Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ8832

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/457 AWB 08/458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2005

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/457 en 08/458 4 september 2009

27653 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2005

Uitspraak in de zaken van:

Autoschat Tietjerk B.V., te Tietjerk, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij E.M.M.A. B.V.,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. H. Vissinga en mr. M.W. Schilperoort, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij afzonderlijke brieven van 18 juni 2008, bij het College binnengekomen op 20 juni 2008, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 13 juni 2008.

Bij deze besluiten heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen de beschikkingen van 14 februari 2008 waarbij haar aanvragen om energie-investeringsaftrek (hierna: EIA) op grond van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) niet in behandeling zijn genomen.

Bij afzonderlijke brieven van 7 augustus 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, onder overlegging van op de zaken betrekking hebbende stukken.

Op 28 april 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voorts is van de zijde van appellante verschenen B, (thans) werkzaam bij E.M.M.A. B.V.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Afdeling 3.3. Advisering

Artikel 3:5

1. In deze afdeling wordt verstaan onder adviseur: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

(...)

Artikel 3:6

1. Indien aan de adviseur niet reeds bij wettelijk voorschrift een termijn is gesteld, kan het bestuursorgaan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen.

(...)

Artikel 3:16

1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

(...)

Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

(...)

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

(...)

4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Namens appellante heeft C, werkzaam bij Energy Vision, door middel van daarvoor bestemde formulieren, binnengekomen bij de Belastingdienst op 12 oktober 2007, twee aanvragen ingediend om EIA op grond van de Wet IB 2001 voor een investering in respectievelijk “HF verlichtingsysteem”, bij verweerder geregistreerd onder kenmerk E0708994, en “Engeneeringskosten installatietechnische werkzaamheden”, bij verweerder geregistreerd onder kenmerk E0708995.

- Naar aanleiding van genoemde aanvragen heeft verweerder bij afzonderlijke brieven van 12 december 2007 appellante om gegevens verzocht en daarbij het volgende vermeld:

“De uiterste datum waarop SenterNovem de informatie moet hebben ontvangen is 14 januari 2008. Indien u de vragenbrief binnen de bovengenoemde termijn niet of onvoldoende beantwoordt kan ik uw verzoek op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, voor het deel waarvan de informatie niet of onvoldoende aanwezig is, niet in behandeling nemen.”

- Een telefoonnotitie van verweerder betreffende een telefoongesprek op 21 januari 2008 tussen SenterNovem en C over de in geding zijnde aanvragen vermeldt onder meer het volgende:

“[Verweerder]: In het kader van de EIA heeft u een melding ingediend. Hierover heeft u van ons een vragenbrief ontvangen, waarvan de termijn is verlopen.

[C]: Ja ik zou u hierover bellen. Wacht nog steeds op een telfoontje van Dhr. B. Deze zou het nl. afhandelen. Hoe lossen we dit nu op.

[Verweerder]: U o[p]ntvangt van mij een 1.4-B-brief. U heeft dan 3 weken de tijd om te reageren. Wanneer wij binnen de gestelde termijn in deze brief geen info van u hebben ontvangen, kunnen wij de aanvraag helaas niet in behandeling nemen.

[C]: Dat is een uitstekend idee. Deze week heeft [u] de info op uw bureau.”

- Bij afzonderlijke brieven van 21 januari 2008 heeft verweerder onder verwijzing naar de brieven van 12 december 2007 appellante nogmaals om gegevens verzocht en daarbij het volgende vermeld:

“De uiterste datum waarop SenterNovem de informatie moet hebben ontvangen is 11 februari 2008. Indien u de vragenbrief binnen de bovengenoemde termijn niet of onvoldoende beantwoordt kan ik uw verzoek op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, voor het deel waarvan de informatie niet of onvoldoende aanwezig is, niet in behandeling nemen.”

- Bij afzonderlijke besluiten van 14 februari 2008 heeft verweerder, aangezien hij ondanks de brieven van 12 december 2007 en 21 januari 2008 de gevraagde gegevens niet voor of op 11 februari 2008 had ontvangen, de aanvragen niet in behandeling genomen.

- Tegen deze besluiten maakt B, namens appellante bij brief van 10 maart 2008 bezwaar. Samengevat komen de bezwaargronden neer op een verzoek aan verweerder om vanwege onmacht, gelegen in ziekte van B zelf, de aanvragen alsnog in behandeling te nemen.

- Bij brief van 10 april 2008, door verweerder ontvangen op 11 april 2008, verzendt de gemachtigde van appellante met betrekking tot de aanvraag met kenmerk E0708995 een brief van 20 december 2007 omtrent een specificatie van engineeringskosten.

- Bij brief van 22 april 2008 legt appellante met betrekking tot de aanvraag met kenmerk E0708994 nadere gegevens over.

- Op 29 april 2008 is er een hoorzitting gehouden, waarbij namens appellante B is verschenen.

- Bij brief van 3 juni 2008 heeft A desgevraagd een overeenkomst tussen E.M.M.A. B.V. en B, handelend onder de naam Energy Vision, overgelegd. Hieruit blijkt dat de activiteiten van Energy Vision zijn ondergebracht onder E.M.M.A. B.V.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. Op de aanvraag met kenmerk E0708994 ziet het besluit met kenmerk JZ/EIA_04/080320/BNE (AWB 08/457) en op de aanvraag met kenmerk E0708995 ziet het besluit met kenmerk JZ/EIA_04/080321/BNE (AWB 08/458).

3. De bestreden besluiten

Bij bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en, voor zover hier van belang, hiertoe het volgende overwogen.

Ten aanzien van de stelling dat vanwege ziekte B niet op de brieven van verweerder heeft kunnen reageren wijst verweerder op de telefonische toezegging van C op 21 januari 2008 dat de gevraagde informatie nog dezelfde week aan verweerder worden toegezonden. Dat gedurende de afwezigheid van B vanwege de complexiteit van de verschillende meldingen medewerkers van Energy Vision de post ongeopend lieten, komt voor rekening van appellante. Verder bestrijdt verweerder dat D, werkzaam bij Energy Vision, zou hebben verklaard dat door ziekte van B het aanleveren van de gevraagde informatie vertraging zou oplopen, omdat is aangegeven dat B inmiddels weer was hersteld en bovendien C telefonisch heeft toegezegd dat de gevraagde informatie binnen de gestelde termijn zal worden toegezonden. Ten aanzien van de verwachting van B dat wanneer appellante de gevraagde informatie alsnog zou aanleveren, de aanvragen toch in behandeling worden genomen, merkt verweerder op dat wanneer een beslissing al is genomen op een aanvraag, deze aanvraag niet alsnog in behandeling kan worden genomen alleen door het aanleveren van de gevraagde informatie. De enige mogelijkheid van heroverweging is in bezwaar te gaan. Dat in bezwaar alsnog gegevens zijn aangeleverd maakt het vorengaande niet anders, omdat verweerder in zijn brieven van 12 december 2007 en 21 januari 2008 conform artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb redelijke termijnen in acht heeft genomen en de aanvragen terecht niet in behandeling zijn genomen. Daarbij bestrijdt verweerder in de zaak AWB 08/458 eerdergenoemde brief van 20 december 2007 te hebben ontvangen. Bovendien is in de vragenbrief van 12 december 2007 meer gevraagd dan alleen een specificatie van de engineeringskosten, aldus verweerder.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft onder verwijzing naar artikel 3:6, eerste lid, van de Awb aangevoerd dat de adviseur via zijn opdrachtgever afhankelijk is van de aanlevering van gegevens door derden en dat dit lang duurt en soms zelfs schier onmogelijk is. De door verweerder gegeven termijnen zijn derhalve te kort. De termijn zou standaard op acht weken dienen te worden gesteld met een verlengingsmogelijkheid van acht weken. In het uiterste geval dient in het licht van artikel 3:16, eerste lid, van de Awb een termijn te worden gegund van zes weken met een mogelijkheid tot verlenging ervan met zes weken, aldus appellante.

Verder stelt appellante dat de termijnoverschrijdingen, gelet op de hoorzitting uitvoerig aan de orde gestelde problemen in verband met de privé-situatie van B, verschoonbaar zijn.

Aangezien met de termijnoverschrijdingen geen personen, belangen of instellingen zijn geschaad, hoeft het alsnog in behandeling nemen van de aanvragen niet op problemen te stuiten, aldus appellante.

Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat in EIA-zaken verweerder zelf zich niet houdt aan de beslistermijnen.

5. Het nadere standpunt van verweerder

In de verweerschriften heeft verweerder nog naar voren gebracht dat een verzoek om aanvullende gegevens geen verzoek om advies is als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Awb. Derhalve zijn de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb bepaalde termijnen hier niet van toepassing.

