Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2009:BJ6733

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
ÀWB 08/800
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 08/800 26 augustus 2009

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.M. de Vries en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 23 oktober 2008, bij het College binnengekomen op 24 oktober 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 september 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen een op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) genomen besluit over de slachtpremie van appellanten voor het jaar 2007.

Bij brief van 24 november 2008 hebben appellanten de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 15 januari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 22 april 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Tevens was hierbij aanwezig A.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

" Artikel 22 - Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in waarin, voor zover van toepassing, worden vermeld:

- alle percelen landbouwgrond van het bedrijf,

(...)

2. De lidstaat kan besluiten dat in de steunaanvraag alleen de veranderingen ten opzichte van de in het voorgaande jaar ingediende steunaanvraag hoeven te worden opgegeven. De lidstaat verspreidt voorbedrukte formulieren die zijn gebaseerd op de in het voorgaande jaar geconstateerde oppervlakten, en verstrekt grafisch materiaal dat de ligging van die oppervlakten (...) aangeeft. "

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

" Artikel 11 - Uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag

1. (…)

Een landbouwer die geen steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, maar steun aanvraagt in het kader van een andere in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde steunregeling, moet in het geval dat hij beschikt over landbouwgrond (…) een verzamelaanvraag indienen en de betrokken oppervlakten daarin opgeven overeenkomstig artikel 14 van deze verordening. (…).

2. De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum die niet later is dan 15 mei. (…)

Artikel 14 - Algemene voorschriften met betrekking tot de verzamelaanvraag en aangiften van bijzondere vormen van grondgebruik

1. (...)

1bis. Indien een landbouwer voor een bepaald jaar niet alle in lid 1 bedoelde oppervlakten aangeeft en het verschil tussen enerzijds de totale in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die in dat jaar aan die landbouwer moeten worden gedaan, verlaagd met tot 3% afhankelijk van de ernst van het verzuim. "

Tot de in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1782/2003 genoemde steunregelingen, waarnaar in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt verwezen, behoort onder meer de slachtpremie.

De Regeling luidde, voor zover hier en ten tijde van belang:

" Artikel 52

De landbouwer die een slachtpremieaanvraag indient, is verplicht de tot zijn bedrijf behorende grond aan te geven. Daartoe maakt hij gebruik van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55, met inachtneming van de daarvoor vastgestelde procedure.

(…)

Artikel 70

Indien een landbouwer niet alle in artikel 14, eerste lid, van verordening 796/2004 bedoelde oppervlakten opgeeft en daarbij het verschil tussen enerzijds de totale in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de rechtstreekse betalingen die in dat jaar aan die landbouwer moet worden gedaan, als volgt verlaagd:

a. (...)

c. indien het verschil groter is dan 20% bedraagt de verlaging 3%. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben in 2006 een nieuw rundveebedrijf gevestigd te D. Dit is aangemeld bij verweerder en hiervoor is een relatienummer en UBN verstrekt.

- Namens appellanten zijn aanvragen ingediend om slachtpremie voor runderen voor het jaar 2007.

- Bij besluit van 26 juni 2008 heeft verweerder slachtpremie toegekend en hierop met toepassing van artikel 70 van de Regeling een korting van 3% toegepast, omdat appellanten geen verzamelaanvraag hebben ingediend voor het jaar 2007.

- Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 juli 2008 bezwaar gemaakt.

- In het telefonisch contact met verweerder op 3 september 2008 hebben appellanten afgezien van een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Appellanten hebben in strijd met artikel 52 van de Regeling en artikel 11 van Verordening (EG) nr. 796/2004 geen verzamelaanvraag 2007 - zoals opgenomen in de Gecombineerde opgave - ingediend, en geen percelen landbouwgrond aangegeven, terwijl zij wel over landbouwgrond beschikken. Dit betekent, dat op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 796/2004 en artikel 70 van de Regeling het totale bedrag aan slachtpremie dat appellanten in 2007 is toegekend dient te worden gekort met 3%.

Appellanten stellen dat zij geen verzamelaanvraag hebben ingediend, omdat zij door een medewerker van verweerder telefonisch zouden zijn meegedeeld hiertoe niet gehouden te zijn, indien zij geen formulier Gecombineerde opgave hebben ontvangen van verweerder. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel van appellanten slaagt echter niet. Een dergelijk beroep kan niet worden gedaan tegen een duidelijke bepaling van het gemeenschapsrecht, gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het College.

