Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ9327

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/629
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet personenvervoer 2000
Wet personenvervoer 2000 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 345 met annotatie van I. Sewandono
JB 2009/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/629 17 september 2009

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A h.o.d.n. Taxibedrijf A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. P.C.M. Ouwens, advocaat te Rotterdam,

tegen

Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij verweerders Inspectie van Verkeer en Waterstaat.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 augustus 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 juli 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen zijn brief van 27 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 23 september 2008 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 9 juni 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.D.C.J. van Driel, advocaat te Rotterdam, en verweerder door mr. Gschwind werd vertegenwoordigd.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp 2000) is, onder meer, het volgende bepaald.

“Artikel 6

1. Een vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

(…)

Artikel 7

1. Een vergunning vervalt van rechtswege:

a. zes maanden na het overlijden of het intreden van wettelijke onbekwaamheid van degene aan wie de vergunning is verleend;

b. zodra de rechtspersoon waaraan de vergunning is verleend, heeft opgehouden te bestaan;

c. zodra de overeenkomst van de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap waaraan de vergunning is verleend, is ontbonden;

d. zodra degene aan wie de vergunning is verleend, zijn activiteiten als vervoerder heeft beëindigd.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 19 mei 2004 heeft verweerder aan appellant een vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer.

- Bij brief van 27 augustus 2007 heeft verweerder appellant bericht dat hij op grond van de hem ter beschikking staande gegevens tot de conclusie komt dat appellant zijn activiteiten als vervoerder heeft beëindigd en dat dit betekent dat de verleende vergunning van rechtswege is komen te vervallen.

- Bij brief van 15 september 2007 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 1 juli 2008 heeft appellant een afschrift van dat bezwaarschrift en een verzendbewijs van TNT Post overgelegd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en hiertoe, voor zover hier van belang, overwogen dat de taxivergunning van appellant van rechtswege is vervallen. De brief van 27 augustus 2007 is niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4. Het standpunt van appellant

Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn vergunning niet van rechtswege is komen te vervallen, aangezien hij zijn werkzaamheden als taxibedrijf nog niet heeft gestart. Van beëindiging van zijn werkzaamheden is dan ook geen sprake. Appellant hoefde ook niet bedacht te zijn op het vervallen van zijn vergunning. De vergunning wordt volgens de wet verleend voor onbepaalde tijd. Noch uit de wet, noch uit de inhoud van de vergunning, noch uit andere regelgeving volgt dat appellant zijn activiteiten als vervoerder reeds had dienen aan te vangen op straffe van verval van de vergunning.

Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat verweerder het voornemen om de vergunning van appellant van rechtswege vervallen te verklaren aan appellant kenbaar had dienen te maken en hem een redelijke termijn had moeten gunnen waarbinnen hij alsnog zijn activiteiten had kunnen aanvangen. Appellant acht de besluitvorming van verweerder onzorgvuldig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling van het College staat of verweerder appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de brief van 27 augustus 2007 waarbij appellant is meegedeeld dat zijn vergunning tot het verrichten van taxivervoer van rechtswege is vervallen.

Het College stelt voorop dat aangezien het in dit geval gaat om het van rechtswege vervallen – dat wil zeggen zonder dat daarvoor een beslissing van een bestuursorgaan nodig is – van een toegekend recht, vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is vereist dat voor de rechthebbende uit de wet kenbaar is in welke situatie dit rechtsgevolg intreedt. De in de wet genoemde gronden die – indien toepasselijk – leiden tot het van rechtswege vervallen van de vergunning, dienen daarom strikt te worden uitgelegd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder d, Wp 2000 vervalt een vergunning van rechtswege zodra degene aan wie de vergunning is verleend, zijn activiteiten als vervoerder heeft beëindigd. Daaronder valt naar de letter niet het (nog) niet begonnen zijn met de vergunde vervoersactiviteiten. Degene aan wie een taxivergunning is verleend hoeft, mede gelet op de omstandigheid dat deze vergunning ingevolge artikel 6, eerste lid, Wp 2000 wordt verleend voor onbepaalde tijd, er dan ook niet op bedacht te zijn dat de vergunning op een bepaald moment van rechtswege vervalt indien hij daarvan nog geen gebruik maakt. Naar het oordeel van het College kan het niet zijn begonnen met de vergunde vervoersactiviteiten en het beëindigen van deze activiteiten vanuit oogpunt van rechtszekerheid niet met elkaar worden gelijkgesteld.

De conclusie uit het voorgaande is dat artikel 7, eerste lid, onder d, Wp 2000 in dit geval – waarin appellant niet is begonnen met de vergunde activiteiten – geen grond biedt voor het van rechtswege vervallen van de vergunning.

Aangezien de brief van 27 augustus 2007 kennelijk de strekking heeft om de aan appellant verleende vergunning te doen vervallen, moet deze brief naar oordeel van het College worden aangemerkt als intrekking van de vergunning. De brief van 27 augustus 2007 is daarmee gericht op rechtsgevolg en dus een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb waartegen – na bezwaar – op grond van artikel 105 Wp 2000 beroep bij het College openstaat.

5.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit van 16 juli 2008 zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

5.3 Het College ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--. Daarbij is uitgegaan van 1 punt (met een waarde van € 322,--) voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond:

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- gelast dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrag van € 145,-- (zegge:

eenhonderdvijfenveertig) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. E. Dijt en dr. B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Graefe