Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ8691

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
28-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/696
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/696 17 september 2009

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van tuchtbeslissing nr. TPPE C van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij brief van D heeft het tuchtgerecht appellant afschrift toegezonden van zijn hiervoor vermelde tuchtbeslissing van diezelfde datum.

Bij brief van 6 mei 2009, ingekomen ter griffie van het College op 7 mei 2009, heeft appellant tegen de tuchtbeslissing beroep ingesteld.

Bij brief van 4 juni 2009 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 19 augustus 2009. Appellant is in persoon verschenen. Van de zijde van het Productschap Pluimvee en Eieren is niemand ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet) kan op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam als tuchtrechtelijke maatregel in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie onder meer een geldboete worden opgelegd. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet is het bedrag van de geldboete ten minste € 3,- en ten hoogste een bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

In artikel 4, derde lid, van de Wet is bepaald dat de geldboete geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk kan worden opgelegd.

In de Verordening vaccinatie Newcastle Disease van het Productschap Pluimvee en Eieren (verder: productschap) van 15 juni 2006, hierna te noemen Verordening, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

d. NCD: Newcastle Disease (pseudovogelpest);

(…)

Artikel 2

1. De ondernemer zorgt ervoor dat het op zijn pluimveebedrijf aanwezige pluimvee overeenkomstig de door het bestuur bij besluit vastgestelde voorschriften wordt gevaccineerd tegen NCD.

2. Ter controle van het effect van de in het eerste lid bedoelde vaccinaties op de immuniteit, zorgt de ondernemer ervoor dat overeenkomstig de door het bestuur bij besluit vastgestelde voorschriften, bloedmonsters worden genomen van het op zijn pluimveebedrijf aanwezige pluimvee en dat deze bloedmonsters door middel van de HAR-test worden onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen NCD.

(…)

Artikel 11

1. Op overtreding van het in de artikelen 2 tot en met 10 bepaalde worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

2. De tuchtrechtelijke maatregelen zijn:

(…)

b. een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de derde categorie bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;"

In het Besluit bloedonderzoek Newcastle Disease (PPE) 2006 van het bestuur van het productschap van 15 juni 2006 (hierna: Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3

1. Ter uitvoering van het in artikel 2, tweede lid, van de verordening bedoelde onderzoek van bloedmonsters, zorgt de ondernemer ervoor dat indien hij vleeskuikens of vleeskalkoenen houdt, bloed wordt afgenomen van ten minste 30 willekeurig gekozen dieren per koppel en van ten minste 5 dieren per stal.

(…)

5. De te onderzoeken monsters dienen, vergezeld van een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig het in de bijlage bij dit besluit gevoegde model, voor onderzoek te worden gezonden naar een door het bestuur aangewezen laboratorium."

3. Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, op 15 december 2008 opgemaakt door H.G.M. Grolleman, controleur bij Controle Bureau Dierlijke sector B.V., houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"Op 3 september 2008 omstreeks 13.35 uur had ik relatant H.G.M. Grolleman een telefoongesprek met E, (…).

De reden van dit telefoongesprek was het geconstateerde tekort aan ingezonden bloedmonsters, aan de Gezondheidsdienst voor Dieren (…) van twee koppels opgezette vleeskuikens met als opzetdata 28 augustus 2007 en 10 april 2008.

Uit de aan mij ter beschikking gestelde gegevens van de Gezondheidsdienst voor Dieren, betreffende de ingezonden bloedmonsters van het bedrijf van E, geregistreerd (…) onder F is het mij relatant gebleken dat van 2 koppels vleeskuikens met de opzetdata 28 augustus 2007 en 10 april 2008, geen bloedmonsters ter controle op het effect van de vaccinaties tegen Newcastle Disease zijn ontvangen bij de Gezondheidsdienst voor Dieren, hetgeen niet conform de Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006 is.

Er is door de voorzitter van het Productschap Pluimvee en Eieren geen individuele ontheffing verleend aan E (…).

Op bovengenoemde datum en tijd heb ik relatant H.G.M. Grolleman mij telefonisch bij E bekend gemaakt en hem de reden van mijn telefonisch contact duidelijk gemaakt.

E verklaarde mij op mijn vragen het volgende zakelijk weergegeven:

"Ik ben verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken op mijn bedrijf.

Ik weet dat ik vergeten ben de dierenarts in te schakelen voor het nemen van bloedmonsters van het koppel vleeskuikens met opzetdatum 10 april 2008.

Voor wat betreft het koppel van 28 augustus 2007 zou ik het zo niet weten.

Het is wel in de oogstperiode en dan zou het door de drukte eveneens vergeten kunnen zijn. Ik wist niet dat er geen bloed van dat koppel is afgenomen.

Ik ben daar door de Gezondheidsdienst ook niet op gewezen. Het is echt geen kwade opzet geweest en de vleeskuikens zijn altijd wel gevaccineerd tegen NCD."

Naar aanleiding van de geconstateerde bevindingen heb ik E (…) medegedeeld dat tegen hem een berechtingsrapport zal worden opgemaakt ten behoeve van het Tuchtgerecht van het Productschap Pluimvee en Eieren."