3.2 In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder voorts betwist dat de gestelde mededeling is gedaan. Er zijn geen telefoonnotities die deze stelling van appellanten bevestigen. Ook is verweerder van mening dat hij niet verplicht was het formulier Gecombineerde opgave 2007 aan appellanten toe te zenden, omdat het bedrijf van appellanten een nieuw bedrijf was en verweerder nog niet wist dat appellanten voor dit bedrijf voor de landbouwtelling opgaveplichtig was.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten voeren ter onderbouwing van hun beroep, samengevat weergegeven, het volgende aan.

Zij hebben in 2006 een nieuw rundveebedrijf gestart in D en hiervoor een relatienummer en UBN gevraagd, hetgeen door verweerder is bevestigd. Appellanten stonden reeds bij verweerder bekend als rundveehouder met twee bedrijven elders in het land. Dat appellanten op genoemde nieuwe locatie meer dan drie dieren zouden houden en hierdoor voor de landbouwtelling opgaveplichtig zouden zijn, wist verweerder derhalve of behoorde hij te weten. Er is bovendien op 17 april 2007 een deelnamemelding voor slachtpremie gedaan onder hetzelfde relatienummer.

Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte verzuimd om appellanten het formulier Gecombineerde opgave 2007, inclusief de verzamelaanvraag, toe te sturen. In de uitspraak van het College van 10 januari 2007 (AWB 06/265, www.rechtspraak.nl, LJN: AZ7168) is uitdrukkelijk overwogen dat, gelet op artikel 22 van Verordening (EG)

nr. 1782/2003 en artikel 12 van Verordening (EG) nr. 796/2004, het toezenden van formulieren en bedrijfskaarten in het kader van de verzamelaanvraag niet een kwestie van serviceverlening is, maar een op de lidstaat rustende wettelijke verplichting. Zo is het ook een verplichting op grond van de Landbouwwet om het formulier Gecombineerde opgave op te sturen aan een ondernemer die zich heeft aangemeld en waarvan Dienst Regeling wist dan wel behoorde te weten dat de betreffende ondernemer landbouwtellingplichtig is.

Voorts heeft verweerder appellanten verkeerd voorgelicht over de plicht om een verzamelaanvraag in te dienen. Een van de appellanten heeft in 2007 gebeld om te informeren naar het formulier Gecombineerde opgave 2007 voor het nieuwe bedrijf. Een medewerker van verweerder heeft hem toen meegedeeld dat, als dit formulier niet is ontvangen, appellanten ook niets hoeven te retourneren. Het is voor appellanten na twee jaar onmogelijk om nog het bewijs van dit telefoongesprek te leveren. Indien appellanten het formulier wel zouden hebben ontvangen, zouden zij de verzamelaanvraag met de betrokken oppervlakten hebben kunnen indienen en zouden zij de onderhavige korting hebben kunnen voorkomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellanten hebben primair aangevoerd dat verweerder verplicht was aan hen het formulier Gecombineerde opgave 2007 toe te zenden.

De vraag of verweerder in het onderhavige geval Europeesrechtelijk en/of nationaalrechtelijk verplicht was aan appellanten het formulier Gecombineerde opgave 2007 toe te zenden – partijen verschillen hierover van mening – kan echter onbesproken blijven, omdat het antwoord op die vraag hier niet beslissend is. Immers, ook indien zou moeten worden aangenomen dat verweerder verplicht was aan appellanten bedoeld formulier te verstrekken, mocht van appellanten worden verwacht dat zij, toen zij geen formulier ontvingen, bij verweerder op toezending ervan hadden aangedrongen teneinde voor tijdige indiening van de verzamelaanvraag te kunnen zorgdragen.

5.2 Appellanten hebben gesteld dat zij in 2007 telefonisch hebben gemeld dat zij het formulier Gecombineerde opgave 2007 nog niet hadden ontvangen en dat een medewerker van verweerder toen heeft meegedeeld dat, als dit formulier niet is ontvangen, zij ook niets hoeven te retourneren.

Deze stelling kan appellanten reeds niet baten, nu verweerder deze stelling betwist en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze mededeling daadwerkelijk is gedaan. Appellanten hebben niet kunnen aangeven met welke medewerker en op welke dag het telefoongesprek is gevoerd. Voorts heeft verweerder verklaard geen telefoonnotitie te hebben aangetroffen die de juistheid van de stelling van appellanten bevestigt. Dat appellanten na twee jaar niet meer kunnen bewijzen dat het telefoongesprek heeft plaatsgevonden, zoals zij hebben gesteld, dient voor hun rekening en risico te blijven.

5.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.4 Het College ziet geen grond voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.

w.g. E.J.M. Heijs De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.