Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ6735

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
AWB 07/839 tot en met 07/844
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/839 tot en met 07/844 26 augustus 2009

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

1. Maatschap A, te B,

2. C, te D,

3. E, te D,

4. F VOF, te G,

5. H, te I,

6. J, te I, hierna gezamenlijk appellanten,

gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid, verweerder,

gemachtigden: mr. M.M. de Vries, mr. D. Özdemir en R. Weltevreden, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 25 oktober 2007, bij het College binnengekomen op 26 oktober 2007, beroep ingesteld tegen zes besluiten van verweerder van 21 september 2007.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen zes op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) genomen besluiten over de slachtpremie van appellanten voor het jaar 2004.

Bij brief van 21 december 2007 hebben appellanten de gronden van hun beroep ingediend.

Bij brief van 28 februari 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 10 april 2009 hebben appellanten nadere stukken overgelegd.

Op 22 april 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. De gemachtigde van appellanten werd vergezeld door K.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)

Voor de slachtpremie komen in aanmerking:

a) stieren, ossen, koeien en vaarzen van ten minste acht maanden;

(...)

op voorwaarde dat zij gedurende een nader te bepalen periode door de producent zijn gehouden. (...) "

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

" Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…)

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)

7. Het bepaalde in de leden 4 en 5 geldt niet met betrekking tot voorschotten. (...) "

De Regeling luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 2.3

(…)

2. Terzake van het slachten (…) van een rund dat op de datum van de slacht (…) blijkens de gegevens uit het I&R-systeem rund tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt. (...) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben in het jaar 2003 kalveren ontvangen afkomstig uit Polen. De betreffende kalveren werden op basis van een overeenkomst door hen in opdracht en voor risico van L B.V. (hierna: L), eigenares van de dieren, gehouden.

- In 2004 zijn voor deze dieren namens appellanten op diverse data aanvragen om slachtpremie ingediend.

- Naar aanleiding van deze aanvragen heeft verweerder appellanten op diverse data in december 2004 voorschotten betaald.

- In 2004 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) controles op de bedrijven van appellanten uitgevoerd.

- Bij besluiten van 17 dan wel 31 mei 2005 heeft verweerder beslist op de aanvragen en is aan appellanten slachtpremie toegekend, waarna de bedragen (minus de reeds betaalde voorschotten) zijn betaald.

- Naar aanleiding van de controles van de AID heeft verweerder appellanten bij brieven van 1 juli 2005 in kennis gesteld van de constatering dat de geboortedata van de uit Polen geïmporteerde runderen onjuist in het I&R-systeem rund zijn geregistreerd. Daarbij is appellanten verzocht de betreffende gegevens te herstellen.

- Bij besluiten van 13 juli 2005 heeft verweerder appellanten meegedeeld dat het herstel van de geboortedata wordt doorgevoerd op hun kosten.

- De beroepen die appellanten sub 1 tot en met 5 hebben ingesteld tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen deze besluiten hebben geleid tot de uitspraak van het College van 30 oktober 2008 (AWB 07/294 tot en met 07/298, www.rechtspraak.nl, LJN: BG3829).

- Bij besluiten van 3 januari 2006 heeft verweerder als gevolg van de gewijzigde geboortedata van de Poolse runderen de genoemde besluiten op de aanvragen om slachtpremie voor 2004 herzien, waarbij de slachtpremie alsnog gedeeltelijk is geweigerd en reeds toegekende slachtpremie gedeeltelijk is teruggevorderd.

- Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brief van 31 januari 2006 bezwaar gemaakt.

- Op 21 maart 2006 zijn appellanten over hun bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de - inhoudelijk identieke - bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van de beroepen van belang, het volgende overwogen.

Op het gezondheidscertificaat van de uit Polen ingevoerde runderen staan onder andere de geboortedata van deze runderen. Dat deze geboortedata niet juist zouden zijn, zoals aangevoerd door appellanten, is door hen niet onderbouwd. Gelet hierop en op het feit dat de geboortedata afkomstig zijn van het gezondheidscertificaat dat door de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong (Polen) is opgesteld en afgegeven, is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Deze geboortedata, die ook zijn vastgelegd in het I&R-systeem rund, zijn leidend voor de toets of de onderhavige runderen voor slachtpremie in aanmerking komen.

Teneinde voor slachtpremie in aanmerking te komen dient een rund ingevolge artikel 11, eerste lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 op de datum van slacht ten minste acht maanden oud te zijn. Gelet op de geboortedata op het eerder genoemde certificaat waren de onderhavige runderen op de datum van de slacht jonger dan acht maanden en kan hiervoor derhalve geen slachtpremie worden verstrekt. De slachtpremie die appellanten reeds voor de runderen hebben ontvangen, is derhalve onverschuldigd betaald en is op grond van artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 terecht teruggevorderd.

Dat in het I&R-systeem rund in eerste instantie onjuiste geboortedata stonden vermeld, op basis waarvan appellanten hun planning hebben gemaakt, en dat zij pas van de wijziging van de geboortedata in kennis zijn gesteld op een tijdstip dat zij hun planning niet meer konden aanpassen, kan hen niet baten. Appellanten konden redelijkerwijs op de hoogte zijn van de juiste geboortedata, aangezien zij de dieren geïmporteerd hebben en deze vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat waarop de juiste geboortedata staan vermeld. Reeds hierom kan, gelet op artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, de terugbetalingsverplichting niet komen te vervallen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter onderbouwing van de beroepen, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

In rechte moet ervan worden uitgegaan dat de geboortedata weergegeven op de bijlage bij de Poolse gezondheidscertificaten de juiste geboortedata waren en dat die geboortedata geheel of gedeeltelijk onjuist zijn opgegeven bij het I&R.

Richtsnoer bij het bepalen van de leeftijd van een rund is en blijft de registratie in het I&R-systeem rund. Ook appellanten mochten bij het selecteren van runderen voor de slacht uitgaan van de leeftijd zoals vermeld in het I&R-systeem rund.

Verweerder had op grond van artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van terugvordering moeten afzien.

Vast staat immers dat medewerkers van het I&R-bureau zijn overgegaan tot het hernummeren van de betreffende Poolse dieren en het doorgeven van onjuiste geboortedata aan het I&R-systeem rund. Dat zij hierbij wellicht gebruik hebben gemaakt van papieren met onjuiste geboortedata, doet er niet aan af dat sprake is van een fout door de bevoegde instantie zelf. Het kan niet zo zijn dat appellanten verantwoordelijk zijn voor handelingen die zij niet verricht hebben en ook niet mochten verrichten. De registratie van Poolse runderen geschiedde in die tijd immers door de medewerkers van het I&R-bureau en niet door appellanten.

Tevens gaat verweerder er ten onrechte van uit dat appellanten redelijkerwijs op de hoogte hadden kunnen zijn van de juiste geboortedata van de dieren. Verweerder mag er niet van uitgaan dat de originele gezondheidscertificaten met bijlagen bij appellanten op het bedrijf waren. Er is slechts één gezondheidscertificaat bij een veehouder aangetroffen en dat betrof een vervalst certificaat. De certificaten kunnen ook door de omnummeraars zijn meegenomen om hun administratieve werk te doen.

De onderhavige fout heeft betrekking op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling (te weten de leeftijd van de dieren). De besluiten tot terugvordering zijn voor een aanzienlijk deel pas genomen meer dan 12 maanden nadat de betaling van de premie heeft plaatsgevonden. Zeker voor dit deel van de betalingen had verweerder van terugvordering moeten afzien.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat, gelet op de onder rubriek 2.2 vermelde uitspraak van 30 oktober 2008, rechtens ervan moet worden uitgegaan dat de aanvankelijk in het I&R-systeem rund opgenomen geboortedata van de litigieuze Poolse runderen onjuist waren en dat de gegevens vermeld op de Poolse gezondheidscertificaten, die deel uitmaken van de gedingstukken, de juiste gegevens zijn.

5.2 Het College stelt voorts vast dat appellanten niet betwisten dat deze runderen op het moment van de slacht de leeftijd van acht maanden nog niet hadden bereikt. Dit betekent dat verweerder voor deze runderen op grond van artikel 11, eerste lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 en artikel 2.3, tweede lid, van de Regeling geen slachtpremie kon toekennen en terecht de besluiten van 17 en 31 mei 2005 heeft herzien.

5.3 Voor zover appellanten van opvatting zijn dat zij destijds bij het selecteren van de runderen voor de slacht mochten uitgaan van de toen in het I&R-systeem rund geregistreerde geboortedata en voor deze dieren op grond van die geboortedata terecht slachtpremie is toegekend, deelt het College die opvatting niet. Voor de vraag of een rund de vereiste minimale leeftijd van acht maanden heeft bereikt, kan immers alleen de juiste geboortedatum bepalend zijn. Overigens merkt het College nog op dat in de uitspraak van 30 oktober 2008 is overwogen dat, nu vast staat dat de certificaten op basis waarvan verweerder de gegevens in het I&R-systeem rund heeft ingevoerd door of namens appellanten zijn aangevoerd en deze gegevens naderhand onjuist zijn gebleken, het ervoor moet worden gehouden dat appellanten onjuiste gegevens hebben verstrekt.

5.4.1 Appellanten zijn voorts van opvatting dat verweerder op grond van artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de gedeeltelijke terugvordering van de betaalde slachtpremies had moeten afzien. Het College deelt die opvatting evenmin en overweegt hiertoe het volgende.

5.4.2 Ingevolge artikel 49, vierde lid, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is de in het eerste lid bedoelde terugbetalingsplicht niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

In de tweede alinea van dit artikellid is bepaald dat, wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, de eerste alinea alleen van toepassing is indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

Ingevolge artikel 49, zevende lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 geldt lid 4 niet met betrekking tot voorschotten.

5.4.3 Vast staat dat de slachtpremiebetalingen die aan appellanten in december 2004 zijn gedaan, voorschotten betreffen. De beslissingen op de aanvragen om slachtpremie zijn pas op 17 dan wel 31 mei 2005 genomen, waarna de slachtpremies (minus de voorschotten) zijn betaald. Aangezien de terugvorderingsbesluiten van 3 januari 2006 aldus binnen de termijn van twaalf maanden na de betalingen van de slachtpremies zijn genomen en de daarbij gemaakte fout, zoals appellanten erkennen, betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betalingen, is artikel 49, vierde lid, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 niet van toepassing.

5.4.4 Dit betekent dat verweerder de ten onrechte verleende slachtpremies terecht heeft teruggevorderd.

5.5 Het voorgaande leidt ertoe dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.

w.g. E.J.M. Heijs De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.