naar het recht zoals dat in 2007 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven, omdat een perceel gedurende een periode van tien maanden voor de landbouw ter beschikking moet staan. Ook kunnen er zich misschien incidenteel nog wel andere gronden voordoen om percelen niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

In de situatie van appellant is er naar het oordeel van het College echter wel reden een kennelijke fout aan te nemen. Appellant heeft in de gecombineerde opgave zonder voorbehoud opgegeven zijn toeslagrechten te willen laten uitbetalen, doch heeft daarbij slechts voor een gering deel van de ter beschikking staande toeslagrechten (2,43 van de 10,34) en hectaren (2.43 van de 28.42) gebruik gemaakt en aldus slechts € 3.671,25 van de totaalwaarde van de toeslagrechten van

€ 16.445,15 benut. Het verschil tussen hetgeen appellant aanvraagt en hetgeen hij maximaal kan aanvragen is zo groot, dat het bij een summier onderzoek direct in het oog moet vallen.

Voorts moet vrijwel uitgesloten worden geacht dat er voor appellant een reden bestaat twee percelen van in totaal 2.43 ha midden in een groter aaneengesloten bedrijfsareaal voor uitbetaling van zijn toeslagrechten in aanmerking te brengen en de omliggende zeventien percelen van in totaal 26 ha niet. Onder deze omstandigheden is er aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het werkdocument als niet samenhangend aan te merken.

Dat levert voldoende grond op om aan te nemen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave bevat van hetgeen appellant beoogde aan te vragen.

In een dergelijk geval ligt het op de weg van verweerder om de aanvrager erop te wijzen dat hij de aanvraag niet conform zijn bedoelingen heeft ingevuld en hem de gelegenheid te bieden om de aanvraag desgewenst te wijzigen.

3.10 Nu appellant een dergelijke gelegenheid niet geboden is, is de slotsom dat ook het beroep tegen het besluit van 19 november 2008 gegrond dient te worden verklaard. Verweerder zal opnieuw op appellants bezwaar moeten beslissen.

Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 644,-- (beroepschrift 1 punt, bijwonen zitting 1 punt, wegingsfactor 1) te verhogen met € 42,70 (reiskosten openbaar vervoer tweede klasse).

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 april 2008;

- verklaart het bezwaar tegen de brief van 20 december 2007 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 15 april 2008;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 november 2008;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 682,70 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig

euro en zeventig cent);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,-- (zegge: honderdvijfenveertig

euro) zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. M. Munsterman in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2009.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas