Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ8807

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/1032 AWB 08/1033
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/1032 en 08/1033 22 september 2009

27307 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties

Uitspraak in de zaken van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellant heeft bij afzonderlijke brieven van 20 december 2008, bij het College binnengekomen op 24 december 2008, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 18 december 2008.

Bij deze besluiten heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen de afwijzing van twee verzoeken om de aanvangsdatum van de voor subsidie in aanmerking komende periode van twee in het kader van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties (hierna: de Regeling) gehonoreerde biomassavergistingsprojecten te verschuiven naar 14 juni 2009.

Bij afzonderlijke brieven van 2 februari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaken betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 30 juni 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Kaderwet EZ-subsidies (hierna: Kaderwet) is, voor zover hier van belang, bepaald:

“Artikel 3

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister kunnen voorts regels worden vastgesteld met betrekking tot:

a. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

(...)

c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

(...)”

In de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald:

“Artikel 9

In de beschikking tot subsidieverlening wordt bepaald dat de voor subsidie in aanmerking komende periode aanvangt op het in de beschikking aangegeven tijdstip doch uiterlijk 24 maanden na de datum van de subsidie-aanvraag en eindigt 10 jaar na dit tijdstip.

(...)

Artikel 12

1. De subsidie-ontvanger start de realisatie van de vergistingsinstallatie binnen 12 maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. De subsidie-ontvanger neemt de vergistingsinstallatie uiterlijk binnen 6 maanden na aanvang van de subsidieperiode in gebruik hetgeen blijkt uit het invoeden van met de vergistingsinstallatie opgewekte duurzame elektriciteit op het net.

3. De Minister kan op verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn bedoeld in het eerste en tweede lid in geval van overmacht eenmalig met ten hoogste 12 maanden verlengen.

(...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 18 december 2006 heeft appellant een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van de oprichting en ingebruikname van een biomassavergistingsinstallatie op het perceel B te C. Op dezelfde datum heeft appellant een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van de oprichting en ingebruikname van een biomassavergistingsinstallatie op het perceel D te E.

- Bij besluiten van 14 juni 2007 heeft verweerder beide aanvragen ingewilligd en appellant subsidie verleend, waarbij verweerder de aanvangsdatum van de voor subsidie in aanmerking komende periode heeft bepaald op 1 september 2008. Daarbij is vermeld dat uitstel van deze datum tot uiterlijk 24 maanden na 19 december 2006 mogelijk is, indien appellant hiertoe een schriftelijk verzoek indient. De subsidieperiode eindigt uiterlijk tien jaar na de aanvangsdatum, aldus verweerder. - Bij brief van 21 december 2007 heeft appellant verweerder voor elk van de eerdergenoemde biomassavergistingsinstallaties verzocht om uitstel van de aanvangsdatum van de realisatie(bouw) ervan tot 14 juni 2009 en om uitstel van de aanvangsdatum van de subsidieperiode tot 1 september 2009.

- Bij afzonderlijke besluiten van 18 januari 2008 heeft verweerder het verzoek om uitstel van de aanvangsdatum van de realisatie van de onderscheiden biomassavergistingsinstallaties tot 14 juni 2009 toegewezen en ten aanzien van het verzoek om uitstel van de aanvangsdatum van de subsidieperiode de aanvangsdatum bepaald op 19 december 2008.

- Bij afzonderlijke brieven van 23 juli 2008 heeft appellant verweerder wederom verzocht de aanvangsdatum van de subsidieperiode voor beide installaties te verschuiven, en wel naar 14 juni 2009.

- Bij besluiten van respectievelijk 6 oktober 2008 en 15 oktober 2008 heeft verweerder deze verzoeken afgewezen en daartoe onder verwijzing naar artikel 9 van de Regeling overwogen dat de subsidie-aanvragen door hem zijn ontvangen op 19 december 2006 en dat dit betekent dat hij de aanvangsdatum van de subsidieperiode kan verschuiven tot uiterlijk 1 januari 2009.

- Tegen het besluit van 6 oktober 2008 heeft appellant bij brief van 11 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Tegen het besluit van 15 oktober 2008 heeft appellant bij brief van 19 oktober 2008 bezwaar gemaakt. In de – gelijkluidende – bezwaarschriften heeft appellant naar voren gebracht dat het zeer onlogisch is dat de aanvangsdatum van de subsidieperiode ligt vóór de datum waarop het project is gerealiseerd.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de – vrijwel gelijkluidende –bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

De aanvangsdatum van de subsidieperiode is verschoven naar 1 januari 2009 omdat de meetgegevens van productie-installaties maandelijks beschikbaar worden gesteld en de subsidie per kalendermaand wordt berekend. De Regeling is bedoeld voor ondernemers die op 18 augustus 2006 reeds vergevorderde investeringsplannen hadden en gaat er vanuit dat een installatie binnen 24 maanden na de subsidie-aanvraag in gebruik genomen moet kunnen zijn. De Regeling biedt geen mogelijkheid de aanvangsdatum van de subsidieperiode later vast te stellen dan 24 maanden na de ontvangstdatum van de subsidie-aanvraag. De situatie waarin ondernemers hun installatie in gebruik nemen op een tijdstip dat meer dan 24 maanden na de indiening van de subsidie-aanvraag ligt en daardoor minder dan 10 jaar subsidie verkrijgen is bij het opstellen van de Regeling voorzien en acceptabel geacht. In artikel 12, tweede lid, van de Regeling is met deze mogelijkheid nadrukkelijk rekening gehouden. Dat in dit geval de aanvangsdatum van de subsidieperiode ligt voor de aanvangsdatum van de realisatie van het project acht verweerder derhalve niet in strijd met de letter en de bedoeling van de Regeling.

4. Het standpunt van appellant

Appellant vindt het onlogisch dat verweerder wel uitstel van de realisatiedatum heeft verleend, maar de aanvangsdatum van de subsidieperiode hieraan niet kan aanpassen. Verweerder heeft eerder de aanvangsdatum van de subsidieperiode verschoven van 19 december 2008 naar 1 januari 2009. Hieruit blijkt dat binnen de Regeling de mogelijkheid bestaat om aan zijn verzoek te voldoen, aldus appellant.

Ter zitting heeft appellant naar voren gebracht dat hij recentelijk de relatie met de Duitse bouwer van biogasinstallaties BiogasNord heeft verbroken en thans in gesprek is met andere potentiële bouwers om de biomassavergistingsprojecten af te ronden. Daardoor boet appellant al elke dag in op de subsidieperiode van 10 jaar. Voorts stelt hij dat de tekst van artikel 3, eerste en tweede lid, onder c, van de Kaderwet, het mogelijk maakt om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder de verzoeken van appellant om de aanvangsdatum van de voor de subsidie in aanmerking periode van twee in het kader van de Regeling gehonoreerde biomassavergistingsprojecten te verschuiven naar 14 juni 2009 terecht heeft afgewezen. Hieromtrent overweegt het College als volgt.

5.2 Vast staat dat de subsidie-aanvragen van appellant zijn ingediend op 18 december 2006. Uit het bepaalde in artikel 9 van de Regeling volgt dat de voor subsidie in aanmerking komende periode aanvangt uiterlijk 24 maanden na de datum van de subsidie-aanvraag, in dit geval uiterlijk 18 december 2008. Hoewel verweerder om hem moverende redenen de aanvangsdatum van de subsidieperiode heeft bepaald op 1 januari 2009, staat genoemde bepaling niet toe de aanvangsdatum in dit geval (verder) te verschuiven naar 14 juni 2009. Elders in de regeling is evenmin voorzien in de mogelijkheid de aanvangsdatum van de subsidieperiode (verder) te verschuiven. Dat daardoor voor appellant de situatie ontstaat dat de datum waarop de vergistingsinstallaties in gebruik worden genomen, is gelegen ná de aanvangsdatum van de subsidieperiode, en bijgevolg de periode waarover subsidie zal kunnen worden genoten korter wordt dan 10 jaar, acht het College een omstandigheid die in artikel 9 van de Regeling is verdisconteerd. Dat het voorgaande past binnen de aard en strekking van de Regeling vindt steun in het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 12 van die regeling, waarin tijdsgrenzen worden gesteld aan de – mogelijke – situatie dat de subsidie-ontvanger de vergistingsinstallatie na aanvang van de subsidieperiode in gebruik neemt. Onder verwijzing naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 31 juli 2008 inzake AWB 08/36 (<www.rechtspraak.nl>, LJN: BF0851) neemt het College bij het voorgaande mede in aanmerking dat het bij de Regeling gaat om een uitzondering op de hoofdregel – het in beperkte mate bieden van een tegemoetkoming aan bedrijven die door het op nul stellen van de MEP-subsidie waren gedupeerd –, die om een strikte toepassing vraagt.

Voor zover appellant stelt dat verweerder op grond van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet bij de bepaling van de aanvangdatum van de subsidieperiode rekening dient te houden met bijzondere omstandigheden, volgt het College appellant hierin niet, omdat deze bepalingen juist de wettelijke grondslag vormen voor de vaststelling van de Regeling. In het bijzonder het bepaalde van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Kaderwet biedt verweerder bij het stellen van regels omtrent het bepalen van het subsidiebedrag, waaronder de voor subsidie in aanmerking komende periode, ruimte om al dan niet een voorbehoud te maken voor bijzondere omstandigheden. Dat verweerder ervoor heeft gekozen bij de vaststelling van artikel 9 van de Regeling geen voorbehoud als voornoemd te maken dient dan ook rechtens te worden gerespecteerd.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de verzoeken van appellant om de aanvangsdatum van de subsidieperiode te verschuiven naar 14 juni 2009 terecht heeft geweigerd.

5.3 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond zijn.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. E. Dijt in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2009.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. S.D.M. Michael