Verder veronderstelt verweerder dat appellante met betrekking tot de verschoonbare termijnoverschrijding een beroep doet op artikel 6:11 van de Awb, maar dit artikel ziet op termijnoverschrijding ter zake een ingediend bezwaar- of beroepschrift. Evenmin leidt analoge toepassing van dit artikel tot een ander oordeel, omdat appellante de reden voor verschoonbaarheid niet tijdens verweerders beoordeling van het verzoek bekend heeft gemaakt. Bovendien is telefonisch toegezegd dat de gevraagde informatie binnen de gestelde termijn zou worden toegestuurd en hadden de werkzaamheden van B door een andere medewerker van Energy Vision kunnen en moeten worden waargenomen.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Aan de orde is de vraag of verweerder in redelijkheid de aanvragen van appellante buiten behandeling heeft kunnen stellen. Dienaangaande overweegt het College het volgende.

6.2 Het College stelt in het licht van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb voorop dat appellante niet heeft bestreden dat zij ten tijde van het indienen van de aanvragen onvoldoende gegevens heeft verstrekt voor de beoordeling van de aanvragen door verweerder. Teneinde appellante de gelegenheid te bieden alsnog de gevraagde gegevens in te dienen heeft verweerder derhalve termijnen mogen stellen. Het College acht de door verweerder gestelde termijnen niet onredelijk. Voorts wist appellante dat de tweede termijn fataal was, nu in de brief van 21 januari 2008 is vermeld dat haar aanvraag niet in behandeling “zal” worden genomen indien zij ook binnen de tweede gegunde termijn niet zou antwoorden.

Appellantes grief dat de in de brieven van 12 december 2007 en 21 januari 2008 vermelde termijnen te kort zijn, treft geen doel nu appellante heeft verzuimd binnen deze termijnen verweerder te berichten dat de termijnen te kort zouden zijn. Dit verzuim klemt temeer gezien de eerdere (door haar gemachtigde op 21 januari 2008) gedane telefonische toezegging om alsnog tijdig de gevraagde gegevens in te dienen. Het betoog van appellante dat in het licht van de artikelen 3:6, eerste lid, en 3:16, eerste lid, van de Awb de gegeven termijnen voor een adviseur te kort zijn faalt, reeds omdat deze bepalingen hier niet van toepassing zijn. Immers, de door appellante ingeschakelde contactpersonen B en C van Energy Vision zijn niet aan te merken als adviseur als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Awb, hiervoor aangehaald.

De ter zitting door appellante naar voren gebrachte grief dat in EIA-zaken verweerder zelf zich niet houdt aan de wettelijke beslistermijnen treft geen doel, omdat met betrekking tot onderhavige uitoefening van de bevoegdheid van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, uitgezonderd het hier niet aan de orde zijnde vierde lid, geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen dat gevolgen verbindt aan de overschrijding van wettelijke beslistermijnen. Bovendien bieden de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb appellante de mogelijkheid om tegen het niet tijdig nemen van een besluit rechtsmiddelen aan te wenden teneinde onredelijk uitstel te voorkomen.

6.3 Voor het overige komt het College niet toe aan een nadere beoordeling van de door appellante gestelde verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, aangezien voor het College vaststaat dat appellante evenmin de gevraagde gegevens heeft ingediend na ommekomst van de termijnen en voordat verweerder heeft besloten de aanvragen niet in behandeling te nemen. De omstandigheid dat appellante bij het indienen van haar bezwaarschrift alsnog gegevens heeft overgelegd leidt niet tot een ander oordeel aangezien verweerder bij zijn heroverweging in bezwaar, gegeven het bijzondere karakter van een besluit genomen krachtens artikel 4:5 van de Awb, niet was gehouden om rekening te houden met feiten en omstandigheden die eerst in bezwaar naar voren zijn gekomen. Het College wijst op de gevestigde jurisprudentie, onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2001 (JB 2001, 36) en 26 februari 2008 (JV 2008, 162).

6.4 Ter zitting heeft verweerder verklaard met betrekking tot de ontvankelijkheid van aanvragen om EIA een strikte uitvoeringspraktijk te hanteren in verband met het grote aantal aanvragen dat jaarlijks verwerkt dient te worden. De daarmee gemoeide belangen, en met name het belang van een voortvarende en ordelijke administratieve en financiële verwerking, heeft verweerder naar het oordeel van het College in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven het belang van appellante dat haar aanvragen ondanks haar verzuimen nog in behandeling worden genomen. Haar stelling ter zitting dat voldoende financiële middelen voorhanden zijn om EIA te verlenen, doet, wat hier verder ook van zij, aan het voorgaande niet af.

6.5 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid de aanvragen van appellante buiten behandeling heeft kunnen stellen. Derhalve zijn de beroepen ongegrond.

6.6 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2009.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. S.D.M. Michael