4. De bestreden tuchtbeslissing

Blijkens de bestreden tuchtbeslissing heeft appellant ter zitting van het tuchtgerecht - onder meer - verklaard dat hij twee maal is vergeten bloedmonsters te laten nemen ter verificatie van NCD-vaccinaties en dat zijn bedrijf een capaciteit heeft van circa 48.000 kuikens per opzetronde.

Het tuchtgerecht heeft op grond van het berechtingsrapport en het verhandelde ter zitting geoordeeld dat op het bedrijf van appellant sprake is geweest van twee keer nalaten bloedonderzoek te (laten) verrichten ter controle van de weerstand tegen NCD.

Dit levert twee overtredingen van artikel 2, tweede lid, van de Verordening op.

Het tuchtgerecht heeft appellant terzake een geldboete van € 1.500,- opgelegd, waarvan € 750,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete heeft het tuchtgerecht rekening gehouden met het feit dat het bedrijf van appellant een gemiddelde omvang heeft. Ter motivering van het voorwaardelijk gedeelte van de boete heeft het tuchtgerecht overwogen dat appellant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

5. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende aangevoerd.

In de bestreden tuchtbeslissing staan storende fouten met betrekking tot de datum van de zitting (die op 21 april 2009 en niet op 24 februari 2009 heeft plaatsgevonden) en die van de uitspraak. Hieruit leidt appellant af dat het tuchtgerecht alleen bezig is geweest met het uitdelen van een boete, niet serieus naar zijn verweer ter zitting heeft geluisterd en al uitspraak had gedaan voordat de zitting plaatsvond.

De opgelegde boete staat volgens appellant niet in redelijke verhouding tot de ernst van de overtreding. Bovendien heeft het tuchtgerecht in vergelijkbare gevallen aanmerkelijk lagere boetes opgelegd. Ter zitting van het College heeft appellant in dit verband een overzicht van zes uitspraken van het tuchtgerecht van 24 februari 2009 overgelegd, waaruit blijkt dat in de vijf zaken, waarin het tuchtgerecht wegens vergelijkbare overtredingen als die van appellant tot een veroordeling is gekomen, (aanmerkelijk) lagere boetes zijn opgelegd.

6. De beoordeling

Het College stelt voorop dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen betwisting inhoudt van hetgeen door het tuchtgerecht bewezen is verklaard.

De grieven van appellant zijn uitsluitend gericht tegen de hoogte van de aan hem opgelegde boete. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Uit het door appellant ter zitting overgelegde overzicht van zes uitspraken van het tuchtgerecht van 24 februari 2009, die alle betrekking hebben op het in 2007 en/of 2008 niet (in voldoende mate) inzenden van bloedmonsters ter controle op NCD, blijkt dat het tuchtgerecht in geen van de zaken waarin het wegens twee overtredingen van artikel 2, tweede lid van de Verordening tot een veroordeling is gekomen, een hogere boete heeft opgelegd dan € 500,-. Tevens blijkt uit dit overzicht dat daarbij steeds een deel van die boete voorwaardelijk is opgelegd. Het voorwaardelijk gedeelte bedraagt blijkens de in het overzicht vermelde tuchtbeslissingen in beginsel de helft van de opgelegde boete, tenzij sprake is van eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen. In dat geval is een kwart van de boete voorwaardelijk opgelegd.

Het College stelt vast dat in de bestreden tuchtbeslissing niet is gemotiveerd waarom in het onderhavige geval, waarin eveneens sprake is van twee overtredingen van artikel 2, tweede lid, van de Verordening die begaan zijn in onderscheidenlijk 2007 en 2008, in afwijking van het uit de uitspraken van 24 februari 2009 blijkende boetebeleid, door het tuchtgerecht een beduidend hogere boete van € 1.500,-, waarvan de helft voorwaardelijk, is opgelegd.

In het vorenstaande ziet het College aanleiding de boete met betrekking tot de twee door appellant gepleegde overtredingen op een lager bedrag vast te stellen. Hierbij houdt het College, evenals het tuchtgerecht, rekening met de gemiddelde omvang van het bedrijf van appellant en met het feit dat appellant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

Op grond van het hiervoor overwogene acht het College voor de twee overtredingen tezamen een geldboete van € 500,-, waarvan € 250,- voorwaardelijk, passend en geboden.

Deze uitspraak steunt op de in rubriek 2 genoemde bepalingen en titel V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- legt appellant terzake van de twee door het tuchtgerecht bewezen verklaarde feiten tezamen een geldboete op van € 500,-

(zegge: vijfhonderd euro), waarvan € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde geldboete ten uitvoer wordt gelegd indien binnen twee jaren na

deze uitspraak het bepaalde bij of krachtens de Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006 (dan wel de

regelgeving die de Verordening in de toekomst wellicht zal vervangen) door appellant wordt overtreden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. H.C. Cusell in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.

w.g M.A. van der Ham w.g. S. van Noordt